Vr. en Antw., Senaat
Inschrijvingstaks - Maatstaf van heffing - Normale waarde van voertuigen ouder dan tien jaar
VRAAG
Bij de aankoop van een tweedehandswagen moet de koper een bepaald bedrag aan zogeheten inschrijvingsbelasting - voorheen BTW - betalen.
Er bestaat een bepaald barema van minimumaanslagbasis voor deze belasting, waarbij uiteraard het percentage van deze belasting daalt naargelang van de ouderdom van de aangekochte wagen.
Ik meen te weten dat tot voor kort de BTW-kantoren genoegen namen met de strikte toepassing van voormeld minimumbarema, dat trouwens niet zo laag lag. Het kwam zelfs dikwijls voor dat de belasting berekend werd op een bedrag dat hoger lag dan de werkelijk door de koper betaalde prijs. Het zal wel zo zijn dat in andere gevallen ook wel eens het omgekeerde gebeurde.
Ik vernam nu echter langs verschillende bronnen dat de betrokken ambtenaren er meer en meer toe overgaan een hogere belasting op te leggen dan deze voorzien door het hoger vermeld barema. Dit gebeurt blijkbaar met een vrij grote willekeur en bovendien niet uniform, wat tot gevolg heeft dat het ene kantoor voor een bepaalde wagen zoveel inschrijvingsbelasting oplegt en een ander kantoor voor dezelfde wagen met een kleiner bedrag tevreden is.
De geachte Minister gelieve mij dan ook mede te delen:
1. Of er onlangs instructies aan de betrokken belastingkantoren gegeven zijn om een nieuwe taktiek toe te passen;
2. Of de daarbij aan de dag gelegde willekeurige belasting aanvaard kan worden.
ANTWOORD
De vraag gesteld door het geachte Lid doelt op de situatie waarbij een personenauto door een niet-BTW-belastingplichtige wordt verkocht.
De inschrijving in het repertorium van de Dienst van het Wegverkeer van dit voertuig door de koper is onderworpen aan de inschrijvingstaks, welke wordt geheven over de normale waarde van het goed op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, dat wil zeggen op de dag waarop het inschrijvingsbewijs wordt uitgereikt.
Deze normale waarde mag niet lager zijn dan een percentage van de prijs, dat varieert in functie van de ouderdom van het voertuig met betrekking tot het kalenderjaar waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht.
Indien de aangifte betreffende de inschrijvingstaks wordt ingediend na het zesde jaar dat volgt op datgene waarin het voertuig voor het eerst in het verkeer is gebracht en voor het verstrijken van het tiende jaar na dat waarin het voor het eerst in het verkeer is gebracht, mag de maatstaf van heffing niet lager zijn dan 6000 frank.
Na die termijn voorziet de wetgeving van de inschrijvingstaks in geen minimum van heffing meer. De inschrijving van een personenauto is dan onderworpen aan de taks over de enige maatstaf, welke de normale waarde van het voertuig is.
Die normale waarde moet, geval per geval, worden bepaald rekening houdend met alle elementen die de economische waarde van het voertuig op de dag van de uitreiking van het inschrijvingsbewijs kunnen beïnvloeden. Het geachte Lid mag dienaangaande niet uit het oog verliezen dat de voertuigen, waarvoor een inschrijving wordt gevraagd, uiteraard een zekere economische waarde moeten hebben, aangezien het rijwaardige voertuigen zijn.
De heffing van de taks over de normale waarde van het goed is een regel die inherent is aan het stelsel van de inschrijvingstaks zelf, en vloeit dus in het geheel niet voort uit "een nieuwe taktiek" waarvan het geachte Lid gewag maakt.
Indien evenwel mocht blijken dat de voor een bepaald voertuig vastgestelde waarde een te hoge maatstaf van heffing vormt, kan teruggave worden verleend van de te veel betaalde taks.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.