Vr. en Antw., Senaat
Vereenvoudigde boekhouding
VRAAG
De wet van 17 juli 1975, artikel 5, bepaalt dat een handelaar, wiens omzet niet hoger is dan 15 miljoen, een vereenvoudigde boekhouding mag voeren.
Deze bestaat uit een aankoop-, verkoop- en thesaurieboek (en inventaris). De boekhouding wordt bijgevolg niet gevoerd volgens de regels van het dubbel boekhouden (art. 4).
Volgens de aangifte in de personenbelasting, aanslagjaar 1980, dienen de inkomsten tengevolge van de vereenvoudigde boekhouding niet te worden vermeld in vak "Handelaars... die boekhouden volgens de regels van het dubbel boekhouden". De resultaten kunnen ook niet worden vermeld in vak "Handelaars... die niet regelmatig boekhouden".
Volgens het Com. Wib 246/13 zou de hoger genoemde vereenvoudigde boekhouding a priori op dezelfde voet geplaatst worden als een volledige boekhouding.
Kan de geachte Minister mij antwoorden op volgende vragen:
1. In welk vak der aangiften dienen de resultaten, voortgesproten uit een vereenvoudigde boekhouding, te worden ingevuld en waarom?
2. Kan de controleambtenaar een boekhouding verwerpen, op basis van het feit dat inschrijvingen voorkomen in het kasboek, waaruit blijkt dat acht dagen met een zelfde pen werd geschreven? Is de conclusie dat betrokkene zijn kasboek soms om de acht dagen inschrijft niet voorbarig?
3. Dienen de gedetailleerde contante verkopen te worden ingeschreven in een dagboek, bij afwezigheid van een kasregister, opdat een boekhouding bewijskrachtig zou zijn? Bestaat er een verschil dienaangaande tussen de BTW-, PB- en vennootschappenboekhouding?
4. Meent de geachte Minister niet dat de wettelijke beschikkingen inzake bij te houden boekhouding krachtens de wet op de jaarrekeningen, 15 juli 1975, niet in het Wib moeten worden opgenomen?
ANTWOORD
1. Vak IX van de volledige aangifte in de personenbelasting is, zoals uit de titel blijkt, bestemd voor belastingplichtigen die een dubbele boekhouding voeren en bij het invullen ervan hun belastbare winst bepalen door aan het uit de boekhouding afgeleide nettoresultaat, de uit de belastingwet voortvloeiende correcties aan te brengen.
De belastingplichtige die een enkelvoudige boekhouding voert, welke voldoet aan de vormvereisten van artikel 5 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, dient daarentegen zijn belastbaar inkomen te vermelden in vak X van de bovenbedoelde aangifte (vak bestemd voor de "Industriëlen,... die geen dubbele boekhouding voeren").
Het gaat hier zonder meer om een kwestie van aangiftetechniek die geen juridische gevolgen heeft op het stuk van juistheid, volledigheid en bewijskracht van de gevoerde boekhouding.
2. Het door het geachte Lid opgeworpen probleem is een feitenkwestie die voor ieder geval afzonderlijk moet worden beoordeeld.
3. Een boekhouding die onder meer bestaat uit het inschrijven iedere dag in een ontvangstenboek van het totaalbedrag van de contante ontvangsten met betrekking tot handelingen verricht met particulieren zonder uitreiking van facturen, kan niet als voldoende bewijskrachtig worden aangemerkt. Ter zake is vereist dat de inschrijvingen van die handelingen in het ontvangstenboek worden gestaafd door:
- hetzij de gedetailleerde vermelding van de verkochte goederen;
- hetzij de overlegging van kasbescheiden die, volgens de werkzaamheid van de onderneming, kunnen bestaan uit telbanden van kasregisters, dubbels van kwijtingen, verkoopbons, enz.
Voor de toepassing van die regels wordt geen onderscheid gemaakt tussen fysieke personen en vennootschappen, zowel inzake BTW als inzake inkomstenbelastingen.
4. Daar de wet van 17 juli 1975 geen fiscale wet is en haar inwerkingtreding niets heeft gewijzigd aan de op het stuk van de directe belastingen geldende normen met betrekking tot de bewijskracht van de boekhouding, bestaat er geen aanleiding tot opname in het Wetboek der inkomstenbelastingen van de bij bovenvermelde wet opgelegde boekhoudkundige verplichtingen.