Vr. en Antw., Kamer, 1993-1994, nr. 114, blz. 11.990-11.991
Hoedanigheid van belastingplichtige - Voorwaarden - Toevallige activiteit - Vrijstellingsregeling van belasting.
VRAAG
1. Wat zijn de huidige BTW-schalen voor prestaties en diensten?
2.
a) Vallen loutere gelegenheidsdiensten hieronder?
b) Zo ja, vanaf wanneer en wat verstaat men onder gelegenheidsdiensten?
3. Vallen ook niet winstgevende verhandelingen, diensten of prestaties onder de schalen van de BTW?
ANTWOORD
De vraag vanaf wanneer de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige ontstaat in hoofde van een persoon die slechts bij gelegenheid bepaalde in artikel 18 van het BTW-wetboek bedoelde diensten verricht, moet worden beoordeeld in functie van artikel 4 van hetzelfde wetboek dat een definitie geeft van de notie "belastingplichtige".
Op grond van artikel 4 van bovengenoemd wetboek wordt als belastingplichtige aangemerkt eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dat wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
Zoals uit die definitie blijkt hangt het verkrijgen van de hoedanigheid van belastingplichtige af van de regelmaat waarmee diensten in de zin van bovengenoemd wetboek wordt gesteld. Het is overigens slechts de regelmaat bij het stellen van diensten die voor de toepassing van de BTW de vereiste economische activiteit doet ontstaan. Daarbij is het zonder belang naargelang de diensten met of zonder winstoogmerk worden gesteld, dan wel al of niet winstgevend zijn.
Het onderscheid tussen het toevallig en het geregeld stellen van diensten is een feitenkwestie. Alleszins is de regelmaat vereist, doch ook voldoende om de hoedanigheid van de belastingplichtige te verkrijgen en de in die hoedanigheid onder bezwarende titel gestelde diensten aan de belasting te onderwerpen. De regelmaat vereist echter wel dat betreffende diensten bij herhaling en doorlopend worden gesteld.
Artikel 56, § 2, van het BTW-wetboek voorziet evenwel voor de kleine ondernemingen in een vrijstellingsregeling van belasting voor de leveringen van goederen en de diensten die ze verrichten. De toepassing van die regeling werd vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992.
Als kleine onderneming voor de toepassing van artikel 56, § 2, van het BTW-wetboek wordt aangemerkt elke belastingplichtige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die handelingen verricht die niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de vrijstellingsregeling van belasting en waarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan 225.000 Belgische frank.
De vrijstellingsregeling van belasting ontheft de kleine ondernemingen van de voornaamste verplichtingen die normaal aan BTW- belastingplichtigen worden opgelegd. Zo moeten de kleine ondernemingen die de vrijstellingsregeling van belasting genieten onder meer geen periodieke BTW-aangiften indienen met betrekking tot de door hen verrichte handelingen en evenmin BTW storten aan de Schatkist. Zij mogen nochtans in geen enkel geval de BTW die zij aan hun leveranciers hebben betaald in aftrek brengen.