Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 108, blz. 20186-20188
Tarief - Transacties met mest
VRAAG
Er heerst een onduidelijkheid bij de loonwerkers die landbouwdiensten uitvoeren rond het toe te passen BTW-tarief. Bij de federale administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOIF) die de toegepaste BTW-tarieven controleert bij de loonwerkers wordt een onduidelijke interpretatie toegepast. Dit leidt tot een rechtsonzekere situatie.
Een loonwerker, en fiscale deskundigen met hem, is van oordeel dat zijn dienst - ophalen, tijdelijk opslaan en terug verspreiden van landbouwmest, waarbij deze laatste handeling een strikte voorwaarde is om de eerste handeling (ophalen) te stellen, slechts één overeenkomst behelst waarbij het vervoer en de opslag secundair zijn aan het uitspreiden van de mest- een landbouwdienst betreft.
De BTW-Administratie is daarentegen van oordeel dat het niet om één overeenkomst gaat op het moment dat de landbouwproducent niet weet bij welke grondgebonden landbouwbedrijf de mest uiteindelijk zal worden uitgereden. Het weghalen en spreiden van de landbouwmest zou volgens deze interpretatie moeten bestaan uit één handeling of een reeks aaneengesloten handelingen. De mestafzetdocumenten die in toepassing van de wetgeving bij ieder vervoer worden bijgehouden worden mijns inziens als motivatie gebruikt om de verrichting tot vervoerdienst te herkwalificeren.
De laatste argumentatie, in het voordeel van de BTW-administratie, is nergens terug te vinden in wetgeving, commentaar, beslissingen of circulaires. Bijgevolg is het evident dat de ganse sector deze landbouwdienst tegen 6 % verstrekt.
De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer beschouwt het vervoer en de opslag in de bovenvermeld situatie als secundaire activiteit ten aanzien van het loonwerk, voor zover de activiteit niet enkel bestaat uit het vervoeren van landbouwer tot landbouwer maar hoofdzakelijk uit activiteiten van verspreiding van mest.
In deze situatie gelden ook andere regels betreffende inschrijving en vergunning dan voor het andere wegvervoer wat mijn inziens de specifieke situatie van bovenmelde landbouwdiensten erkent en deze aldus niet beschouwen als vervoerdiensten.
1. Hoe zijn de verschillen te verklaren tussen de interpretaties van de federale administratie van de Ondernemings- en Inkomenfiscaliteit en van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit?
2. Streeft u naar een eenvormigheid in de wetten en de toepassing ervan?
3. Wat is het enige juiste toe te passen BTW-tarief bij bovenvermelde dienst en waar is dit terug te vinden?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 08.02.2006)
Het geachte lid bedoelt klaarblijkelijk het geval waarin een loonwerker bij een landbouwer mest ophaalt en die opslaat om dan later zelf een overeenkomst te sluiten om deze mest te verspreiden. Zoals reeds geantwoord op uw mondelinge vraag nr. 5518 van 22 februari 2005 ( Integraal Verslag, Kamer, 2004-2005, commissie van de Financiën, 22 februari 2005, COM505, blz. 25) kan de dienst die bestaat uit het ophalen van mest die door de ophaler tijdelijk wordt opgeslagen niet worden aangemerkt als een landbouwdienst die het verlaagd tarief van 6 % kan genieten. De dienst bestaande uit het bemesten van landbouwgronden wordt daarentegen wel aangemerkt als een landbouwdienst die het verlaagd tarief van 6 % kan genieten.
De Federale Overheidsdienst Financiën en de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer hebben elk hun eigen wetgeving die niet noodzakelijk dezelfde bedoelingen hebben. De kwalificatie van voornoemde dienst op vlak van BTW houdt dan ook geen kwalificatie in voor de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, en vice versa.