Btw-Commentaar, Topics. Onroerende goederen - Diensten - Inleiding (31.12.2020)
BOEKWERK VI. Specifieke topics
Hoofdstuk 16. Specifieke topics
Afdeling 2. Onroerende goederen – Diensten
Nr. 2. Inleiding
Bijwerking 31.12.2020 – Vorige versie [01.07.2019]
Inhoud: · 6 onderdelen
B. Uit zijn aard onroerend goed en gebouw
C. Voldoende rechtstreekse band met het onroerend goed
a. Diensten afgeleid van een onroerend goed
b. Diensten verricht of bestemd voor een onroerend goed
D. De plaatsbepaling van diensten met betrekking tot een onroerend goed
A. Voorwerp van de topic
Deze topic bespreekt de diensten met betrekking tot een uit zijn aard onroerend goed.
Een uit zijn aard onroerend goed zal worden beschouwd:
• ten eerste, als een middel dat bijdraagt tot het verrichten van een dienst (bijvoorbeeld: een onroerende verhuur)
• ten tweede, als het voorwerp van de verwezenlijking van een dienst (bijvoorbeeld: de werken van de omvorming van een gebouw)
Na de aandacht gevestigd te hebben op de verschillen tussen de leveringen van onroerende goederen en de diensten met betrekking tot onroerende goederen (zie titel 3), is het onderwerp schematisch als volgt gestructureerd:
Alvorens in te gaan op elk van de diensten met betrekking tot een uit zijn aard onroerend goed, is het noodzakelijk om eerst het volgende te definiëren:
• de begrippen ‘uit zijn aard onroerend goed’ en ‘gebouw’ (zie rubriek B, van deze titel)
• het verband tussen de dienstprestatie en het onroerend goed (zie rubriek C, van deze titel)
• de plaatsbepaling van de diensten die betrekking hebben op een onroerend goed (zie rubriek D, van deze titel).
B. Uit zijn aard onroerend goed en gebouw
Het begrip ‘onroerend goed’ wordt uitvoerig besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Levering van goederen, Afdeling 3, titel 1, rubriek C en Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 8, titel 3, rubriek A, subrubriek b)’, waarnaar wordt verwezen.
Bijgevolg wordt in deze topic enkel de essentie van dit begrip hernomen.
Het begrip ‘onroerend goed’ moet steeds beoordeeld worden in het licht van de definitie vermeld in artikel 13ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van de richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
Bijgevolg, wordt onder ‘onroerend goed’ begrepen hetzij de grond zelf, alles wat zich op de grond bevindt en er is vastgehecht of ingeworteld (bomen, gewassen …) alsook de ondergrond (niet-ontgonnen mineralen of ertsen), hetzij een element dat in een gebouw of constructie is ‘geïntegreerd of ingelijfd’.
Het mogelijke onroerende karakter van een goed dient immers geval per geval te worden onderzocht waarbij rekening dient te worden gehouden met de drie volgende gegevens: de vasthechting, de integratie en de installatie van een element in een structuur.
• Vasthechting: Kan er worden vanuit gegaan dat het element de structuur op zich vormt? Dit in de zin van vastgemaakt te zijn aan of in de grond, niet makkelijk demonteerbaar en verplaatsbaar maar niet noodzakelijk in de zin van onlosmakelijk te zijn verbonden met de grond (Europees Hof van Justitie, Arrest Rudolf Maierhofer, zaak C-315/00, van 16.01.2003, punten 33 tot 35 en Arrest Leichenich, zaak C-532/11, van 15.11.2012, punt 23)
• Integratie: Maakt het element integraal deel uit van de structuur? Dit in die zin dat zonder dit element het gebouw of de constructie onvolledig zou zijn (deur, raam, dak, trap, lift ... )
• Installatie: Is het element (materiaal, machine …) blijvend verbonden met de structuur? Dit in die zin dat het niet kan worden verplaatst zonder vernieling of wijziging van het gebouw of de constructie.
Het is belangrijk om het begrip ‘uit zijn aard onroerend goed’ niet te verwarren met het begrip ‘gebouw’. Zo is, bijvoorbeeld, een verhard terrein uiteraard een uit zijn aard onroerend goed maar is het evenwel geen gebouw, zijnde een bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (artikel 1, § 9, eerste lid,1°, van het Btw-Wetboek).
Het begrip ‘uit zijn aard onroerend goed’ is dus veel ruimer dan het begrip ‘gebouw’. Dit laatste begrip verschijnt opnieuw bij de:
• overdrachten bedoeld in de artikelen 8 en 44, § 3, 1°, van het Btw-wetboek met betrekking tot de levering van goederen
• optionele belaste onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek.
Het begrip ‘gebouw’ wordt becommentarieerd in de circulaire AFZ nr. 24/2002 (nr. E.T. 103.009) van 06.12.2002, randnummers 12 tot en met 14.
