Tarief. Arbeidsintensieve dienst. Laaggeschoolde arbeid. Restaurant. Budgettaire impact van een fiscale maatregel · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1217 13 juli 1998

Zoeken

Tarief. Arbeidsintensieve dienst. Laaggeschoolde arbeid. Restaurant. Budgettaire impact van een fiscale maatregel

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1217-tarief-arbeidsintensieve-dienst-laaggeschoolde-arbeid-ec80

Nummer
1217
Datum
13 juli 1998

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

28 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, G.Z. 1998-1999 blz. 4291

Tarief - Arbeidsintensieve dienst - Laaggeschoolde arbeid - Restaurant - Budgettaire impact van een fiscale maatregel

VRAAG

1. De Europese Commissie heeft enige maanden geleden aan de Raad voorgesteld om een ontwerp van richtlijn voor te bereiden om het BTW-tarief over arbeidsintensieve diensten te verlagen, dit voorlopig voor een experimentele periode en op facultatieve basis.

De maatregel zou volgens de Commissie moeten worden voorbehouden aan diensten die :

- echt arbeidsintensief zijn;

- die rechtstreeks voor de verbruiker worden verricht;

- waarvoor voornamelijk gebruik wordt gemaakt van laaggeschoolde arbeid;

- die hoofdzakelijk lokaal zijn;

- waarvoor het verband tussen de prijsverlaging en extra vraag en werkgelegenheid het duidelijkst is.

In een experimentele fase moesten voor bepaalde sectoren vóór 1 maart 1998 voorstellen gedaan zijn. Ondertussen zal deze experimentele fase dus een aanvang hebben genomen.

2. Zoals algemeen geweten kampt de Belgische restaurantsector met een aantal fiscaal ongunstige factoren, waaronder, onder meer, het zeer hoge BTW-tarief in vergelijking met bepaalde buurlanden.

Op grond van de huidige BTW-richtlijnen is het nochtans onmogelijk om dit BTW-tarief te verlagen, hoezeer we dit ook zouden willen, om het gelijk te schakelen met andere landen. Deze rechtstreekse discriminatie van de Belgische restaurantsector wordt dus vooralsnog gewettigd door supranationale richtlijnen.

3. Zou het, gelet op wat voorafging, niet interessant zijn om aan de Europese Commissie, eventueel via onze Belgische vertegenwoordiging in de Commissie voor te stellen om in het ontwerp van richtlijn eveneens ruimte te maken voor de arbeidsintensieve restaurantbedrijvigheid en de experimentele of de eventueel latere definitieve maatregelen tot deze sector uit te breiden ?

Ik meen dat de restaurantsector alleszins aan de principiële doelstellingen zoals in het ontwerp van richtlijn geformuleerd (cf. supra), voldoet.

De diensten die worden aangeboden zijn uiteraard arbeidsintensief; de maaltijden worden rechtstreeks aan de verbruikers geserveerd; een groot gedeelte van de personeelsleden is laaggeschoold; restaurants functioneren hoofdzakelijk op lokaal vlak en het verband tussen een verlaging van de prijs en een verhoging van de vraag zal wel even duidelijk zijn als voor andere sectoren.

Kan dit probleem aldus niet op supranationaal vlak worden aangekaart, bij voorkeur doch niet noodzakelijk ter gelegenheid van de besprekingen betreffende het hogergenoemde ontwerp van richtlijn ?

Er zal allicht weinig Europees verzet zijn tegen de daaruit voortvloeiende Europese uniformisering van het BTW-tarief op dat vlak.

ANTWOORD

Op 12 november 1997 heeft de Europese Commissie inderdaad, in een mededeling aan de Raad van de Europese Unie, in het kader van werkschepping de mogelijkheid en de opportuniteit onderzocht van een verlaagd BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten.

Onder de categorieën die volgens de Commissie in aanmerking zouden kunnen komen, komen de diensten verricht in de restaurantsector niet voor.

Bovendien is, uit de besprekingen die tot op heden over deze mededeling in de ad hoc werkgroep van de Raad werden gevoerd, gebleken dat meerdere Lidstaten de verlaging van de BTW-tarieven niet als het meest doeltreffend instrument beschouwen bij de bestrijding van de werkloosheid.

Uit de verdere discussie zal dus moeten blijken of er een consensus kan worden gevonden, zowel ten gronde als wat de uiteindelijk in aanmerking te nemen categorieën van diensten betreft. Het is dus niet zo dat de experimentele fase reeds een aanvang heeft genomen.

Trouwens, zolang de Commissie geen officieel voorstel terzake doet om enige maatregel in kwestie juridisch mogelijk te maken, en de Raad dat voorstel niet met unanimiteit heeft goedgekeurd, is elke tariefverlaging op dat stuk uitgesloten.

Wat nu meer bepaald de restaurantsector betreft, is uit de discussies duidelijk gebleken dat geen unanieme goedkeuring voor de mogelijke toepassing van een verlaagd tarief zal worden gevonden.

Anderdeels, in tegenstelling tot wat het geachte Lid beweert, geldt in de ons omringende landen - met uitzondering van Nederland en Luxemburg - het normale BTW-tarief voor de desbetreffende dienstprestaties.

Die tariefverlaging zou voor België trouwens een budgettair verlies opleveren van 25 miljard frank (belastbare basis eindconsumptie 1996 : 167 miljard frank).

Om al deze redenen, en ook omdat de Commissie zelf in haar mededeling stelt dat het wenselijk is de budgettaire impact van het experiment laag te houden, ben ik niet zinnens om enig voorstel terzake te doen.