Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 125, blz. 24557-24558
Vestiging zakelijk recht - Minimum maatstaf van heffing
VRAAG
Mits naleving van bepaalde voorwaarden kan eenieder die, anders dan in uitvoering van een economische activiteit, een zakelijk recht vestigt op een gebouw dat hij heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen ten aanzien van die handeling opteren voor de hoedanigheid van belastingplichtige en aldus dit zakelijk recht vestigen met betaling van BTW-.
De persoon die opteert om de vestiging van het zakelijk recht te onderwerpen aan BTW kan van de verschuldigde belasting de BTW aftrekken die geheven werd van de handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting of verkrijging van het gebouw waarop een zakelijk recht wordt gevestigd, evenals de belasting geheven van de handelingen die rechtstreeks verband houden met de vestiging van het zakelijk recht (BTW-handleiding nr. 161, www.fisconet.be).
De administratie zal echter bij de vestiging van een zakelijk recht slechts de volledige aftrek van de BTWaanvaarden wanneer de verkoopprijs van het zakelijk recht de oprichtings- of aankoopprijs van het gebouw in volle eigendom benadert (BTW-commentaar nr. 8/ 160, www.fisconet.be ). Meer bepaald wordt de volledige aftrek van de BTW aanvaard voor zover de verkoopprijs van het zakelijk recht tenminste 95 %, respectievelijk 97,5 % van de oprichtingsprijs (of de aankoopprijs) van het gebouw in volle eigendom bedraagt wanneer het zakelijk recht wordt gevestigd voor een periode van minder dan 10 jaar, respectievelijk voor een periode van 10 jaar of meer.
De facto wordt door de administratie dus een minimum maatstaf van heffing opgelegd.
Kan u aangeven welke wettelijke basis aan de grondslag van deze minimum maatstaf van heffing ligt?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 13.06.2006)
De invoering van een minimum maatstaf van heffing zou erop neerkomen dat belasting wordt geheven op een hoger bedrag dan hetgeen is overeengekomen tussen de partijen en dat overeenkomstig artikel 26 van het BTW-Wetboek de maatstaf van heffing vormt voor de vestiging van een zakelijk recht. Dit is hier niet het geval.
Wat de aftrek van de voorbelasting betreft, respecteert de administratie de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen die stelt dat slechts de belasting geheven van de bestanddelen die bijdragen tot de totstandkoming van de goederen en de diensten door de belastingplichtige verstrekt met voldoening van de belasting, aftrekbaar zijn.
In onderhavig geval brengt de vestiging van een zakelijk recht op een onroerend goed slechts een gedeeltelijke overdracht van de rechten van de overdrager met zich mee. Het is dan ook normaal dat de belasting slechts aftrekbaar is tot beloop van de prijs met betrekking tot het gevestigde zakelijk recht.
Indien echter de prijs van de vestiging van het zakelijk recht de verkoopprijs van het onroerend goed in volle eigendom gevoelig benadert, aanvaardt de administratie de volledige aftrek van de voorbelasting niettegenstaande de door de overdrager behouden rechten. Deze regels lijken me billijk.