Parlementaire vraag nr. 1233 van de heer Stéphane Lasseaux d.d. 29.05.2026
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2025-2026, QRVA 56/55 d.d. 14.07.2026, blz. 426
Rechtsonzekerheid door de intrekking van de administratieve commentaar over btw-eenheden - Eerbiediging van het beginsel van gelijkheid voor de belasting
VRAAG
Sinds 1 december 2023 wordt op het officiële platform Fisconet Plus de afdeling van de btw-commentaar die betrekking heeft op de regeling van de btw-eenheid (bedoeld in artikel 4, § 2 van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 55) als "niet meer geldig" aangemerkt en kan deze uitsluitend nog "pro memorie" geraadpleegd worden. De administratie preciseert dat er een nieuwe omzendbrief zou worden voorbereid.
Het is volkomen begrijpelijk dat de fiscus er behoefte aan heeft een verouderde administratieve doctrine te actualiseren. Door recente ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (met name via de arresten Danske Bank - C-812/19 en Kaplan - C-269/20) is de wijze waarop de financiële stromen en de dienstverlening tussen zetels en filialen geïnterpreteerd worden immers grondig veranderd. Diezelfde ontwikkelingen hebben ook een impact gehad op de financiële en non-profitsectoren die gebruikmaken van de btw-eenheid.
De door de administratie gekozen methode creëert echter een fundamenteel probleem met betrekking tot rechtszekerheid en behoorlijk bestuur. Doordat men de oude administratieve commentaar bijna tweeënhalf jaar geleden niet langer inroepbaar gemaakt heeft, zonder tegelijkertijd het nieuwe referentiekader te publiceren, heeft de FOD Financiën een schadelijk vacuüm gecreëerd wat de interpretatie betreft.
Cijferberoepen, bedrijven en belastingadviseurs hebben geen duidelijke richtlijnen meer om hun verrichtingen te structureren. Erger nog, bij gebrek aan gecentraliseerde administratieve richtlijnen vergroot men het risico op een willekeurige en divergerende toepassing van de wetgeving door die verschillende lokale btw-kantoren.
Zo een situatie is manifest in strijd met het principe dat de belasting voorspelbaar moet zijn. Daarnaast geeft het aanleiding tot grote bezorgdheid over de eerbiediging van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, die de gelijkheid van de burgers voor de wet en voor de belastingen garanderen. Dat beginsel valt niet te rijmen met een uiteenlopende toepassing van de wet afhankelijk van de controleambtenaar.
1. Hoe valt te rechtvaardigen dat de nieuwe omzendbrief bijna dertig maanden nadat de oude commentaar opgeheven werd, nog steeds niet gepubliceerd werd? Op welke precieze datum zal die nieuwe omzendbrief officieel gepubliceerd worden en inroepbaar worden gemaakt?
2. Ik vraag u niet om de volledige tekst mee te delen, maar wat zijn die belangrijkste knelpunten die de reden vormen voor die lange termijn? Wordt in die nieuwe omzendbrief in substantiële wijzigingen voorzien met betrekking tot de beoordeling van de vereiste financiële, economische en organisatorische verbondenheid om een btw-eenheid te vormen, of met betrekking tot de regels die het recht op btw-aftrek beperken (meer bepaald de toepassing van het werkelijk gebruik)?
3. Hoe zorgt uw administratie er bij gebrek aan een geldige administratieve commentaar in de praktijk voor dat artikel 4, § 2 van het Btw-Wetboek op het hele Belgische grondgebied op dezelfde manier geïnterpreteerd wordt?
4. Werden er sinds december 2023 specifieke interne instructies, interne circulaires of voorlopige richtlijnen verspreid onder de controleambtenaren om die lacune te ondervangen? Zo ja, waarom worden die niet openbaar gemaakt om de transparantie ten opzichte van de btw-plichtigen te waarborgen?
5. Hoe moeten geschillen die voortvloeien uit btw-controles met betrekking tot de periode sinds 1 december 2023 door de administratie worden beslecht? Zal de toekomstige omzendbrief uitsluitend van toepassing zijn voor de toekomst, of is de administratie van plan om die met terugwerkende kracht toe te passen op situaties die tijdens die periode van het regelgevend vacuüm zijn ontstaan?
ANTWOORD
d.d. 03.07.2026 (van de vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen)
1 en 2. Allereerst dient te worden verduidelijkt dat, niettegenstaande afdeling 5 van het Btw-Commentaar betreffende de btw-eenheid is opgeschort, het wettelijk, reglementair en administratief kader inzake de oprichting en de werking van btw-eenheden, dat sinds 2007 van kracht is en bestaat uit artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, het koninklijk besluit nr. 55 van 9 maart 2007 betreffende het stelsel van belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen, de Circulaire nr. AFER 42/2007 van 9 november 2007, de beslissingen E.T. 122.346 van 16 oktober 2014 en E.T. 127.850 van 30 maart 2016, evenals de parlementaire vragen en de rechtspraak met betrekking tot het stelsel van de btw-eenheid, nog steeds actueel is.
De Btw-Commentaar heeft overigens slechts als doel een synthese te maken van dit wettelijk en administratief reglementair kader. Verder dient te worden verwezen naar de actuele samenvattende passage over de btw-eenheid, vermeld in hoofdstuk 1, afdeling 12 van de Btw-Commentaar.
De administratie is niet voornemens ingrijpende wijzigingen aan te brengen wat betreft de beoordeling van de financiële, economische en organisatorische banden die vereist zijn voor de oprichting van een btw-eenheid, noch wat de regels inzake het recht op aftrek betreft. De voornaamste beoogde wijzigingen hebben in feite betrekking op de modaliteiten van toepassing van de vrijstellingen bedoeld in artikel 44, § 2, 3°, 4°, 6°, 7° en 9°, van het Btw-Wetboek op btw-eenheden en de aanpassing van bepaalde tolerantiemaatregelen bij de oprichting van een btw-eenheid tussen een bestaand lid en een lid in oprichting, dan wel in geval van fusie of splitsing van ondernemingen.
Deze wijzigingen zouden normaal gezien aanleiding moeten geven tot aanpassingen van de Circulaire nr. AFER 42/2007 van 9 november 2007. Aangezien zij echter reeds grotendeels waren opgenomen in de administratieve doctrine, was de administratie van oordeel dat de aanpassing van die circulaire geen prioriteit vormde.
Ik heb mijn administratie niettemin gevraagd de bijwerking van de Circulaire af te ronden.
3 tot 5. De interpretatie van het stelsel van de btw-eenheid en de behandeling van eventuele geschillen gebeuren overeenkomstig het thans geldende en hierboven omschreven juridisch kader. Specifieke gevallen kunnen, indien nodig, het voorwerp uitmaken van individuele beslissingen die aan de regionale diensten worden meegedeeld en die als precedenten kunnen dienen.
Het spreekt voor zich dat elke wijziging die aan het stelsel van de btw-eenheid zou worden aangebracht, enkel voor de toekomst zal gelden.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.