Gratis levering van maaltijden. Gratis gebruik van bedrijfswagen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1105 23 januari 2006

Zoeken

Gratis levering van maaltijden. Gratis gebruik van bedrijfswagen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1105-gratis-levering-maaltijden-gebruik-bedrijfswagen-2629

Nummer
1105
Datum
23 januari 2006

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

24 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 110, blz. 20585-20588

Gratis levering van maaltijden - Gratis gebruik van bedrijfswagen

VRAAG

Sommige ondernemingen beschikken over hun eigen kantine waar, veelal tegen verminderde prijzen (of gratis), maaltijden worden verstrekt aan de personeelsleden.

Dienaangaande heeft de administratie in het verleden volgend standpunt ingenomen.

De voordelen van alle aard, hetzij door het algemene opzet van artikel 18 WBTW (bijvoorbeeld gratis levering van maaltijden in een bedrijfsrestaurant), hetzij meer in het bijzonder door artikel 19, § 1, WBTW (bijvoorbeeld kosteloos ter beschikking stellen van een voertuig aan een lid van het personeel) zullen als diensten worden beschouwd, uitgevoerd onder bezwarende titel.

Het verstrekken van de eetmalen en van de dranken geschiedt dus volgens de administratie ter uitvoering van een contract onder bezwarende titel tussen werkgever en personeelsleden, hetzij omdat de personeelsleden er een prijs voor betalen, hetzij omdat ze aldus een bijkomend voordeel halen uit hun arbeids- of bediendencontract.

De belasting is derhalve opeisbaar. Zij wordt berekend hetzij over de prijs die door de personeelsleden wordt betaald, hetzij, indien er geen prijs is, op het voordeel van alle aard dat voor de heffing van de inkomstenbelasting werd bepaald. Indien volgens deze regels de betaalde prijs niet normaal is, dan moet, voor de berekening van de belasting, het voordeel van alle aard aan de prijs worden toegevoegd.

Anderzijds heeft de administratie volgend standpunt ingenomen met betrekking tot de door ondernemingen aan hun personeel ter beschikking gestelde voertuigen.

De BTW is opeisbaar, hetzij over de huurvergoeding welke de betrokkene betaalt (ingevolge artikel 18 WBTW), hetzij, indien geen vergoeding wordt gevraagd, in de regel over de gemaakte uitgaven. Dit laatste geval wordt uitdrukkelijk geregeld in artikel 19, § 1, WBTW, dat met een dienst verricht onder de bezwarende titel gelijkstelt, het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

Nochtans stelt de administratie in haar administratieve aanschrijving nr. 4/96 dat een dergelijk goed een waarde moet hebben van 250 euro.

1. Op welke basis werd de stelling gesteund dat een gratis levering van maaltijden kan beschouwd worden als ter uitvoering van een contract ten bezwarende titel (er is namelijk geen tegenprestatie)?

2. Waarom gaat de administratie ervan uit dat het gratis gebruik van een automobiel valt onder artikel 19 WBTW-, terwijl dit voor een gratis maaltijd artikel 18 WBTW is?

3.

a) Wanneer het gaat om het gebruik van een goed behorend tot het bedrijf met een waarde minder dan 250 euro, is dit dan wel belastbaar?

b) Dit kan het recht op aftrek toch niet be ı¨nvloeden?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 24.02.2006)

1 en 2. Het geval waarin een belastingplichtige een voertuig ter beschikking stelt van een personeelslid, die het gebruikt voor zijn privé-doeleinden, zonder hiervoor een huurvergoeding te vragen, wordt uitdrukkelijk geregeld door artikel 19, § 1, van het BTVV-Wetboek.

De belasting is in dat geval verschuldigd over de gedane uitgaven (artikel 33, 2°, van het BTW-Wetboek). Aangezien de "gedane uitgaven" in hoofde van de belastingplichtige in werkelijkheid overeenkomen met het voordeel van alle aard dat wordt vastgesteld voor de heffing van de inkomstenbelastingen, heeft de administratie middels de circulaire nr. 4 van 9 mei 1996, voorzien in een bijzondere berekeningswijze van de heffingsbasis van de verschuldigde BTW.

Deze facultatieve berekeningswijze garandeert een transparante en uniforme heffing en houdt rekening met de bepalingen van het arrest van het Europees Hof van Justitie van 25 mei 1993 in de zaak C-193/91 (MOHSCHE) op grond waarvan slechts de uitgaven die aanleiding hebben gegeven tot een recht op aftrek van de voorbelasting worden opgenomen in de maatstaf van heffing.

Het artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek, dat inzonderheid het duurzame gebruik van een bedrijfsmiddel van de belastingplichtige beoogt, geldt evenwel niet in het geval een belastingplichtige in de bedrijfskantine kosteloos spijzen en dranken ter beschikking stelt van zijn personeelsleden, aangezien het in deze veronderstelling goederen betreft die door het eerste gebruik, verbruikt worden.

De omstandigheid dat de in het vorige lid beoogde handeling geen directe tegenprestatie heeft, betekent ipso facto niet dat ze gratis is. Het is immers zo dat alleen de personeelsleden, met andere woorden diegenen die door een of andere overeenkomst met de werkgever verbonden zijn, met uitsluiting van ieder ander persoon, die van de bedrijfskantine of van een andere dergelijke gelegenheid, gebruik kunnen maken. Onder die omstandigheden is dat gebruik dan ook inherent aan de gesloten overeenkomst waaruit ze meestal ook stilzwijgend voortvloeit.

Het zogenaamd kosteloos verschaffen van spijzen en dranken in een bedrijfskantine wordt dan ook aangemerkt als een dienst onder bezwarende titel bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het BTW-Wetboek. De maatstaf van heffing van de verschuldigde belasting is het voordeel van alle aard dat wordt vastgesteld voor de heffing van de inkomstenbelastingen.

3. De administratie eist de toepassing van artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek, bij wijze van proef, niet in het geval de prijs of bij ontstentenis van een prijs, de normale waarde, per in de handel gebruikelijke eenheid, van het goed lager is dan 250 euro. Het spreekt voor zich dat in dat geval het oorspronkelijk uitgeoefend recht op aftrek niet wordt be ïnvloed.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 195 voorkomens
WBTW art. 184 voorkomens
WBTW art. 331 voorkomen