Beslissing Btw nr. E.T.19.082 dd. 24.06.1975
BTW-Revue, nr. 22, blz. 312
Belastingplichtige - Inbreng van bedrijvigheid.
Wanneer een vennoot BTW-belastingplichtige is wegens de inbreng in vennootschap van zijn bedrijvigheid, wordt zijn registratie als belastingplichtige niet geëist wanneer hij alleen om reden van die inbreng van bedrijvigheid belastingplichtige is (z. Vraag nr. 22 van Senator Lindemans d.d. 8 november 1973, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1973-1974, nr. 9, blz. 359, BTW-Revue nr. 15, blz. 230 en 231).
De vraag werd gesteld of deze biezondere regel mag worden toegepast wanneer de vennootschap waarin de inbreng van bedrijvigheid wordt gedaan, een niet-belastingplichtige is.
Het antwoord luidt ontkennend. De vennootschap waarin de inbreng wordt gedaan, moet in de regel een belastingplichtige zijn die gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften en waarvan de volledige werkzaamheid aan de BTW is onderworpen.
Wanneer echter de vennootschap waarin de bedrijvigheid wordt ingebracht tegelijkertijd handelingen verricht met recht op aftrek, en andere handelingen, mag de biezondere regel eveneens worden toegepast onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ingebrachte bedrijvigheid niet uitsluitend wordt gebruikt voor het verrichten van handelingen die geen recht op aftrek meebrengen.
De voor de inbreng van bedrijvigheid in vennootschap ingevoerde regeling kan dus worden vergeleken met die uiteengezet in de aanschrijvingen nrs. 19/1971 en 176/1971 met betrekking tot door sommige personen op aanvullende wijze verrichte diensten.