Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 131, blz. 18102-18103
Onttrekking investeringsgoed - Maatstaf van heffing
VRAAG
Een bedrijf stelt een investeringsgoed dat gebruikt werd voor de bedrijfsactiviteit buiten dienst en draagt het gebruikte goed kosteloos over aan zijn zaakvoerder of een personeelslid. Hoe wordt de maatstaf van heffing berekend waarop de BTW wordt geheven?
ANTWOORD
Wanneer een belastingplichtige aan zijn bedrijf een roerend goed onttrekt voor zijn privé-doeleinden of voor privé-doeleinden van zijn personeel en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit, wordt deze onttrekking overeenkomstig artikel 12, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel, wanneer voor het onttrokken goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.
In dat geval is de BTW verschuldigd over een maatstaf van heffing die, krachtens artikel 33, 1°, van voornoemd wetboek, bestaat uit de aankoopprijs van het onttrokken goed of soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, bepaald op het tijdstip waarop de onttrekking wordt verricht.
Bijgevolg is, wanneer het een aangekocht goed betreft, de maatstaf van heffing niet noodzakelijk de oorspronkelijke aankoop maar de prijs die op het tijdstip van de onttrekking normaal moet worden betaald om het onttrokken goed te verkrijgen, rekening houdend met de staat (bijvoorbeeld de ouderdom) waarin het zich op dat tijdstip bevindt.
Bovendien wordt aanvaard dat, met het oog op vereenvoudiging en behoudens uitzonderlijke omstandigheden waarop de belastingplichtige of de administratie zich kan beroepen, en alleen met betrekking tot de bedrijfsmiddelen onttrokken gedurende het herzieningstijdvak van vijf jaar, de waarde voor de maatstaf van heffing, in verhouding tot de aankoopprijs of door oorspronkelijke kostprijs, overeenstemt met één vijfde van voornoemde prijs voor het jaar waarin de wijziging van de bestemming zich heeft voorgedaan, vermeerderd met één vijfde voor elk van de nog te lopen jaren.
Overigens, wat de onttrekkingen betreft van voertuigen bedoeld in artikel 45, § 2, van hetzelfde wetboek, werd beslist dat de maatstaf van heffing, vastgesteld in functie van voorgaande regels, mag worden verminderd met de helft, ten einde rekening te houden met de principiële beperking die geldt voor de aftrek van de belasting geheven van de verkrijging van die voertuigen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.