Leveringen in een intracommunautaire ketting · Administratieve beslissingen

Naar de tekst
Juriel

E.T.125.053 4 december 2013

Zoeken

Leveringen in een intracommunautaire kettingLeveringen in een intracommunautaire ketting - levering met installatie of montage.

https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-125-053-leveringen-in-intracommunautaire-ketting-levering-5df9

Nummer
E.T.125.053
Datum
4 december 2013

Over het document

Verzameling
Administratieve beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

27 paragrafen

Deze beslissing werd, met ingang van 01.01.2020, opgeheven en vervangen door de Circulaire 2020/C/50 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen

Beslissing Btw, nr. E.T.125.053, dd. 04.12.2013

Leveringen in een intracommunautaire ketting

Levering met installatie of montage

Intracommunautaire levering

Kettingverkoop

Levering met installatie en montage

Onderhavige beslissing heeft betrekking op de situatie waarin een belastingplichtige (A) die in lidstaat (LS1) is geïdentificeerd, goederen levert aan een belastingplichtige (B) die in een andere lidstaat (LS2) is geïdentificeerd en die deze goederen op zijn beurt levert met de installatie of montage ervan aan een belastingplichtige (C) die in een andere lidstaat (LS3) is geïdentificeerd. Er is geen contractuele relatie tussen A en C. De goederen worden rechtstreeks vervoerd van A in LS1 naar C in LS3.

Waar en hoe zijn de transacties A-B en B-C onderworpen aan de BTW ?

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van het feit in welke van de twee leveringen het vervoer of de verzending van de goederen is gesitueerd. Inderdaad, in een dergelijke kettingverkoop, kan het goederenvervoer van A naar C alleen plaatsvinden in één contractuele relatie ( d.w.z. de levering A-B of de levering B-C ). Eén van deze leveringen is dus een levering zonder vervoer , de andere is een levering met vervoer ( zie Europees HvJ (1e Kamer), 6 april 2006 ( EMAG Handel Eder OHG c . Finanzlandesdirektion für Kärnten), C-245/04).

1. Het vervoer kan slechts aan één van de beide leveringen verbonden zijn

Het vervoer moet worden toegewezen aan een levering op basis van de volgende criteria (zie BTW- handleiding, nummer 310/54):

- Wanneer het vervoer wordt verricht door of voor rekening van A, is het vervoer zonder enige twijfel verbonden aan de relatie A-B, vermits B de enige is waarmee A contracteert. De levering B-C is bijgevolg noodzakelijkerwijs een levering zonder vervoer.

- Wanneer het vervoer wordt verricht door of voor rekening van B, kan het vervoer zowel verbonden zijn aan de levering A-B als aan de levering B-C. Enkel een grondig onderzoek van de contracten en de leveringsvoorwaarden maakt het mogelijk uit te maken aan welke relatie het vervoer verbonden is. Indien dit onderzoek geen uitsluitsel kan geven, dan wordt het vervoer geacht verbonden te zijn aan de relatie A-B indien B aan A een btw-nummer mededeelt dat is toegekend door de lidstaat waar hij is gevestigd (LS2) of door de lidstaat van aankomst van het vervoer of de verzending van de goederen (LS3). Het vervoer wordt evenwel geacht verbonden te zijn aan de relatie B-C, indien B aan A geen btw-nummer opgeeft of een btw-nummer dat is toegekend door de lidstaat van vertrek van het vervoer of de verzending van de goederen (LS1) (zie BTW- handleiding, nummer 310/54).

- Wanneer het vervoer wordt verricht door of voor rekening van C, is het vervoer zonder twijfel bedongen tussen B en C. B is immers de enige waarmee C contracteert.

2. Het vervoer is verbonden aan de levering A-B

In dit geval is de levering A-B een levering met vervoer en de levering B-C een levering zonder vervoer met installatie of montage.

A verricht, in LS1 (plaats van aanvang van het vervoer) een "vrijgestelde intracommunautaire levering" overeenkomstig de artikelen 32 et 138 van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 (artikelen 14, §2 en 39bis van WBTW).

B verricht vervolgens een belastbare intracommunautaire verwerving in LS3 (plaats van aankomst van het vervoer) overeenkomstig artikel 40 van Richtlijn 2006/112/EG (artikel 25quinquies, §2 WBTW). Om deze intracommunautaire verwerving te kunnen verwezenlijken, moet B, geïdentificeerd voor de BTW in LS2, zich in principe voor BTW laten identificeren in LS3 (B'). Hij deelt dit nummer, dat hem in LS3 werd toegekend, mee aan A.

Na deze intracommunautaire verwerving, verricht B vervolgens (via B') in LS3 een louter "nationale" levering zonder vervoer met installatie of montage. Deze levering vindt plaats (en is belastbaar) in LS3 overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2006/112/EG (artikel 14, §1 WBTW). De lidstaten moeten dit artikel omzetten in hun wetgeving.

Verder is het van belang op te merken dat artikel 141 van de Richtlijn 2006/112/EG (artikel 25ter, §1, alinea 2, 3° WBTW) een vereenvoudigingsregeling instelt. Indien de voorwaarden, gedefinieerd door de betrokken lidstaat, voldaan zijn, wordt B in principe ontslagen van alle verplichtingen in LS3. Inderdaad, deze regeling staat toe dat, aan de ene kant, de intracommunautaire verwerving die B verricht in LS3 niet onderworpen is aan de BTW , en aan de andere kant, dat de uiteindelijke koper van de goederen (C) wordt aangewezen als schuldenaar van de verschuldigde btw, in LS3, op de levering die B verricht aan C.

In deze situatie kan het vereenvoudigd driehoeksverkeer gecombineerd worden met een levering zonder vervoer, maar met montage of installatie.

3. Het vervoer is verbonden aan de levering B-C

In dit geval is de levering A-B een levering zonder vervoer en is de levering B-C een levering met vervoer en met installatie of montage.

A verricht een "nationale levering" zonder vervoer die gelokaliseerd (en belastbaar) is in LS1 (waar de goederen zich bevinden op het moment van de levering) overeenkomstig artikel 31 van de Richtlijn 2006/112/EG (artikel 14, §1 WBTW). A dient de BTW van LS1 aan te rekenen.

Ten aanzien van de intracommunautaire verwerving van goederen in LS3 (lidstaat van aankomst van de goederen), wordt opgemerkt dat artikel 36, alinea 2 van de Richtlijn 2006/112/EG bepaalt dat indien de installatie of de montage plaatsvindt in een andere lidstaat dan die van de leverancier, de lidstaat op wiens grondgebied de installatie of montage wordt uitgevoerd, de nodige maatregelen neemt om dubbele belastingheffing in deze lidstaat te vermijden. Deze bepaling wordt in België omgezet door artikel 25ter, § 1 van het Wetboek van de BTW, waardoor de intracommunautaire verwerving van goederen waarvan de installatie of montage hier te lande geschiedt, niet aan de btw is onderworpen.

B verricht vervolgens een levering met vervoer en installatie of montage die gelokaliseerd (en belastbaar) is in LS3 (plaats van installatie of montage) overeenkomstig artikel 36, alinea 1, van de Richtlijn 2006/112/EG (artikel 14, §3 WBTW). B zal BTW van LS3 moeten aanrekenen tenzij er een verlegging van de heffing naar C is voorzien. Indien België LS3 is, is artikel 51, §2, 5° van het Btw-Wetboek van toepassing.

Aangehaalde teksten

11