Handelingen verricht door collectieve beleggingsinstellingen (01.04.2023) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

21 april 2023

Zoeken

Handelingen verricht door collectieve beleggingsinstellingen (01.04.2023)Vrijstellingen beoogd door artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek - Handelingen verricht door collectieve beleggingsinstellingen

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/vrijstellingen-beoogd-artikel-44-wetboek-092f

Datum
21 april 2023

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

43 paragrafen

BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief

Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek

Afdeling 32 – Handelingen verricht door collectieve bellegingsinstellingen (artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek)

Bijwerking 01.04.2023 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [01.06.2021] [01.04.2022]

1. Algemeen

Overeenkomstig artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek zijn van de belasting vrijgesteld:

‘het beheer van:

a) de instellingen voor collectieve belegging en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen bedoeld in de wet van 03.08.2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die aan de voorwaarden voldoen van de richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;

b) de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 19.04.2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve beleggingen en hun beheerders;

c) de openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen bedoeld in artikel 2, 1°, 2° en 3°, van de wet van 12.05.2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;

d) de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27.10.2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.’

Deze vrijstelling vormt de omzetting in Belgisch recht van de artikel 135, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.

Het essentiële criterium waaraan moet zijn voldaan opdat sprake is van een instelling voor collectieve belegging, is dat de activa van verschillende begunstigden worden samengevoegd, waardoor het risico van deze begunstigden kan worden gespreid over een aantal effecten (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ATP PensionService A/S tegen Skatteministerium, zaak C-464/12, van 13.03.2014, punt 51).

Om van de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek te kunnen genieten, moeten de diensten van beheer, verstrekt aan een door deze bepaling beoogde instelling, over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen en elementen vormen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van instellingen voor collectieve belegging (zie in die zin Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Abbey National plc en Inscape Investment Fund tegen Commissioners of Customs & Excise, zaak C-169/04, van 04.05.2006, punten 70 tot en met 72).

Dienaangaand dient te worden vastgesteld dat de specifieke werkzaamheid van een instelling voor collectieve belegging bestaat in de collectieve belegging in vanuit het publiek aangetrokken kapitaal (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest GfBk Gesellschaft für Börsenkommunikation mbH tegen Finanzamt Bayreuth, zaak C-275/11, van 07.03.2013).

Naast de taken van portefeuillebeheer, vormen de taken van het beheer van de instellingen voor collectieve belegging zelf, taken die specifiek zijn voor instellingen voor collectieve belegging, zoals deze zijn opgenomen in bijlage II van de richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13.07.2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (‘icbe’s’).

Zo zijn de diensten van boekhoudkundig beheer van de instelling opgenomen in deze bijlage II. Zij vallen binnen het toepassingsgebied van voornoemde vrijstelling (zie in die zin onder meer Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Staatssecretaris van Financiën tegen Fiscale Eenheid X NV cs, zaak C-595/13, van 09.12.2015, punten 72 en 73).

Hetzelfde geldt voor de ontbinding van een instelling voor collectieve belegging evenals voor de juridische adviezen eigen aan een dergelijke ontbinding.

De vrijstelling is eveneens van toepassing ten aanzien van de bestuurdersvergoedingen die door de hiervoor genoemde instellingen voor collectieve beleggingen worden toegekend aan inrichtingen (bijvoorbeeld banken) die als bestuurders van deze instellingen optreden (zie beslissing nr. E.T.127.850 van 30.03.2016, punten 63 tot 66).

