Tijdelijke verenigingen. -Verlegging van de heffing · Administratieve beslissingen

Naar de tekst
Juriel

E.T.91.063 12 februari 1998

Zoeken

Tijdelijke verenigingen. -Verlegging van de heffing

https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-91-063-tijdelijke-verenigingen-verlegging-heffing-btw-5379

Nummer
E.T.91.063
Datum
12 februari 1998

Over het document

Verzameling
Administratieve beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Beslissing Btw nr. E.T.91.063 dd. 12.02.1998

BTW-Revue nr. 136, blz. 570, nr. 1053

Tijdelijke verenigingen. -Verlegging van de heffing.

Onderhavige beslissing regelt de betrekkingen tussen de vennoten van een tijdelijke vereniging die de uitvoering van handelingen als bedoeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde tot voorwerp heeft, en de vereniging zelf of de derde die met haar een overeenkomst heeft gesloten, voor wat betreft de toepassing van de regeling van verlegging van de heffing van de belasting als ingevoerd bij § 1 van datzelfde artikel 20.

1. Bedoelde situatie

Een tijdelijke vereniging wordt opgericht tussen de ondernemingen A, B en C met het oog op de uitvoering van een contract dat het verrichten, in België, van handelingen als bedoeld in artikel 20, § 2, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1 uitsluitend of hoofdzakelijk tot voorwerp heeft.

De medecontractant van de vereniging is een belastingplichtige, gehouden tot het indienen van periodieke BTW-aangiften in België.

Overeenkomstig de bepalingen van het contract van vereniging verricht één van de vennoten, te weten B, uitsluitend of hoofdzakelijk handelingen die niet zijn bedoeld in artikel 20, § 2, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1.

Kan B, op de facturen die hij uitreikt ter vaststelling van de bovengenoemde handelingen, de regeling van verlegging van de heffing van de belasting als ingevoerd bij artikel 20, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1 toepassen?

2. Beslissing

1ste hypothese: De tijdelijke vereniging is niet geïdentificeerd voor de BTW.

De handelingen die de tijdelijke vereniging verricht voor de derde die met haar een overeenkomst heeft gesloten, worden geacht rechtstreeks te zijn verricht door de vennoten, elk voor zijn deel. De verplichtingen die krachtens het BTW-Wetboek rusten op de belastingplichtigen moeten worden nagekomen door de vennoten, elk voor zijn deel (z. nr. 10 van de aanschr. 17 van 22 januari 1971) (z. BTW-Rev. 3/294).

De facturen die elke vennoot uitreikt aan de derde die een overeenkomst met de vereniging heeft gesloten, hebben betrekking op één en hetzelfde contract waarvan, in onderhavig geval, het voorwerp uitsluitend of hoofdzakelijk behoort tot het toepassingsgebied van de regeling van verlegging van de heffing van de belasting als bedoeld in artikel 20, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1. Deze facturen maken dus allen toepassing van deze regeling.

In de hier bedoelde situatie, is dit principe van verlegging van heffing derhalve ook van toepassing op de door B uitgereikte facturen. Deze facturen zullen, behalve de in de artikelen 5, § 1 en 20, § 3, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1 opgesomde vermeldingen, ook een verwijzing dienen te bevatten naar het door de vereniging gesloten contract en naar de onderhavige beslissing.

2de hypothese: De tijdelijke vereniging is geïdentificeerd voor de BTW.

De handelingen die de tijdelijke vereniging verricht voor de derde die met haar een overeenkomst heeft afgesloten, worden geacht door haar te zijn verricht. De vereniging is dan ook gehouden tot alle verplichtingen die krachtens het BTW-Wetboek rusten op de belastingplichtigen (z. nr. 12 van de aanschr. 17 van 22 januari 1971).

De facturen die de vereniging uitreikt aan haar medecontractant maken toepassing van de in artikel 20, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1 bedoelde regeling van verlegging van de heffing van de belasting.

Anderzijds worden de handelingen die de vennoten in het kader van de vereniging verrichten geacht door deze vennoten aan de vereniging te zijn gedaan (z. de voormelde aanschr. 17/1971). Elke vennoot factureert zijn handelingen aan de vereniging met toepassing, in beginsel, van het belastingregime waaraan zij zijn onderworpen.

In de hier bedoelde situatie, betekent dit dat B de regeling van verlegging van de heffing van de belasting niet kan toepassen op de handelingen die hij verricht voor de vereniging, zodat de facturen die hij voor deze handelingen uitreikt aan de vereniging, in principe, het tarief en het bedrag van de verschuldigde belasting moeten vermelden.

Teneinde achter de toestand van de vennoot B op een identieke wijze te behandelen, ongeacht de gedane keuze inzake de identificatie van de vereniging voor de BTW, aanvaardt de administratie in de hier bedoelde situatie dat de facturen die B uitreikt aan de vereniging toepassing maken van de regeling van verlegging van de heffing van de belasting ingevoerd bij artikel 20, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1. Deze facturen zullen, behalve de in de artikelen 5, § 1, en 20, § 3, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1 opgesomde vermeldingen, ook een verwijzing dienen te bevatten naar het door de vereniging gesloten contract en naar de onderhavige beslissing.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 1 art. 201 voorkomen