Beslissing Btw nr. E.T.94.286 dd. 04.05.2000
BTW-Revue, nr. 145, blz. 145-148, nr. 1078
Overbrengen naar andere Lidstaat voor uitvoering "werk".
Overeenkomstig de gecombineerde toepassing van de artikelen 12bis, 1° lid en 25quater, § 1, 1° lid van het BTW-Wetboek, wordt het loutere feit van de verzending door een belastingplichtige van een lichamelijk goed van zijn bedrijf van de ene Lidstaat naar een andere Lidstaat, in de Lidstaat van vertrek aangemerkt als een overbrenging die gelijkgesteld wordt met een levering onder bezwarende titel en in de Lidstaat van aankomst als een bestemming gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel.
Op grond van artikel 12bis, 2° lid van het BTW-Wetboek, geeft in een aantal gevallen (niet-overbrengingen genoemd) de verzending van de goederen door een belastingplichtige in de Lidstaat van vertrek geen aanleiding tot een overbrenging gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel. In die omstandigheden wordt deze verzending in de Lidstaat van aankomst evenmin aangemerkt als een bestemming gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen (cfr. BTW-Wetboek, art. 25quater, § 1, 2° lid).
Zo wordt, overeenkomstig artikel 12bis, 2° lid, 5° van het BTW-Wetboek, als een niet-overbrenging aangemerkt de verzending van een goed met het oog op het verrichten van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de Lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover de goederen na bewerking opnieuw worden verzonden naar deze belastingplichtige in België waarvandaan zij oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd. Terzelfder tijd geeft deze verzending in de Lidstaat van aankomst geen aanleiding tot een bestemming die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel, overeenkomstig artikel 25quater, § 1, 2° lid van het BTW-Wetboek.
Er wordt vermeld dat deze bepaling van toepassing is, welke ook de wettelijke grondslag is die van toepassing is voor het bepalen van de plaats van de dienst met betrekking tot de toegezonden goederen. Bovendien wordt aanvaard dat de werkzaamheden die de verzonden goederen ondergaan voor de toepassing van het artikel 12bis, 2° lid, 5° van het BTW-Wetboek niet beperkt blijven tot de diensten bedoeld in artikel 21, § 3, 2° van het BTW-Wetboek. Zo wordt de verzending van een goed naar een andere Lidstaat met het oog op de uitvoering van een analyse met betrekking tot dat goed als een niet overbrenging beschouwd, ongeacht of deze analyse aanzien wordt als een dienst bedoeld in artikel 21, § 3, 7°, d, van het BTW-Wetboek, dan wel als een materieel werk of expertise in de zin van artikel 21, § 3, 2° van datzelfde Wetboek (Zie, ook, Parl. Vr. nr. 1461 dd. 18.11.1998 van de heer M. de Sen. Destexhe; BTW-Informatie nr. 99/20/2).
Het valt eveneens voor dat goederen door een belastingplichtige van de ene Lidstaat naar de andere worden overgebracht om een bewerking te ondergaan, doch dat deze bewerking niet aangemerkt wordt als een dienstverrichting maar wel als een levering van een goed.
Wanneer b.v. een vrachtwagen vanuit België naar een andere Lidstaat wordt vervoerd met het oog op de installatie van een laadruimte om dieren te kunnen vervoeren of van een hefsysteem voor het laden en lossen van goederen, wordt de handeling bestaande in de verkoop met montage van die goederen op de vrachtwagen in hoofde van de buitenlandse belastingplichtige door de Administratie in de regel aangemerkt als een levering van een goed en niet als een dienstverrichting.
Vermits er overeenkomstig artikel 12bis, 2° lid, 5°, van het BTW-Wetboek slechts sprake kan zijn van een niet-overbrenging in geval van verzending van een goed naar een andere Lidstaat met het oog op de uitvoering van een dienst met betrekking tot dat goed, zou dit, in bovenstaand geval, tot gevolg hebben dat de verzending van de vrachtwagen aangemerkt wordt als een overbrenging, handeling gelijkgesteld met een belastbare intracommunautaire levering in de Lidstaat van vertrek van het goed en als een bestemming gelijkgesteld met een belastbare intracommunautaire verwerving in de Lidstaat van aankomst van het goed. Deze situatie brengt voor de in de Lidstaat van vertrek van de goederen gevestigde belastingplichtige in principe de verplichting met zich mee om zich voor BTW-doeleinden te laten identificeren of een aansprakelijk vertegenwoordiger aan te duiden in die andere Lidstaat terwijl hij er geen enkele andere belastbare handeling verricht dan een intracommunautaire verwerving bij de aankomst van de goederen en een vrijgestelde intracommunautaire levering bij de terugzending ervan.
Eenvoudigheidshalve en tevens omdat sommige handelingen door de fiscale overheid van de ene Lidstaat gekwalificeerd worden als een levering terwijl ze in de andere Lidstaat aangemerkt worden als een dienst, aanvaardt de Administratie, voor de toepassing van artikel 12bis, 2° lid, 5°, van het BTW-Wetboek in een ruime interpretatie van het begrip "werkzaamheid met betrekking tot een goed", dat de verzending van een goed door een belastingplichtige naar een andere Lidstaat om er een bewerking te ondergaan, als een niet-overbrenging kan worden beschouwd op basis van genoemd artikel 12bis, 2° lid, 5° en dit ongeacht of deze handeling, door België of door de andere Lidstaat, gekwalificeerd wordt als een dienst dan wel als een levering. Bijgevolg rest alleen de verplichting om deze handeling op te nemen in het "register der niet-overbrengingen" overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992.
Vanzelfsprekend blijft de voorwaarde dat de goederen na bewerking opnieuw moeten verzonden worden naar de belastingplichtige waarvandaan ze oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd, volledig behouden.
Bovenstaande interpretatie geldt zowel voor de goederen die vanuit België naar een andere Lidstaat ter bewerking worden verzonden als omgekeerd, met dien verstande dat zij niet kan worden tegengeworpen aan een andersluidende stellingname door de fiscale overheden in de Lidstaat waar de werkzaamheden met betrekking tot een goed materieel plaatsvinden.