Indien de activa van de instelling bestaan uit onroerende goederen, geldt hetgeen voorafgaat ook wanneer de specifieke activiteit van deze instelling bestaat uit, enerzijds, de werkzaamheden met betrekking tot de keuze, de aankoop en de verkoop van de onroerende goederen en, anderzijds, uit administratieve en boekhoudkundige taken zoals de berekening van het bedrag aan inkomsten en de prijs van de deelnemingen of aandelen in het fonds, de waardering van de activa, de boekhouding, de voorbereiding van aangiften voor de verdeling van de inkomsten, de verstrekking van informatie en documentatie voor de periodieke rekeningen en de belastingaangiften, voor het opmaken van statistieken en voor de aangiften voor de btw alsmede de opstelling van de rendementsprognoses (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Abbey National plc en Inscape Investment Fund tegen Commissioners of Customs & Excise, zaak C-169/04, van 04.05.2006 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ATP PensionService A/S tegen Skatteministerium, zaak C-464/12, van 13.03.2014).

De feitelijke exploitatie van de onroerende goederen is daarentegen niet specifiek voor de exploitatie van een instelling voor collectieve belegging, daar dit buiten het bestek van de diverse werkzaamheden in verband met de collectieve belegging van het samengebrachte kapitaal valt. Aangezien met de feitelijke exploitatie van de onroerende goederen wordt beoogd om het belegde vermogen te behouden en in waarde te doen stijgen, is de doelstelling daarvan niet specifiek voor de activiteit van een instelling voor collectieve belegging, maar inherent aan elke soort van belegging (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Staatssecretaris van Financiën tegen Fiscale Eenheid X NV cs, zaak C-595/13, van 09.12.2015, punt 78).

Het opstellen van een prospectus van een instelling voor collectieve belegging vormt een dienst met betrekking tot het administratieve beheer van die instelling die van de vrijstelling, opgenomen in de bepalingen van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek, kan genieten. De vertaling van deze prospectus - en aldus van de erin opgenomen gegevens die voor de beleggers noodzakelijk zijn om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over de hun aangeboden belegging en vooral over de daaraan verbonden risico’s - in de officiële landstalen wordt tevens aangemerkt als een dienst met betrekking tot het administratieve beheer van die instelling die van de belasting is vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek.

Op meer algemene wijze vormen de diensten inzake de commercialisering van delen van een instelling voor collectieve belegging geen diensten van beheer in de zin van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek, onafgezien van bijlage II van de richtlijn 2009/65/EG , voornoemd.

Deze bijlage bevat weliswaar een niet-exhaustieve lijst van de diensten begrepen in de handelingen van beheer van instellingen voor collectieve belegging en van investeringsmaatschappijen, waaronder, naast de diensten inzake portefeuillebeheer en de diensten inzake administratief beheer, deze inzake de commercialisering van delen van een instelling voor collectieve belegging in effecten.

Het doel dat hierbij wordt beoogd, is slechts het op Gemeenschapsniveau nader tot elkaar brengen van de voorwaarden met betrekking tot de vergunning van instellingen voor collectieve belegging in effecten en zodoende de grensoverschrijdende handel te bevorderen door de investeerders een efficiëntere bescherming te bieden. Deze doelstelling verklaart dan ook de bredere kijk op het begrip ‘beheer van instellingen voor collectieve belegging in effecten’.

Het Hof Van Justitie van de Europese Unie herneemt onder punt 64 van zijn op 04.05.2006 in de zaak C-169/04, Abbey National, gewezen arrest overigens enkel de rubrieken ‘Portefeuillebeheer’ en ‘Administratie’ van betreffende bijlage II als handelingen eigen aan de activiteiten van instellingen voor collectieve belegging (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Abbey National plc en Inscape Investment Fund tegen Commissioners of Customs & Excise., zaak C-169/04, van 04.05.2006).

Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft beslist in zijn arrest Gfbk, zaak C-275/11, van 07.03.2013, vallen de handelingen die behoren tot de activiteit inzake beheer van een instelling voor collectieve belegging, die door een derde voor de beheerder van een instelling voor collectieve belegging worden verricht, voor de toepassing van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek onder het begrip ‘beheer van een instelling voor collectieve belegging’ (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest GfBk Gesellschaft für Börsenkommunikation mbH tegen Finanzamt Bayreuth, zaak C-275/11, van 07.03.2013).