Ten slotte is er in artikel 44, § 3, 2°, a), eerste en tweede streepje, van het Btw-Wetboek
sprake van de terbeschikkingstelling van ruimtes bestemd voor het parkeren, de opslag … In dat geval kan de ruimte zich in of op een gebouw bevinden of nog eenvoudiger op een onbebouwd terrein (zie titel 4, rubriek E, subrubrieken a en b, van deze Afdeling).
C. Voldoende rechtstreekse band met het onroerend goed
Een dienst wordt beschouwd als betrekking hebbend op een onroerend goed indien er een voldoende rechtstreeks verband is met het bedoelde onroerend goed. Het vereiste verband is opgenomen in artikel 31bis, paragraaf 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011,reeds aangehaald: ‘Diensten met betrekking tot onroerende goederen, als bedoeld in artikel 47 van Richtlijn 2006/112/EG, betreffen uitsluitend diensten die een voldoende rechtstreeks verband met het goed hebben. Diensten worden aangemerkt als hebbende een voldoende rechtstreeks verband met het onroerend goed in de volgende gevallen:
a) wanneer zij afgeleid zijn van een onroerend goed en dit goed een onderdeel is van de dienst, en centraal staat bij en van wezenlijk belang is voor de verrichte diensten;
b) wanneer zij worden verricht voor, of zijn gericht op, een onroerend goed met als doel de juridische of fysieke wijziging van dat goed.’
a. Diensten afgeleid van een onroerend goed
De criteria opgenomen onder punt a), van artikel 31bis, paragraaf 1, van de voornoemde uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, betreffen de diensten waarvan het resultaat is afgeleid van een specifiek onroerend goed (bijvoorbeeld de verhuur van een industriële ruimte).
Volgens de tekst van de eigenlijke verordening, moet het onroerend goed een onderdeel zijn van, centraal staan bij en van wezenlijk belang zijn voor de verrichte diensten.
De dienst is, met andere woorden, afgeleid van het onroerend goed wanneer het goed wordt gebruikt om de dienst te verrichten, op voorwaarde dat het goed het belangrijkste of dominerende element van die prestatie is (zie in die zin, Europees Hof van Justitie, Arrest Heger Rudi GmbH, zaak C-166/05, van 07.09.2006, punten 23 tot en met 27 betreffende het verkrijgen van een vergunning om in een afgebakend gebied te vissen).
b. Diensten verricht of bestemd voor een onroerend goed
De criteria opgenomen onder punt b), van het artikel 31bis, paragraaf 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, beschouwt het onroerend goed specifiek als een voorwerp van een dienstverlening, zoals de oprichting, de herstelling, het schoonmaken van een gebouw.
D. De plaatsbepaling van diensten met betrekking tot een onroerend goed
Een dienst met betrekking tot een onroerend goed vindt plaats daar waar het onroerend goed is gelegen (artikelen 21, § 3, 1 ° en 21bis, § 2, 1 °, van het Btw-Wetboek tot omzetting van artikel 47 van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde).
Om vast te stellen of een dienst wordt geacht verband te houden met een onroerend goed en daardoor onder dit plaatsbepalingscriterium valt, moet de volgende methode worden toegepast:
• controleer of de dienst is opgenomen in de lijst met voorbeelden van diensten die als zodanig moeten worden aangemerkt, opgesomd in artikel 31bis, paragraaf 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011
• controleer of de dienst is opgenomen in de lijst met voorbeelden van diensten die niet als zodanig moeten worden aangemerkt, vermeld in artikel 31bis, paragraaf 3, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011
• als de dienst niet op één van deze twee lijsten staat, controleer dan of de dienst aan één of meerdere criteria voldoet vermeld in artikel 31bis, paragraaf 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 (zie rubriek C, van deze titel), (zie nummers 121 tot 134 en 140 tot 142 van de "Toelichting op de EU-btw-regels betreffende de plaats van een dienst voor diensten met betrekking tot onroerend goed die in 2017 in werking treden”). Deze toelichting is beschikbaar op de website van de Europese Commissie, op:
https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/resources/documents/taxation/vat/how_vat_works/explanatory_notes_new_nl.pdf.
Bijvoorbeeld: colocatiediensten, waarbij de dienstverrichter serverkasten ter beschikking stelt van zijn klanten, zodat zij hun servers daar kunnen installeren en hen voorziet van bijkomende goederen en diensten, zoals elektriciteit en verschillende diensten die een zo optimaal mogelijke operationele omgeving voor het gebruik van de servers moeten verzekeren, zijn geen diensten die verbonden zijn aan een onroerend goed in de zin van de wettelijke bepalingen hierboven vermeld, wanneer die klanten niet beschikken over een exclusief gebruiksrecht op het deel van het gebouw waarin de serverkasten zijn geïnstalleerd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest A Oy, zaak C-215/19, van 02.07.2020, punt 63); (zie "Boek I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 3: Diensten, afdeling 8, titel 3, rubriek A").
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.