BESLISSING ET22720
Beslissing nr. E.T. 22720 dd. 30.08.1978.
BTW-Revue, nr. 38, blz. 105
Zie ook beslissing nr. E.T. 22720 dd. 14.04.1976
Omvang van het recht op aftrek - Voorafgaandelijk grondwerk steengroeve.
Volgens de beslissing van 14 april 1976, nr. E.T. 22.720 Z. Revue nr. 27, blz. 335-336, nr. 591, nr. 591, art. 48, § 2 is het grondwerk dat aan de exploitatie van een steen- of zandgroeve voorafgaat, met name het werk dat erin bestaat de laag aarde te verwijderen welke de te delven stenen of het zand bedekt, een dienst die strekt of bijdraagt tot de totstandkoming van een bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969.
Na een nieuw onderzoek van dit probleem gaat de administratie bij wijziging van de bovengenoemde beslissing ervan uit dat het bedoelde werk, voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, niet strekt of bijdraagt tot de totstandkoming van een bedrijfsmiddel. Hetzelfde geldt overigens voor het dempen van zandgroeven, dat zijn oorzaak vindt in de verplichting de ontginningsplaats in haar oorspronkelijke staat te brengen op het einde van de exploitatie.
Daarentegen worden de in steengroeven gebouwde steunmuren, inzonderheid die waarop de loopkranen zich verplaatsen, normaal wel aangemerkt als bedrijfsmiddelen voor de toepassing van de BTW, aangezien ze bestemd zijn om op een duurzame wijze als exploitatiemiddel gebruikt te worden. De belasting geheven van de oprichting van deze muren kan dus slechts worden afgetrokken rekening houdende met het bepaalde in artikel 100 van het BTW-Wetboek.
Zoals ten slotte staat vermeld in de beslissing van 16 september 1974, nr. E.T. 18.494, die samen met de bovengenoemde beslissing van 14 april 1976 Z. Revue nr. 27, blz. 335-336, nr. 591, nr. 591, art. 48, § 2 , nr. E.T. 22.720, is gepubliceerd, worden mijngalerijen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het bereiken van de te ontginnen steenkoollagen eveneens aangemerkt als bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969.
De wegens het uitgraven en stutten van deze galerijen verschuldigde BTW kan dus eveneens slechts worden afgetrokken rekening houdende met het bepaalde in artikel 100 van het BTW-Wetboek.