Voor het overige wordt verwezen naar circulaire AOIF nr. 22/2008 (nr. E.T. 113.316) van 17.06.2008 met betrekking tot de diensten inzake beheer van organismen voor de financiering van pensioenen, maar die eveneens, mutatis mutandis, van toepassing is op de diensten inzake beheer van de overige instellingen voor collectieve belegging.

Tot slot wordt nog opgemerkt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie voor wat de draagwijdte van de bepalingen van artikel 135, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, betreft, het standpunt heeft ingenomen dat het begrip ‘gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ eveneens gesloten beleggingsfondsen omvat. Een andere uitlegging waarbij het beheer van fondsen met variabel kapitaal wel van btw wordt vrijgesteld en het beheer van gesloten fondsen niet, zou in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust plc en The Association of Investment Trust Companies tegen The Commissioners of HM Revenue and Customs, zaak C-363/05, van 28.06.2007)

2. Beheer van buitenlandse beleggingsfondsen

Onder het oorspronkelijke artikel 44, § 3, 11° (oud), van het Btw-Wetboek, welke de omzetting is van het oorspronkelijke artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, was de btw-vrijstelling inzake beheersdiensten van instellingen voor collectieve beleggingen beperkt tot de ‘instellingen voor collectieve belegging als bedoeld in boek III van de wet van 04.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten alsmede de bestuurdersvergoedingen uitgekeerd door deze instellingen’.

De bepalingen van voormeld boek III waren van toepassing voor de:

• Belgische instellingen voor collectieve belegging; en

• buitenlandse instellingen voor collectieve belegging waarvan de rechten van deelneming werden verhandeld in België.

De beheersdiensten van instellingen voor collectieve belegging waarvan de rechten van deelneming niet in België werden verhandeld, konden de btw-vrijstelling van artikel 44, § 3, 11° (oud), van het Btw-Wetboek bijgevolg niet genieten, aangezien deze niet bedoeld werden in boek III van de wet van 04.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten (zie ook schriftelijke parlementaire vraag nr. 650 van de heer Senator Olivier De Clippele van 15.05.2000).

Sindsdien heeft artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek, meerdere wetswijzigingen ondergaan. Zo werd onder meer middels een wetswijziging doorgevoerd in 2016 (BS 16.08.2016) het toepassingsgebied van betreffende vrijstelling voor het beheer van instellingen van collectieve beleggingen zoals voorzien in artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek verder uitgebreid.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 3, 11°, b), van het Btw-Wetboek zijn thans van de belasting vrijgesteld, het beheer van de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 19.04.2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve beleggingen en hun beheerders. Artikel 3, 1° en 2°, van voornoemde wet van 19.04.2014, dat de omzetting in Belgisch recht vormt van richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 08.06.2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 Voor de EER relevante tekst, definieert:

• een ‘instelling voor collectieve belegging’ als ‘een Belgische of buitenlandse instelling waarvan het doel de collectieve belegging van financiële middelen is’;

• een ‘alternatieve instelling voor collectieve belegging’ of ‘AICB’ als ‘de instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van hun beleggingscompartimenten, die

a) bij een reeks beleggers kapitaal ophalen om dit overeenkomstig een bepaald beleggingsbeleid in het belang van die beleggers te beleggen; en

b) iet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG’.

In tegenstelling tot de bepalingen die vóór de voormelde wetswijziging van 2016 van toepassing waren, geldt door de verwijzing naar de wet van 19.04.2014, voornoemd, voor buitenlandse beleggingsfondsen niet langer dat deze in België verhandeld moeten worden, opdat de diensten van beheer van deze instellingen worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 3, 11°, b), van het Btw-Wetboek en aldus van de belasting zijn vrijgesteld. Hetzelfde geldt voor onder meer de toepassing van de bepalingen van artikel 44, § 3, 11°, a), van het Btw-Wetboek.

[Top]

Aangehaalde teksten

7