VRAAG
In een arrest van 29 juli 2010 oordeelt het Europees Hof van Justitie dat een werkgever de btw over de aan zijn werknemers verstrekte aankoopbonnen moet betalen als ze in ruil daarvoor afzien van een deel van hun bezoldiging in contanten (HJEG, 29 juli 2010, zaak C-40/09 in de procedure Astra Zeneca UK).
Die zaak beperkt zich tot de aankoopbonnen in ruil waarvoor de werknemers afzien van een deel van hun bezoldiging.
De Belgische administratie heeft altijd als stelregel gehanteerd dat er op de door de werkgever verstrekte waardebonnen die recht geven op de aankoop van goederen of diensten, geen btw moet worden betaald.
Een typisch voorbeeld hiervan is de btw-regeling voor de maaltijdcheques (beslissing nr. E.T. 28192 van 23 juli 1981, Fisconetplus).
Als men het arrest van het Hof van Justitie erop naslaat, zou men daaruit evenwel moeten afleiden dat de btw op het moment van de verstrekking van de maaltijdcheques door de werkgever aan de werknemers betaald zou moeten worden over het bedrag dat ingehouden wordt op de bezoldiging.
In een artikel van Ivan Massin ("Werkgever geeft aankoopbonnen aan werknemers: wat met de BTW?", Fiscoloog, nr. 1217, 10 september 2010, p. 5) worden er een reeks relevante vragen gesteld.
1. a) Welke wetswijzigingen zouden er volgens u moeten worden aangebracht naar aanleiding van bovenvermeld arrest? b) Welke richtlijnen zal u aan de administratie geven in het licht van de onderstaande vragen?
2. Zijn er implicaties voor de maaltijdcheques?
3. Zijn er, bijvoorbeeld, implicaties voor de verkoop van aankoopbonnen door een handelaar of voor de uitgifte door een derde van waardebonnen die in winkels kunnen worden ingewisseld? Op dat stuk heeft de Belgische administratie tot op heden ook als stelregel gehanteerd dat er over de verkoop en de uitgifte van dergelijke waardebonnen tegen betaling, geen btw geheven wordt (cfr. de regelgeving voor telefoonkaarten bijvoorbeeld; circulaire nr. AOIF 41/2004 (E.T. 103.375) van 20 december 2004). De btw moet pas betaald worden wanneer de bon gebruikt wordt voor een welbepaalde dienst of voor de aankoop van een goed.
4. Volgens Ivan Massin ("Werkgever geeft aankoopbonnen aan werknemers: wat met de BTW?", Fiscoloog, nr. 1217, 10 september 2010, p. 5) zou de redenering die het Hof volgt voor de verstrekking van de aankoopbonnen aan de werknemers - het gaat om de levering van een dienst aangezien er tegen betaling een recht wordt toegekend om goederen of diensten te kopen bij degenen die de aankoopbonnen uitgeven - ook gevolgd moeten worden voor de eigenlijke verkoop of voor de uitgifte van de bonnen zelf.
In dat geval rijzen er nieuwe vragen:
a) Zoals het Hof stelt, moet de handelaar de btw betalen op het moment dat de bon ingewisseld wordt voor een welbepaald goed of een welbepaalde dienst.
Betekent dat dat de handelaar, op het moment van de verkoop van de bon zelf, uiteindelijk geen btw moet betalen? In het tegenovergestelde geval dreigt hij de btw twee keer te moeten betalen: één keer op het moment dat de bonnen verkocht worden en nog een keer op het moment dat de bon wordt ingewisseld voor de aankoop van een goed of een dienst.
b) Zijn er voorts implicaties voor het geval waarin het goed of de dienst waartegen de bon wordt ingewisseld, onderworpen is aan een verlaagd btw-tarief? In het arrest legt het Hof een verband tussen de "betaling" van de bon door de werknemer, inclusief btw, enerzijds en de betaling van de prijs voor de aankoop van het goed of de dienst bij de handelaar op een later tijdstip anderzijds.
Het is duidelijk dat dat verband moeilijk erkend kan worden wanneer het goed of de dienst onderworpen is aan een ander btw-tarief dan het normale tarief dat wordt toegepast op de verstrekking van de bon door de werkgever.