Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1982-1983 blz. 921
Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwwaarde - Bewijs - Bouwdossier - Controlemaatregel - Bewaring van de facturen bij werk in onroerende staat - Factuur - Verplichtingen - Bouwaangifte - Controleschatting - Deskundige schatting - Op te richten gebouw - Woning - Eigen werk in onroerende staat
ANTWOORD
Ik moge van de heer Vice-Eerste Minister vernemen: of, en zo ja, in welke mate, BTW verschuldigd is op bouwwerken, door de eigenaar eigenhandig en voor eigen rekening uitgevoerd meer bepaald wat betreft de prestaties geleverd door hemzelve of zijn familieleden, de eventueel verwerkte afbraakmaterialen die de bouwer in eigendom toebehoren en de schattingswaarde van het bouwwerk.
Antwoord: Ten aanzien van diensten betreffende werk in onroerende staat tot oprichting van een gebouw bepaalt artikel 36 van het BTW-Wetboek een minimummaatstaf van heffing.
Die minimummaatstaf is gelijk aan de normale waarde van die diensten, dit is de prijs die kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen een aannemer en een bouwheer die van elkaar onafhankelijk zijn.
Artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek bevat bovendien het vermoeden dat ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van een of meer diensten met betrekking tot een werk in onroerende staat, behalve indien bewezen wordt dat het werd vervreemd in de omstandigheden bepaald bij artikel 9, § 3.
Bij de bespreking van dat artikel in de Verenigde Commissies voor de Economische zaken en de Financiën van de Senaat, werd opgemerkt dat het hier gaat om een vermoeden juris tantum zodat de eigenaar van het gebouw steeds door alle middelen van het gemene recht, met uitzondering van de eed, zal kunnen bewijzen dat hij het gebouw geheel of gedeeltelijk zelf of met kosteloze medewerking van anderen heeft opgericht (zie Parl. Besch., Senaat, zitting 1968-1969, nr. 455, van 20 juni 1969).
Wanneer het voornoemde tegenbewijs voor bepaalde werken werd geleverd, worden die werken niet in aanmerking genomen voor het vaststellen van de minimummaatstaf van heffing en in die mate zal de heffing beperkt worden tot de BTW die eventueel werd geheven van de geleverde bouwmaterialen.
Wanneer de eigenaar die het werk verricht of de persoon die zijn kosteloze hulp verleent evenwel BTW-belastingplichtige is en het werk behoort tot de werkzaamheid waarvoor hij belastingplichtige is, is de belasting verschuldigd over de normale waarde van dat werk op grond van de artikelen 19, § 2, en 33, 2°, van het BTW-Wetboek.