---
title: "Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^3 · teruggaaf van belasting, belastingkrediet"
description: "Artikel 8^3 van het Belgische koninklijk besluit nr. 4 inzake btw : koninklijk Besluit nr. 4, van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven."
url: "https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-8c7c"
---

Van kracht

# Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^3 · Koninklijk Besluit nr. 4, van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

**Besluit**

nr. 4

**Artikel**

8/3

**Van kracht sinds**

01.02.2025

## Over het document

**Verzameling**

Koninklijke besluiten

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

1 artikel

## art. 8/3

lid 1(Actuele tekst, met ingang van 01.02.2025) \[historiek\]

lid 2 Wanneer volgens de gegevens van de aangifte bedoeld in [artikel 53ter, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter), van het Wetboek het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag aan de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon teruggegeven. De ondertekende aangifte geldt als aanvraag tot teruggaaf.

lid 3De teruggaaf vindt nochtans niet plaats tot het passende beloop wanneer op het tijdstip van de ordonnancering als bedoeld in het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen met betrekking tot de periode waarop de hierboven bedoelde aangifte betrekking heeft.

lid 4 Indien de onder in het tweede lid bedoelde belastingschuld, in hoofde van de administratie, een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze niet wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in [artikel 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, wordt het belastingkrediet tot het passende beloop aangewend ter aanzuivering van de schuld.

lid 5 De ordonnancering geschiedt uiterlijk de derde maand volgend op het aangiftetijdvak waarop de aangifte bedoeld in [artikel 53ter, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter), van het Wetboek betrekking heeft.

lid 6 Indien de in het tweede lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar of vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in [artikel 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.

lid 7Indien ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar overschot dat blijkt uit de aangifte als bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de voormelde aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn of dat aangiften niet werden ingediend en deze vermoedens of bewijzen een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de hierboven genoemde ordonnancering kan geschieden, heeft de ordonnancering van dit overschot niet plaats en wordt het belastingkrediet ingehouden teneinde de administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.

lid 8De in het vorige lid vermelde ernstige vermoedens of bewijzen die de belastingschuld aantonen of helpen aantonen, dienen te worden gerechtvaardigd in processen-verbaal conform artikel 59, § 1, van het Wetboek. Deze processen-verbaal worden per aangetekende brief vooraf ter kennis gebracht van de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon.

lid 9Indien de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar bedrag dat blijkt uit de in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte en die toelaten om de waarachtigheid van dat bedrag te verantwoorden, wordt dat bedrag ingehouden teneinde de administratie toe te laten de waarachtigheid van dat bedrag na te gaan.

lid 10De in het vijfde en het zesde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs van de in het zevende lid bedoelde processen-verbaal is weerlegd of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Unie uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de lidstaten van de Unie. De in het achtste lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat de administratie, op grond van door de belastingplichtige verstrekte gegevens of op grond van andere gegevens, de waarachtigheid van het bedrag heeft kunnen nagaan. Voor de toepassing van deze inhoudingen wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.

lid 11 De regels vermeld in het achtste tot het twaalfde lid van [artikel 8/1, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a), zijn van toepassing ten aanzien van de inhouding van het belastingkrediet als bedoeld in het vijfde tot en met het zevende lid, met dien verstande dat hetgeen ten aanzien van de belastingplichtige geldt, naargelang van het geval, ook ten aanzien van de niet-belastingplichtige rechtspersoon geldt.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 53ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter) 2 voorkomens

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 8/1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) 1 voorkomen

## Administratieve doctrine

2

[Omzendbrieven 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/documenten?type=omzendbrieven)

« … de regels voor de inhouding van btw-kredieten in geval van indiening van een bijzondere btw-aangifte zoals bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek. Aangezien de ondertekende bijzondere btw-aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf (zie artikel 8/3, eerste lid, in fine , van het koninklijk besluit nr. 4) worden in de inleidende zin van deze bepaling de woorden 'zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf' geschrapt. Bovendien wordt in deze bepaling elke verwijzing naar … »

[Circulaire 2026/C/43 betreffende de wijzigingen aangebracht door de wet](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2026-c-43-wijzigingen-aangebracht-houdende-diverse-bepalingen-17cc) Omzendbrief 18.03.2026 KB nr. 4 art. 8/3

2 verwijzen naar geen enkel bijzonder punt. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.

[Bekijk de 2 documenten](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/documenten)

## Opeenvolgende versies

6 versies eerste op 01.01.1993

| Van kracht | Wijziging | Bron |
| --- | --- | --- |
| 01.02.2025 van kracht | 1°: tussen het zevende en het achtste lid werd een lid ingevoegd; 2°: het achtste lid, dat het negende lid werd, werd vervangen; 3°: het negende lid, dat het tiende lid werd, werd gewijzigd | KB 29.09.2024, B.S. 23.10.2024 |
| [01.01.2020](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2020-01-01) | het derde en vijfde lid, werden gewijzigd | KB 09.12.2019, B.S. 16.12.2019 |
| [01.04.2019](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2019-04-01) | het tweede, derde en vijfde lid, werden gewijzigd | KB 17.03.2019, B.S. 08.04.2019 |
| [16.05.2014](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2014-05-16) | het derde lid, werd gewijzigd | KB 24.01.2015, B.S. 20.02.2015 |
| [07.07.2003](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-2003-07-07) | het derde en vijfde lid, werden gewijzigd | KB 16.06.2003, B.S. 27.06.2003 |
| [01.01.1993](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-d9e3/versie-1993-01-01) | het artikel werd ingevoegd | ingevoegd bij Art.10, KB 29.12.1992 en gewijzigd bij Art.9, KB 14.04.1993 |
