Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 18020-18022
VZW - Sportvereniging - Uitbating kantine
VRAAG
De meeste lokale sportverenigingen hebben de rechtsvorm aangenomen van een VZW. Uiteraard wordt in het statutaire doel van de VZW's bepaald dat de vereniging met het oog op het realiseren van haar doelstellingen (bevorderen van de sportbeoefening, ontmoetings- en ontspanningsactiviteiten aanbieden aan de leden en dergelijke) ook alle mogelijke handelingen mag stellen die dienstig zijn om dit doel te realiseren. Zeer veel sportverenigingen baten in die context dan ook een kantine uit. Het werk wordt gedaan door vele vrijwilligers.
1. Conform artikel 44, § 2, 3°, van het BTW-Wetboek zijn de diensten die dergelijke VZW's verrichten met betrekking op het beoefenen van sport niet onderworpen aan de BTW-regeling.
a) Geldt dat ook voor de uitbating van de kantine?
b) Zo ja, onder welke voorwaarden en criteria?
2.
a) Indien voor een dergelijke vereniging de uitbating van de kantine wel aan de BTW-heffing is onderworpen, welke BTW geheven op de inkomende handelingen mag dan in aftrek worden gebracht?
b) Welke criteria worden hierbij gebruikt?
c) Mag de BTW, betaald op het in stand houden van de infrastructuur, afgetrokken worden? Ik denk hier bijvoorbeeld aan de aankoop van sportmateriaal, werken aan de sportinfrastructuur, enzovoort.
ANTWOORD
Artikel 44, § 2, 3°, van het BTW-Wetboek stelt vrij de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan.
De vrijstelling is beperkt tot de diensten die betrekking hebben op het beoefenen van de sport zelf en die door de exploitanten worden verleend aan personen die aan lichamelijke opvoeding of sport doen, met inbegrip van het ter beschikking stellen van sporttoestellen of sportartikelen.
Wat de andere diensten betreft die door de exploitanten van die inrichtingen worden verleend, inzonderheid het verschaffen van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt, kan in de regel geen aanspraak worden gemaakt op de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3°, van het BTW-Wetboek.
Het verschaffen van spijzen en dranken moet door de exploitant echter niet aan de belasting onderworpen worden wanneer de ontvangsten die voortvloeien uit die bijkomende handeling gering zijn en voor zover de lokalen waar de spijzen en dranken worden verbruikt alleen toegankelijk zijn voor degenen die in de inrichting aan sport doen en op bijkomende wijze voor hun genodigden en de exploitant geen andere belastbare werkzaamheid uitoefent, inzonderheid die van exploitant van een restaurant als bedoeld in artikel 22, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992.
Wanneer de exploitatie van het restaurant of het café aan een derde in concessie wordt gegeven, heeft deze altijd de hoedanigheid van belastingplichtige voor die activiteit en moet hij zijn handelingen aan de belasting onderwerpen. Anderzijds wordt aanvaard dat de handeling waarbij de concessie aan die derde wordt verleend niet met BTW belastbaar is indien de concessiegever geen andere werkzaamheid uitoefent die aan de belasting onderworpen is.
Op grond van artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen in aftrek brengen in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van de in dat artikel genoemde handelingen.
Uit wat voorafgaat blijkt dat, in het door het geachte lid beoogde geval, een lokale sportvereniging die de rechtsvorm heeft aangenomen van een vereniging zonder winstoogmerk voor de handelingen die zij verricht waarvoor de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3°, voormeld, van toepassing is, geen enkel recht op aftrek kan uitoefenen met betrekking tot de BTW geheven van de kosten die betrekking hebben op deze vrijgestelde activiteit (vb. sportinfrastructuur, onderhoud terreinen, sportmateriaal, enz.).
Indien kwestieuze sportvereniging eveneens een kantine uitbaat, waarvoor zij aangemerkt wordt als een gewone belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het BTW-Wetboek, kan de vereniging de BTW geheven van de kosten die betrekking hebben op deze handeling volgens de normale regels in aftrek brengen.
In dat geval kan de sportvereniging haar recht op aftrek uitoefenen met toepassing van een algemeen verhoudingsgetal zoals bedoeld in artikel 46, § 1, van het BTW-Wetboek of met inachtneming van de principes van het werkelijk gebruik als bedoeld in artikel 46, § 2, van hetzelfde Wetboek.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.