Beslissing Btw nr. E.T.110.943 dd. 30.03.2006
Vrijstellingen - Onderwijs - Toepassing artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-Wetboek - Relatie tussen de onderwijsinstelling en ondernemingen waarop deze een beroep doet
In het verleden werd door de administratie het standpunt ingenomen dat de vrijstelling beoogd door artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-Wetboek slechts van toepassing is in de relatie tussen de onderwijsinstelling en de personen die het onderwijs genieten.
Na een nieuw onderzoek van de bepalingen van artikel 13, A, 1, i) van de Zesde richtlijn waarvan artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-Wetboek de omzetting in Belgisch recht is, is gebleken dat de vrijstelling te strikt werd toegepast.
Derhalve wordt voornoemd standpunt gewijzigd in die zin dat voortaan de vrijstelling ook geldt in de relatie tussen de onderwijsinstelling en de onderneming of meer algemeen alle derden waarop eerstgenoemde een beroep doet om dat onderwijs te verstrekken.
In dit verband wordt eraan herinnerd dat wat de fysieke personen betreft die lessen of cursussen geven in een instelling die diensten verstrekt welke al dan niet aan de belasting onderworpen zijn, de Administratie ervan uitgaat dat normaal tussen die persoon en de instelling een band van ondergeschiktheid bestaat, zodat er in hun relatie geen belastbare handeling plaatsvindt en er bijgevolg geen BTW verschuldigd is.
Gelet op de beginselen van behoorlijk bestuur, wordt beslist ter zake niet op het verleden terug te komen. Het spreekt evenwel voor zich dat in het geval een belastingplichtige de teruggaaf vraagt van de belasting die hij ten onrechte heeft voldaan, rekening moet worden gehouden met een herziening van het oorspronkelijk uitgeoefend recht op aftrek.
Wat de handelsvennootschappen betreft die onderwijs verstrekken in onder aanneming, wordt verwezen naar de informatie 01.07.05/1, onder de rubriek "informaties en mededelingen" van Fisconet.