Btw-Commentaar. Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek - Handelingen verricht door collectieve beleggingsinstellingen - art. 44, § 3, 11° (01.06.2021)
BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief
Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek
Afdeling 32 – Handelingen verricht door collectieve bellegingsinstellingen (artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek)
Bijwerking 01.06.2021 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020]
Overeenkomstig artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek zijn van de belasting vrijgesteld:
‘a) de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 03.08.2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die aan de voorwaarden voldoen van de richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
b) de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 19.04.2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve beleggingen en hun beheerders;
c) de openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen bedoeld in artikel 2, 1°, 2° en 3°, van de wet van 12.05.2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;
d) de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27.10.2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening’.
Het essentiële criterium waaraan moet zijn voldaan opdat sprake is van een instelling voor collectieve belegging, is dat de activa van verschillende begunstigden worden samengevoegd, waardoor het risico van deze begunstigden kan worden gespreid over een aantal effecten (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ATP PensionService A/S tegen Skatteministerium, zaak C-464/12, van 13.03.2014, punt 51).
Om van de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek te kunnen genieten, moeten de diensten van beheer, verstrekt aan een door deze bepaling beoogde instelling, over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen en elementen vormen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van instellingen voor collectieve belegging (zie in die zin Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Abbey National plc en Inscape Investment Fund tegen Commissioners of Customs & Excise, zaak C-169/04, van 04.05.2006, punten 70 tot en met 72).
Dienaangaand dient te worden vastgesteld dat de specifieke werkzaamheid van een instelling voor collectieve belegging bestaat in de collectieve belegging in vanuit het publiek aangetrokken kapitaal (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest GfBk Gesellschaft für Börsenkommunikation mbH tegen Finanzamt Bayreuth, zaak C-275/11, van 07.03.2013).
Naast de taken van portefeuillebeheer, vormen de taken van het beheer van de instellingen voor collectieve belegging zelf, taken die specifiek zijn voor instellingen voor collectieve belegging, zoals deze zijn opgenomen in bijlage II van de richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13.07.2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (‘icbe’s’).
Zo zijn de diensten van boekhoudkundig beheer van de instelling opgenomen in deze bijlage II. Zij vallen binnen het toepassingsgebied van voornoemde vrijstelling (zie in die zin onder meer Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Staatssecretaris van Financiën tegen Fiscale Eenheid X NV cs, zaak C-595/13, van 09.12.2015, punten 72 en 73).
Hetzelfde geldt voor de ontbinding van een instelling voor collectieve belegging evenals voor de juridische adviezen eigen aan een dergelijke ontbinding.
De vrijstelling is eveneens van toepassing ten aanzien van de bestuurdersvergoedingen die door de hiervoor genoemde instellingen voor collectieve beleggingen worden toegekend aan inrichtingen (bijvoorbeeld banken) die als bestuurders van deze instellingen optreden (zie beslissing nr. E.T.127.850 van 30.03.2016, punten 63 tot 66).
Indien de activa van de instelling bestaan uit onroerende goederen, geldt hetgeen voorafgaat ook wanneer de specifieke activiteit van deze instelling bestaat uit, enerzijds, de werkzaamheden met betrekking tot de keuze, de aankoop en de verkoop van de onroerende goederen en, anderzijds, uit administratieve en boekhoudkundige taken zoals de berekening van het bedrag aan inkomsten en de prijs van de deelnemingen of aandelen in het fonds, de waardering van de activa, de boekhouding, de voorbereiding van aangiften voor de verdeling van de inkomsten, de verstrekking van informatie en documentatie voor de periodieke rekeningen en de belastingaangiften, voor het opmaken van statistieken en voor de aangiften voor de btw alsmede de opstelling van de rendementsprognoses (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Abbey National plc en Inscape Investment Fund tegen Commissioners of Customs & Excise, zaak C-169/04, van 04.05.2006 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ATP PensionService A/S tegen Skatteministerium, zaak C-464/12, van 13.03.2014).
De feitelijke exploitatie van de onroerende goederen is daarentegen niet specifiek voor de exploitatie van een instelling voor collectieve belegging, daar dit buiten het bestek van de diverse werkzaamheden in verband met de collectieve belegging van het samengebrachte kapitaal valt. Aangezien met de feitelijke exploitatie van de onroerende goederen wordt beoogd om het belegde vermogen te behouden en in waarde te doen stijgen, is de doelstelling daarvan niet specifiek voor de activiteit van een instelling voor collectieve belegging, maar inherent aan elke soort van belegging (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Staatssecretaris van Financiën tegen Fiscale Eenheid X NV cs, zaak C-595/13, van 09.12.2015, punt 78).
Het opstellen van een prospectus van een instelling voor collectieve belegging vormt een dienst met betrekking tot het administratieve beheer van die instelling die van de vrijstelling, opgenomen in de bepalingen van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek, kan genieten. De vertaling van deze prospectus - en aldus van de erin opgenomen gegevens die voor de beleggers noodzakelijk zijn om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over de hun aangeboden belegging en vooral over de daaraan verbonden risico’s - in de officiële landstalen wordt tevens aangemerkt als een dienst met betrekking tot het administratieve beheer van die instelling die van de belasting is vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek.
Op meer algemene wijze vormen de diensten inzake de commercialisering van delen van een instelling voor collectieve belegging geen diensten van beheer in de zin van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek, onafgezien van bijlage II van de richtlijn 2009/65/EG , voornoemd.
Deze bijlage bevat weliswaar een niet-exhaustieve lijst van de diensten begrepen in de handelingen van beheer van instellingen voor collectieve belegging en van investeringsmaatschappijen, waaronder, naast de diensten inzake portefeuillebeheer en de diensten inzake administratief beheer, deze inzake de commercialisering van delen van een instelling voor collectieve belegging in effecten.
Het doel dat hierbij wordt beoogd, is slechts het op Gemeenschapsniveau nader tot elkaar brengen van de voorwaarden met betrekking tot de vergunning van instellingen voor collectieve belegging in effecten en zodoende de grensoverschrijdende handel te bevorderen door de investeerders een efficiëntere bescherming te bieden. Deze doelstelling verklaart dan ook de bredere kijk op het begrip ‘beheer van instellingen voor collectieve belegging in effecten’.
Het Hof Van Justitie van de Europese Unie herneemt onder punt 64 van zijn op 04.05.2006 in de zaak C-169/04, Abbey National, gewezen arrest overigens enkel de rubrieken ‘Portefeuillebeheer’ en ‘Administratie’ van betreffende bijlage II als handelingen eigen aan de activiteiten van instellingen voor collectieve belegging (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Abbey National plc en Inscape Investment Fund tegen Commissioners of Customs & Excise., zaak C-169/04, van 04.05.2006).
Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft beslist in zijn arrest Gfbk, zaak C-275/11, van 07.03.2013, vallen de handelingen die behoren tot de activiteit inzake beheer van een instelling voor collectieve belegging, die door een derde voor de beheerder van een instelling voor collectieve belegging worden verricht, voor de toepassing van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek onder het begrip ‘beheer van een instelling voor collectieve belegging’ (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest GfBk Gesellschaft für Börsenkommunikation mbH tegen Finanzamt Bayreuth, zaak C-275/11, van 07.03.2013).
Voor het overige wordt verwezen naar circulaire AOIF nr. 22/2008 (nr. E.T. 113.316) van 17.06.2008 met betrekking tot de diensten inzake beheer van organismen voor de financiering van pensioenen, maar die eveneens, mutatis mutandis, van toepassing is op de diensten inzake beheer van de overige instellingen voor collectieve belegging.
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.