Parlementaire vraag nr. 1274 van de heer Josy Arens d.d. 13.12.2022
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2022-2023, QRVA 55/101 d.d. 18.01.2023, blz. 284
Vraag nr. 1274 van De heer volksvertegenwoordiger Josy Arens van 13 december 2022 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding
Aftrekbaarheid van voedselschenkingen aan de voedselbanken.
VRAAG
Kunt u bevestigen dat artikel 3, 2°, d) van het koninklijk besluit nr. 59, waarbij artikel 12, § 1, 1e lid, 2°, b) van het Btw-Wetboek uitgevoerd wordt, in die zin moet worden verstaan dat het niet enkel betrekking heeft op schenkingen voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen na afloop van de periode van de traditionele feesten waarin ze verkocht worden en waarmee ze rechtstreeks en uitsluitend verbonden zijn, maar wel degelijk, zoals gepreciseerd wordt in de ruime formulering, op alle schenkingen voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen waarvan de gebruikelijke commercialisatieperiode is verlopen, met inbegrip van voedingsmiddelen die niet meer aan de distributeurs verkocht kunnen worden tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden, omdat een bepaalde, door diezelfde distributeurs vastgelegde termijn verstreken is?
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 18.01.2023:
De btw-behandeling van het gratis verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen is reglementair verankerd in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b), van het btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 59 van 18 mei 2020 met betrekking tot de onttrekking van handelsgeschenken van geringe waarde en de onttrekking voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft.
Onder de voorwaarden van voornoemde btw-wetgeving, is voor de schenkingen van voedingsmiddelen een gunstregeling voorzien die een afwijking vormt op het beginsel dat een belastingplichtige die een goed aan zijn bedrijf onttrekt om dat goed om niet te verstrekken de in aftrek gebrachte btw moet regulariseren wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan. Deze regeling wordt uitgebreid besproken in de circulaire 2020/C/116 betreffende het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen (9 september 2020).
De gunstregeling inzake voedselschenkingen beoogt enkel voedingsmiddelen waarvan de intrinsieke kenmerken niet meer toelaten dat ze, in gelijk welke schakel van het reguliere economische circuit, worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden.
Artikel 3, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 59 bevat vier objectieve gevallen die kunnen verantwoorden dat een voedingsmiddel niet meer gecommercialiseerd kan worden tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden:
- de houdbaarheidsdatum van het goed verstrijkt ten laatste vijftien dagen na de datum van de onttrekking van het goed;
- de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar;
- het voedingsmiddel beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant;
- de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen.
Bij de schenking van een voedingsmiddelen dient er steeds te worden nagegaan of het voedingsmiddel beoogd wordt door minstens één van die vier gevallen.
Het vierde geval betreft voedingsmiddelen die gedurende een specifieke commercialisatieperiode te koop worden aangeboden. Deze voedingsmiddelen worden gewoonlijk gecommercialiseerd gedurende relatief korte periodes. Zoals de circulaire 2020/C/116 aangeeft, worden hier bijvoorbeeld bedoeld de voedingsmiddelen verkocht ter gelegenheid van traditionele feesten zoals Pasen, Kerstmis of Sinterklaas. In een dergelijk geval betreft het bovendien voedingsmiddelen die rechtstreeks en uitsluitend met een dergelijk feest verbonden zijn (Sinterklaasfiguren in chocolade of speculaas, paaseitjes, enzovoort).
Worden daarentegen niet beoogd door het vierde mogelijke geval, de voedingsmiddelen die gedurende een bepaalde periode van het jaar meer geconsumeerd worden maar die in feite niet rechtstreeks verbonden zijn met een bepaalde commercialisatieperiode. Bijvoorbeeld: kreeftensoep, eendenlever, waarvoor meer vraag bestaat in de Kerstperiode.
Het enkele feit dat een voedingsmiddel door een verdeler onverkoopbaar wordt geacht louter omdat een welbepaalde termijn verlopen zou zijn, wordt niet beoogd door dit vierde geval en is op zich onvoldoende om te besluiten dat de schenking van dat voedingsmiddel onder de gunstregeling kan vallen.
De schenkingen van voedingsmiddelen die niet onder minstens één van voornoemde, door het wettelijk kader voorziene gevallen, valt, kunnen niet genieten van de gunstregeling.
Dit is bijvoorbeeld het geval voor voedingsmiddelen die louter omwille van een overtollige voorraad zouden geschonken worden, zonder dat één van de vier in het koninklijk besluit nr. 59 vermelde gevallen deze schenking kunnen motiveren.