Beslissing Btw nr. E.T.19.885 dd. 28.05.1975
BTW-Revue, nr. 22, blz. 314
Vervreemder nieuwe gebouwen.
Hij die, wanneer hij zich bevindt in de voorwaarden bepaald door artikel 8, §§ 2 en 3 van het BTW-Wetboek, een nieuw gebouw vervreemdt ingevolge een contract onder bezwarende titel, kan opteren voor de hoedanigheid van belastingplichtige op voorwaarde van die bedoeling kennis te geven zowel aan de Staat als aan de medecontractant, zoals voorgeschreven is in artikel 1, § 1, 1° en 2° van het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970.
Indien de verkoper niet voldaan heeft aan de voorwaarde bepaald in artikel 1, § 1, 1° van het voormeld koninklijk besluit nr. 14, mag hij ontheven worden van het verval van het recht om voor de hoedanigheid van belastingplichtige te opteren, wanneer uit de omstandigheden blijkt dat de partijen, ondubbelzinnig, de bedoeling hadden de vervreemding onder het BTW-stelsel te plaatsen.
Niettemin moet de voorwaarde bepaald in artikel 1, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 14, in ieder geval vervuld zijn en het voorwerp uitmaken van een passende vermelding in de eerste akte die tussen de partijen titel vormt van de overdracht.
De administratie aanvaardt dat bedoelde vermelding wordt opgenomen in de authentieke akte of onderaan de akte, mits ze in dat laatste geval, door de beide partijen wordt ondertekend (z. BTW-Handleiding, nr. 159, b).
Wanneer een nieuw gebouw openbaar werd te koop gesteld en het onder voorbehoud van het recht van opbod werd toegewezen, is niet voldaan aan de voorwaarde opgelegd in artikel 1, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 14, wanneer alleen het proces-verbaal waarin vastgesteld wordt dat geen hoger bod werd gedaan, melding maakt van de bedoeling van de koper het goed met toepassing van de BTW te verwerven.