Vr. en Antw., Senaat
Ambtenaren van internationale instellingen - Vrijstelling voor levering en invoer van goederen
VRAAG
De in het Groothertogdom ingeschreven voertuigen mogen België binnen met vrijstelling van belasting, mits ze bestuurd worden door iemand wiens hoofdverblijfplaats niet in België gevestigd is. Is deze wel in België gevestigd, dan moet de BTW betaald worden om in België te mogen rijden, of het voertuig nu in België of in het buitenland ingeschreven is.
Het personeel van Namsa geniet in sommige gevallen vrijstelling van de BTW, ingevolge de diplomatieke immuniteit, maar enkel in het land waar het tewerkgesteld is. De in België woonachtige personeelsleden van de basis te Capellen genieten dus niet het voordeel van die vrijstelling in België.
In sommige gevallen werd de vrijstelling van de BTW echter toegestaan aan niet-Belgen met hun hoofdverblijfplaats in België.
Het gebeurt echter dat de douane daarmee geen rekening houdt, de betrokkene bekeurt en bij niet-betaling vervolgingen instelt.
Kan u mij uitdrukkelijk meedelen hoe die onduidelijke, zoniet discriminerende wetsbepalingen geïnterpreteerd moeten worden en hoe de BTW moet worden toegepast (algemene regeling en bijzonder geval van de Belgische of niet-Belgische personeelsleden van Namsa-Navo die in België wonen)?
Mocht de wetgeving, zoals ze door de douane wordt toegepast, een leemte vertonen, hoe zal u deze aanvullen?
ANTWOORD
Artikel 42, § 3, 3°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, stelt van die belasting vrij de leveringen van goederen en de dienstverrichtingen aan internationale instellingen, alsmede de invoer van goederen door die instellingen en de daaraan verbonden ambtenaren, voor zover in zulke vrijstelling is voorzien door een overeenkomst waarbij België toegetreden is.
Wat nu de Namsa betreft, dat een agentschap is van de Noordatlantische Verdragsorganisatie (Navo), voorziet de Overeenkomst betreffende de rechtspolitie van de Noordatlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers en het internationaal personeel, ondertekend te Ottawa op 20 september 1951 en goedgekeurd door de wet van I februari 1955 ( Belgisch Staatsblad van 6 maart 1955) in bepaalde vrijstellingen ten voordele van onder meer de ambtenaren van genoemd agentschap.
Aldus hebben de ambtenaren van de Namsa, krachtens artikel 18, letter f, van voornoemde overeenkomst, "het recht hun eigen auto's voor persoonlijk gebruik tijdelijk vrij van rechten in te voeren en daarna dergelijke voertuigen vrij van rechten uit te voeren, met in beide gevallen inachtneming van de voorwaarden welke de regering van het betrokken land noodzakelijk zal oordelen".
Aangezien deze bepaling het recht op vrijstelling niet uitdrukkelijk beperkt tot het grondgebied van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent, is de administratie er oorspronkelijk van uitgegaan dat ambtenaren van de Namsa, die hun functie uitoefenen in het Groothertogdom Luxemburg, doch hun normale verblijfplaats hebben in België, zich op de vrijstelling konden beroepen op voorwaarde dat zij niet de Belgische nationaliteit hadden.
Ten einde evenwel elke discriminatie op te heffen die uit deze ruime interpretatie voortvloeide ten aanzien van ambtenaren van andere internationale instellingen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren (zie ter zake onder andere het antwoord op de vraag nr. 55 van de heer Volksvertegenwoordiger Joseph Michel van 24 april 1979 Z. Revue nr. 42, blz. 665, nr. 11.
, gepubliceerd in het bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 10 van 15 mei 1979), heeft de administratie nadien beslist de hierboven aangehaalde bepaling van de Overeenkomst van Ottawa voortaan zo te interpreteren dat op de bedoelde vrijstelling slechts aanspraak kan worden gemaakt in het land waar de betrokken ambtenaar zijn functie uitoefent.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de vrijstellingen die, uit hoofde van hun bijzonder statuut, vastgesteld zijn ten voordele van de ambtenaren van de Namsa die hun functie uitoefenen in het Groothertogdom Luxemburg, beperkt zijn tot het Luxemburgse grondgebied zodat zij inzake BTW in België aan het stelsel van het gemeen recht onderworpen zijn.
Volgens de van kracht zijnde reglementering ter zake is de invoer in België van een voertuig, onder het stelsel van tijdelijke vrijstelling slechts mogelijk indien de normale verblijfplaats van de betrokkene zich in het buitenland bevindt, normale verblijfplaats te bepalen volgens de criteria van artikel 25 van het ministerieel besluit van 17 februari 1960 ( Belgisch Staatsblad van 18 februari 1960) tot regeling van de vrijstellingen inzake invoerrecht, toepasselijk gemaakt inzake BTW door de artikelen 19 en 23 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 Z. Revue nr. 42, blz. 665, nr. 11. ( Belgisch Staatsblad van 31 december 1977).
Deze reglementering bepaalt met name dat gehuwde personen, wat ook hun nationaliteit weze, die hun haardstede in België hebben, geacht worden hun normale verblijfplaats in België te hebben, zodat zij, bijgevolg, geen aanspraak kunnen maken op de vrijstelling.
De invoer in België van een personenauto door deze personen is derhalve aan de BTW onderworpen tegen het tarief van 25 pct., in voorkomend geval verhoogd met de aanvullende weeldetaks van 8 pct.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.