---
title: "Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^3, versie van 01.01.2020 tot 31.01.2025"
description: "Tekst van Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^3 zoals hij gold van 01.01.2020 tot 31.01.2025. het derde en vijfde lid, werden gewijzigd"
url: "https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2020-01-01"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-8c7c/version-2020-01-01"
---

Niet meer van kracht

# Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^3 · Deze versie is vervangen. De geldende tekst staat op de pagina van het artikel.

**Artikel**

AR 4

**Periode**

01.01.2020 - 31.01.2025

**Wijziging**

het derde en vijfde lid, werden gewijzigd

**Bron**

KB 09.12.2019, B.S. 16.12.2019

## Wat op die datum veranderde

2 gewijzigde passages op 9 34 ingevoegde woorden 4 geschrapte woorden

Vergeleken met de versie van 01.04.2019

Wat de FOD erover zegt : De tekst van KB nr. 4, artikel 8/3, derde en vijfde lid, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2020 (Art. 30, KB 09.12.2019, B.S. 16.12.2019 – Ed. 2, pg. 113850

Naar de tekst van deze versie

## Tekst

9 paragrafen 0 punten van kracht van 01.01.2020 tot 31.01.2025

lid 1Wanneer volgens de gegevens van de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag aan de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon teruggegeven. De ondertekende aangifte geldt als aanvraag tot teruggaaf.

lid 2De teruggaaf vindt nochtans niet plaats tot het passende beloop wanneer op het tijdstip van de ordonnancering als bedoeld in het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen met betrekking tot de periode waarop de hierboven bedoelde aangifte betrekking heeft.

lid 3Indien de onder in het tweede lid bedoelde belastingschuld, in hoofde van de administratie, een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze niet wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel geschrapte tekst: 89 einde van de schrapping. ingevoegde tekst: 19, § 2, eerste lid einde van de invoeging. van het geschrapte tekst: Wetboek, einde van de schrapping. ingevoegde tekst: Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, einde van de invoeging. wordt het belastingkrediet tot het passende beloop aangewend ter aanzuivering van de schuld.

gewijzigd

lid 4De ordonnancering geschiedt uiterlijk de derde maand volgend op het aangiftetijdvak waarop de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek betrekking heeft.

lid 5Indien de in het tweede lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar of vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel geschrapte tekst: 89 einde van de schrapping. ingevoegde tekst: 19, § 2, eerste lid einde van de invoeging. van het geschrapte tekst: Wetboek, einde van de schrapping. ingevoegde tekst: Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, einde van de invoeging. wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.

gewijzigd

lid 6Indien ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar overschot dat blijkt uit de aangifte als bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de voormelde aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn of dat aangiften niet werden ingediend en deze vermoedens of bewijzen een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de hierboven genoemde ordonnancering kan geschieden, heeft de ordonnancering van dit overschot niet plaats en wordt het belastingkrediet ingehouden teneinde de administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.

lid 7De in het vorige lid vermelde ernstige vermoedens of bewijzen die de belastingschuld aantonen of helpen aantonen, dienen te worden gerechtvaardigd in processen-verbaal conform artikel 59, § 1, van het Wetboek. Deze processen-verbaal worden per aangetekende brief vooraf ter kennis gebracht van de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon.

lid 8De inhouding bedoeld in het vijfde en het zesde lid geldt als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs van de in het vorige lid bedoelde processen-verbaal is weerlegd of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.

lid 9De regels vermeld in het achtste tot het twaalfde lid van artikel 8/1, § 3, zijn van toepassing ten aanzien van de inhouding van het belastingkrediet als bedoeld in het vijfde en zesde lid, met dien verstande dat hetgeen ten aanzien van de belastingplichtige geldt, naargelang van het geval, ook ten aanzien van de niet-belastingplichtige rechtspersoon geldt.

## Opeenvolgende versies

6 versies eerste op 01.01.1993

| Van kracht | Wijziging | Bron |
| --- | --- | --- |
| [01.02.2025](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3) van kracht | 1°: tussen het zevende en het achtste lid werd een lid ingevoegd; 2°: het achtste lid, dat het negende lid werd, werd vervangen; 3°: het negende lid, dat het tiende lid werd, werd gewijzigd | KB 29.09.2024, B.S. 23.10.2024 |
| 01.01.2020 getoond | het derde en vijfde lid, werden gewijzigd | KB 09.12.2019, B.S. 16.12.2019 |
| [01.04.2019](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2019-04-01) | het tweede, derde en vijfde lid, werden gewijzigd | KB 17.03.2019, B.S. 08.04.2019 |
| [16.05.2014](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2014-05-16) | het derde lid, werd gewijzigd | KB 24.01.2015, B.S. 20.02.2015 |
| [07.07.2003](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2003-07-07) | het derde en vijfde lid, werden gewijzigd | KB 16.06.2003, B.S. 27.06.2003 |
| [01.01.1993](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-1993-01-01) | het artikel werd ingevoegd | ingevoegd bij Art.10, KB 29.12.1992 en gewijzigd bij Art.9, KB 14.04.1993 |
