BESLISSING ET107150
Beslissing nr. E.T.107.150 dd. 15.05.2006
Ingebruikneming van voertuigen door constructeurs van en handelaars in die voertuigen - Opheffing van beslissing nr. E.T. 8.434 van 26 januari 1973
De vraag of voor de verkoop bestemde nieuwe of tweedehandse voertuigen (voor zover deze niet werden aangekocht onder het bijzonder regime beoogd door artikel 58, § 4, van het BTW-Wetboek), door een constructeur van of een handelaar in die voertuigen, worden in gebruik genomen als een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3, waarvoor een onttrekking moet gebeuren als bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek, is een feitenkwestie.
Volgend onderscheid dient te worden gemaakt:
a) Het uitzonderlijk gebruik voor korte duur van een voor de verkoop bestemd voertuig door een constructeur van of een handelaar in dat voertuig, voor proefritten met het oog op de verkoop ervan, wordt niet aangemerkt als een handeling bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek omdat het voertuig in dat geval niet op duurzame wijze wordt gebruikt als werkinstrument of exploitatiemiddel (het voertuig blijft exclusief bestemd voor de verkoop).
b) Wanneer een voertuig door een constructeur van of een handelaar in voertuigen wordt gebruikt in andere omstandigheden als deze bedoeld hiervoor en inzonderheid wanneer het wordt gebruikt met het oog op de verkoop van andere voertuigen (bedoeld worden de demonstratie- en directiewagens) of als vervangwagen, wordt het voertuig evenwel aangemerkt als in gebruik genomen in de zin van artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek. De belastingplichtige moet een stuk opmaken dat deze handeling vaststelt (artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992). Onder bepaalde voorwaarden kan de bijzondere regeling beoogd door aanschrijving nr. 9 van 30 juli 1985 van toepassing zijn wat de ingebruikneming van personenwagens en wagens voor dubbel gebruik betreft door constructeurs van of handelaars in voertuigen.
De aandacht wordt erop gevestigd dat de nummerplaat onder dekking waarvan het voertuig wordt gebruikt (proefrittenplaat "ZZ", handelaarsplaat "Z" of gewone nummerplaat) geen invloed heeft op de noodzaak om al dan niet een onttrekking te verrichten als bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek. Niettemin doet de inschrijving van een voertuig in het repertorium van de directie voor de inschrijving van de voertuigen een feitelijk vermoeden ontstaan van een belastbare ingebruikneming, tot bewijs van het tegendeel door de belastingplichtige (bv. wanneer de inschrijving bij de DIV wordt gevraagd omwille van statistische redenen en wanneer het voertuig daadwerkelijk niet werd gebruikt).
Tevens wordt benadrukt dat het feit of een voertuig al dan niet als investeringsgoed of vast actief wordt opgenomen in de boekhouding geen onderscheidend criterium vormt.
In verband met hetgeen voorafgaat wordt opgemerkt dat de beslissing E.T. 8.434 van 26 januari 1973 (BTW-Revue nr. 12/287/384) thans wordt ingetrokken.
Tevens wordt het punt 14, a), van de aanschrijving nr. 9 van 30 juli 1985 opgeheven, wat betekent dat voortaan een voertuig onder dekking van een proefrittenplaat, in functie van de omstandigheden waarin het wordt gebruikt, het voorwerp kan uitmaken van een onttrekking bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek en, in voorkomend geval, de bijzondere regeling van de hiervoor genoemde aanschrijving kan genieten (vgl. punt b hiervoor).