Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 112, blz. 21119-21122
Handelingen van bedrijvencentra - Circulaire
VRAAG
Uw diensten hebben op 27 september 2005 een circulaire bekendgemaakt omtrent de diensten- en bedrijvencentra (circulaire nr. AOIF 39/2005, ET.108.816 van 27 september 2005, www.fisconet.be).
In deze circulaire wordt de administratieve zienswijze over de toepasselijke regeling inzake BTW voor de handelingen van bedrijvencentra herzien. Meer bepaald worden in deze circulaire een aantal criteria bepaald waaraan de bedrijvencentra verplicht moeten voldoen opdat de door de bedrijvencentra verleende diensten bij toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid, WBTW voor het geheel aan BTW zouden onderworpen zijn.
In de mate dat de bedrijvencentra niet aan deze criteria voldoen, voorziet de circulaire tevens in een nieuwe regeling waarbij de terbeschikkingstelling van private én gemeenschappelijke lokalen voor het geheel worden aangemerkt als een onroerende verhuur die overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° WBTW is vrijgesteld. De terbeschikkingstelling van roerende goederen vormt daarentegen een dienst die aan BTW is onderworpen. Voor de andere door het bedrijvencentrum verleende diensten moet verder een onderscheid worden gemaakt tussen deze die nauw verbonden zijn met de onroerende verhuur en eveneens van BTWworden vrijgesteld en deze die vreemd zijn aan deze verhuur en als dienst aan de BTW worden onderworpen.
In de praktijk is er echter in geen overgangsregeling voorzien voor bedrijvencentra die in hun bestaande overeenkomsten met andere criteria werken en daardoor niet voldoen aan voormelde criteria opdat de door de bedrijvencentra verleende diensten bij toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid, WBTW voor het geheel aan BTW zouden onderworpen zijn. Zo kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bedrijvencentra die niet werken met een enige, forfaitaire prijs; bedrijvencentra die geen verbod in hun overeenkomst hebben ingelast ten aanzien van de cliënten om de kantoorinrichtingen te wijzigen, enzovoort.
Evenmin is er voorzien in een overgangsregeling voor bedrijven die in hun bestaande overeenkomsten een andere opsplitsing hanteren tussen de roerende en onroerende diensten en daardoor niet voldoen aan de nieuwe administratieve regeling waarbij de terbeschikkingstelling van private én gemeenschappelijke lokalen voor het geheel geworden aangemerkt als een onroerende verhuur die overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, WBTW is vrijgesteld en de terbeschikkingstelling van roerende goederen als een dienst aan BTW is onderworpen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan overeenkomsten waarbij de terbeschikkingstelling van de private lokalen wel vrijgesteld wordt van BTW, maar de terbeschikkingstelling van gemeenschappelijke lokalen als onderdeel van het dienstenpakket met BTW wordt belast (overeenkomstig de oude regeling voor bedrijvencentra vervat in de beslissing nr. ET.53728 van 9 maart 1990, BTW-Revue, nr. 90, blz. 251). Ook kan het gaan om overeenkomsten waarbij voor een dienstenpakket een forfait wordt aangerekend met BTW, maar waarbij het forfait tevens diensten bevat die overeenkomstig de nieuwe circulaire dienen vrijgesteld te worden omdat ze met de onroerende huur verbonden zijn (bijvoorbeeld de verwarming en de airconditioning van de lokalen, de levering van elektriciteit, de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, enzovoort).
1. Dient men zich voor cliënten-huurders van bedrijvencentra, voor wie het niet interessant is om met toepassing van BTW te huren (zoals niet-BTW-plichtigen), onmiddellijk te conformeren aan de nieuwe circulaire en de bestaande overeenkomst te wijzigen?
2. Of blijft voor de bestaande overeenkomsten de oude regeling gelden zolang hun looptijd niet is verstreken ?
3. Heeft het feit dat de bestaande overeenkomsten door de fiscale administratie werden gecontroleerd en BTW-technisch juist werden bevonden hierop een invloed?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.03.2006)
Het nieuwe BTW-stelsel dat sinds 1 januari 2006 van toepassing is op de bedrijven- en dienstencentra wordt verantwoord door de evolutie van de nationale en Europese rechtspraak. De circulaire nr. 39/2005 die in dat verband werd gepubliceerd door de fiscale administratie, laat toe om op een uniforme en transparante wijze het onderscheid te maken tussen, enerzijds, de handelingen van bedrijven- of dienstencentra die worden belast en, anderzijds, de handelingen inzake de van de belasting vrijgestelde onroerende verhuur (in voorkomend geval met bijkomende diensten). De circulaire kwam overigens tot stand na uitgebreid overleg met vertegenwoordigers van de betrokken sector.
Gelet op het feit dat de prestaties die worden verricht door bedrijven- en dienstencentra worden aangemerkt als doorlopende diensten, die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, waarvoor de belasting opeisbaar is bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft, is het nieuwe stelsel van toepassing op bedoelde diensten waarvoor vanaf 1 januari 2006 de belasting opeisbaar is, ongeacht de datum waarop de overeenkomst werd gesloten. De hoedanigheid van de afnemer van de dienst noch het tijdstip waarop de overeenkomst werd gesloten of hernieuwd, hebben hierop een invloed.
Wat de eventuele regularisaties ten aanzien van het verleden betreft wordt verwezen naar voornoemde circulaire. Het feit dat een lopende overeenkomst in het verleden reeds het voorwerp is geweest van een fiscaal toezicht, staat overigens niet in de weg dat deze overeenkomst vanaf de datum van inwerkingtreding van voornoemde circulaire moet getoetst worden aan de nieuwe criteria.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.