Vr. en Antw., Kamer, 1994-1995, nr. 144, blz. 15394-15395
Sproeien planten die al dan niet wortelen in de grond - Verlegging van de heffing - Landbouwdienst - BTW-tarief.
VRAAG
Sproeien van weilanden, beteelde oppervlakten in de tuinbouw of in serres is een landbouwwerkzaamheid die als beide partijen BTW- belastingplichtigen zijn én BTW-aangiften indienen, onder de toepassing valt van koninklijk besluit nr. 1, artikel 20, BTW te voldoen door medecontractant. Als de te besproeien oppervlakten in serres echter enkel planten bevatten die groeien in potten of via hydrocultuur (dus niet vastgehecht aan de grond) is dit mijns inziens geen werk in onroerende staat. Voor deze werken is dan het BTW-tarief van 6 % van toepassing ingevolge koninklijk besluit nr. 1, artikel 20, tarief A, landbouwdiensten.
Als er echter tegelijkertijd werken in onroerende staat (planten vastgehecht in de grond) en werken aan roerende goederen (planten in potten) zijn, wat is dan de oplossing ? Is de oplossing een gezamenlijke facturatie met toepassing van koninklijk besluit nr. 1, artikel 20 op het totale bedrag of een uitsplitsing naargelang de werken (een gedeelte met toepassing van koninklijk besluit nr. 1, artikel 20 en een gedeelte tegen het BTW-tarief van 6 %) ?
ANTWOORD
Zoals het geacht lid stelt is het sproeien van planten die wortelen in de grond en bijgevolg onroerend uit hun aard zijn, een werk in onroerende staat zoals bedoeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Planten die niet wortelen in de grond, wat het geval is bij planten in potten en hydrocultuur, worden niet aangemerkt als onroerend uit hun aard. Het sproeien van dergelijke planten is bijgevolg niet bedoeld in artikel 20, § 2, van voornoemd koninklijk besluit nr. 1.
Het sproeien van planten die al dan niet wortelen in de grond, is onderworpen aan het normaal BTW-tarief dat thans 20,5 % bedraagt.
Wanneer het echter een landbouwdienst betreft in de zin van rubriek XXIV, van tabel A, van de bijlage van het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, is deze handeling onderworpen aan het BTW-tarief van 6 %.
De goederen die geleverd worden ter gelegenheid van deze werkzaamheden worden evenwel belast tegen het tarief dat erop van toepassing zou zijn geweest waren ze afzonderlijk geleverd.
Wanneer de door het geacht lid vermelde handelingen het voorwerp uitmaken van slechts één verbintenis, is bovendien de regeling van de verlegging van de heffing van de belasting in principe alleen van toepassing op het deel van de verbintenis bedoeld door de bepalingen van artikel 20, § 2, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, zodat de facturen normaal dienen te worden uitgesplitst.
De administratie neemt evenwel, bij wijze van vereenvoudiging, aan dat de regeling van de verlegging van de heffing mag worden toegepast voor het geheel.
Deze afwijking is geldig, ofschoon de verbintenis aanleiding geeft tot afzonderlijke facturen, waarvan sommige slechts de handelingen vaststellen die niet onder de toepassing van voornoemd artikel 20 vallen, voor zover zij verwijzen naar de verbintenis en dat het duidelijk blijkt dat deze verbintenis gedeeltelijk binnen het toepassingsveld van het artikel 20 valt.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.