BTW-Revue, nr. 119, blz. 81
Deze beslissing werd vervangen door circulaire nr. AOIF 10/2007 (E.T.109.976) dd. 12.04.2007
Dienst - Gebouw - Onroerende leasing - Onroerende verhuur - Overdracht van een zakelijk recht op een gebouw - Vestiging van een zakelijk recht op een gebouw - Zakelijk recht - Blote eigendom - Vruchtgebruik
De onroerende financieringshuur of de onroerende leasing wordt slechts als een contract bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b, van het BTW-Wetboek aangemerkt, wanneer de leasingnemer de mogelijkheid heeft om bij het einde van het contract, tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst (z. art. 1, 3°, van het kon. besl. nr. 30 van 29 december 1992).
De overeenkomst die enkel voorziet in een optie tot overname door de leasing-nemer van het vruchtgebruik op het onroerend goed en niet de volle eigendom waarover de leasinggever beschikt, voldoet niet aan bovengenoemde voorwaarde.
Overigens is in het hiervoor beoogde geval evenmin voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 1, 4°, van voornoemd koninklijk besluit nr. 30. De leasinggever die aan de leasingnemer slechts de mogelijkheid biedt om het vruchtgebruik van het geleaste goed over te nemen en bijgevolg zich de blote eigendom voorbehoudt, verkeert in de onmogelijkheid het geïnvesteerde kapitaal integraal weder samen te stellen, om reden dat hij een deel van de door hem gedane investering niet aanrekent aan de leasingnemer, zelfs ingeval de optie wordt gelicht.
Tenslotte is de handeling, waarbij de leasinggever - ondanks het lichten van de optie - zich de blote eigendom voorbehoudt, strijdig met de basisidee die aan elk leasingcontract ten grondslag ligt, met name dat de leasinggever een investering doet of ten minste financiert voor de leasingnemer. Welk de aard van de zakelijke rechten ook weze waarin de leasinggever deze investering heeft gedaan, is het opdat het zou gaan om een leasingovereenkomst vereist dat in het contract de mogelijkheid is ingebouwd dat deze investering volledig overgaat naar de leasingnemer, zoniet staat het van in den beginne vast dat de leasinggever geheel of gedeeltelijk voor zichzelf investeert.