Inventaris. Boekhouding. Gelijkwaardigheid van beginstock en eindstock. Forfaitaire regeling. Verplichtigen. Omzet · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

112 17 februari 1983

Zoeken

Inventaris. Boekhouding. Gelijkwaardigheid van beginstock en eindstock. Forfaitaire regeling. Verplichtigen. Omzet

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/112-inventaris-boekhouding-gelijkwaardigheid-beginstock-eindstock-5d70

Nummer
112
Datum
17 februari 1983

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

15 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat G.Z. 1982-1983 blz. 858

Inventaris - Boekhouding - Gelijkwaardigheid van beginstock en eindstock - Forfaitaire regeling - Verplichtigen - Omzet

VRAAG

Een winkelier maakt op het einde van een bepaald jaar een inventaris op ten belope van b.v. 1.000.000 frank.

ANTWOORD

Omdat het opmaken van die inventaris voor een kleine, alleenwerkende zelfstandige een groot en tijdrovend werk is en omdat zijn stock niet zoveel verandert, blijft hij het volgend jaar dezelfde inventariswaarde aanhouden, steunende op het door de administratie gehuldigde principe (dat door rechtspraken is bijgetreden) van de gelijkwaardigheid van begin- en eindstock, in geval geen inventarisboek wordt bijgehouden.

In tegenspraak daarmee wordt door de administratie, bij een forfaitaire winstberekening en bij afwezigheid van een eindinventaris, die gelijkwaardige eindstock verworpen en beschouwd als verkocht in de loop van het jaar.

Aldus wordt bij een forfaitaire winstberekening de winst hoger vastgesteld dan ze in feite is en worden er belastingen ten onrechte gevestigd, al bestaat er geen twijfel dat er wel degelijk een eindstock voorhanden is.

Wat voor zin heeft het dan te spreken van gelijkwaardigheid van begin- en eindstock als alle aankopen worden verrekend en belast ?

Is dat niet in strijd met het door de rechtspraken gesteunde principe? Des te meer dat men bij een exploitatierekening (waar de eindinventaris bij verkopen worden gevoegd) die niet-bewezen inventaris laat bestaan.

Antwoord: Met betrekking tot het door het geachte Lid gestelde probleem heeft de Administratie der directe belastingen haar houding bepaald in haar circulaire nr. 959 van 21 januari 1972, die later werd aangevuld met de addenda van 1 december 1972 en 17 april 1973 (zie Bulletin van de Belastingen, nr. 494, blz. 424, nr. 504, blz. 178 en nr. 508, blz. 1.005).

Overeenkomstig die richtlijnen moet in het door het geachte Lid voorgelegde geval, de voorraad worden geacht verkocht te zijn tijdens het belastbaar tijdperk volgend op dat waarvoor de laatste maal een eindinventaris werd opgesteld.

Indien de belastingplichtige aantoont dat die voorraad reeds vroeger geheel of gedeeltelijk als verkocht werd beschouwd, moet natuurlijk vermeden worden dat de winst op die voorraad een tweede maal wordt belast.

Ik ben van oordeel dat de bewijslast nopens het bestaan en de hoegrootheid van de voorraad moet gedragen worden door de belastingplichtige en dat bij gebrek aan dit bewijs de administratie mag aannemen dat de goederen, die niet teruggevonden worden in een geldige eindinventaris, werden verkocht.

Zie B.T.W.-Revue nr. 35, blz. 453, nr. 5.