---
title: "Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^1, versie van 01.04.2022 tot 30.11.2022"
description: "Tekst van Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^1 zoals hij gold van 01.04.2022 tot 30.11.2022. § 2, eerste lid, 6°, werd vervangen"
url: "https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2022-04-01"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6/version-2022-04-01"
---

Niet meer van kracht

# Koninklijk besluit nr. 4, artikel 8^1 · Deze versie is vervangen. De geldende tekst staat op de pagina van het artikel.

**Artikel**

AR 4

**Periode**

01.04.2022 - 30.11.2022

**Wijziging**

§ 2, eerste lid, 6°, werd vervangen

**Bron**

KB 23.03.2022, B.S. 30.03.2022

## Wat op die datum veranderde

1 gewijzigde passage op 38 10 ingevoegde woorden 2 geschrapte woorden

Vergeleken met de versie van 01.03.2022

Wat de FOD erover zegt : De tekst van KB nr. 4, artikel 8/1, § 2, eerste lid, 6°, werd vervangen (Art. 1, KB 23.03.2022, B.S. 30.03.2022, pg. 25774, Numac: 2022020620) met ingang van 01.04.2022 (Art. 5, KB 23.03.2022

Naar de tekst van deze versie

## Tekst

5 paragrafen 6 punten van kracht van 01.04.2022 tot 30.11.2022

## § 1

Wanneer volgens de gegevens van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte, het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag naar het volgende aangiftetijdvak overgebracht.

## § 2

Op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige zijn evenwel vatbaar voor teruggaaf:

1° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar, wanneer het 50 euro bereikt;

2° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot elk van de eerste drie kalenderkwartalen of de laatste maand van elk van die kwartalen, wanneer het 400 euro bereikt respectievelijk voor belastingplichtigen die driemaandelijks en zij die maandelijks aangifte doen, overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;

3° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte wanneer het 50 euro bereikt, indien de andere belastingplichtige dan de in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige tijdens het verstreken kalenderjaar een overschot in zijn voordeel had van ten minste 12.000 euro en tijdens dezelfde periode voor ten minste dertig percent van zijn omzet :

a) leveringen van goederen en diensten heeft verricht welke van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis en 39quater van het Wetboek;

b) leveringen van goederen en diensten heeft verricht welke van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 40, § 2, 1° en 2°, 41, § 1, eerste lid, 2° tot 6° en 42 van het Wetboek;

c) leveringen van goederen en diensten heeft verricht waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant overeenkomstig de artikelen 51, § 2, eerste lid, 5° en 51, § 4, van het Wetboek;

d) leveringen van goederen en diensten heeft verricht waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1quater en de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII, XXXVIII en XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;

e) leveringen van goederen en diensten heeft verricht die in het buitenland plaatsvinden voor zover het overschot voortvloeit uit de voorfinanciering van de belasting geheven op deze goederen en diensten.

4° het bedrag dat verschuldigd is door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte en dat betrekking heeft op een tijdvak dat valt binnen de vierentwintig maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, wanneer dat bedrag 50 euro bereikt.

5° het door de Staat verschuldigde bedrag na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte door een andere dan een in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige, wanneer dat ten minste 50 euro bedraagt en wanneer het overschot in het voordeel van die belastingplichtige:

a) ten minste 12.000 euro bedraagt gedurende het verstreken kalenderjaar of 1.000 euro voor de betrokken aangifteperiode gedurende het eerste kalenderjaar waarin deze belastingplichtige ertoe gehouden is openbare dienstverplichtingen te vervullen;

b) afkomstig is van tijdens diezelfde periode in aftrek gebrachte bedragen die voor ten minste dertig procent hun oorsprong vinden in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van één of meer van zijn openbare dienstverplichtingen.

6° het bedrag dat verschuldigd is door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte wanneer het 50 euro bereikt en wanneer de economische activiteit van deze belastingplichtige bestaat uit de levering van geschrapte tekst: elektriciteit einde van de schrapping. ingevoegde tekst: elektriciteit, aardgas of warmte via warmtenetten, einde van de invoeging. waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig geschrapte tekst: artikel einde van de schrapping. ingevoegde tekst: de artikelen einde van de invoeging. 1bis ingevoegde tekst: en 1bis/1 einde van de invoeging. van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.

gewijzigd

lid 2 De teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 1°, is afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar zijn ingediend. Voor de teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 2° tot 6°, worden alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar ingediend uiterlijk de twintigste van de maand na, naargelang van het geval, het kwartaal of de maand op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt. Voor de teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 3° tot 6°, worden die aangiften bovendien ingediend overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

## § 3

lid 1Zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf bedoeld in § 2, van het overschot in zijn voordeel dat blijkt op het tijdstip van het indienen van de aangifte als bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek, wordt die teruggaaf steeds geacht te zijn aangevraagd tot het beloop van de belastingschuld die aan te zuiveren is, wanneer op het tijdstip van de ordonnancering als bedoeld in het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit of de verrichting gelijkgesteld met een betaling, de belastingplichtige uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van de periode waarop de hierboven bedoelde aangifte betrekking heeft.

lid 2Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in hoofde van de administratie, een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze niet wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, wordt het belastingkrediet tot het passende beloop aangewend ter aanzuivering van de belastingschuld.

lid 3De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling, geschiedt uiterlijk de derde maand volgend op het tijdvak waarop de kwartaalaangifte of de aangifte van de laatste maand van dit kwartaal betrekking heeft. Ze geschiedt evenwel uiterlijk de tweede maand volgend op het tijdvak waarop de maandaangifte betrekking heeft in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot 6°.

lid 4Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.

lid 5Indien ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar overschot dat blijkt uit de aangifte als bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° , van het Wetboek en waarvoor de belastingplichtige al dan niet voor de teruggaaf heeft geopteerd, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de voormelde aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de genoemde ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan geschieden, heeft de ordonnancering van dit overschot of de overbrenging ervan naar het volgend aangiftetijdvak niet plaats en wordt het belastingkrediet ingehouden teneinde de administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.

lid 6De ernstige vermoedens of bewijzen bedoeld in het vorige lid, die de belastingschuld aantonen of helpen aantonen, dienen te worden gerechtvaardigd in processen-verbaal conform artikel 59, § 1, van het Wetboek en worden per aangetekende brief vooraf ter kennis gebracht van de belastingplichtige.

lid 7De inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid geldt als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs vervat in de in het vorige lid bedoelde processen-verbaal is weerlegd, of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.

lid 8De kennisgeving van de inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid en haar aanzegging aan de belastingplichtige binnen de termijn voorzien in artikel 1457 van het Gerechtelijk Wetboek, gebeuren bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

lid 9De inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ambtenaar, van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.

lid 10De belastingplichtige kan enkel verzet doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek. De beslagrechter kan evenwel de opheffing van het beslag niet gelasten zolang het door de processen-verbaal, bedoeld in het zesde lid, geleverde bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het Parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter.

lid 11De inhouding neemt een einde ten gevolge van de opheffing ervan door de administratie of ten gevolge van een rechterlijke beslissing. In geval van opheffing door de administratie wordt de belastingplichtige in kennis gesteld per aangetekend schrijven met vermelding van de datum van opheffing.

lid 12Na het einde van de inhouding van het belastingkrediet wordt, in voorkomend geval, de belastingschuld, zijnde de schuldvordering in hoofde van de administratie, die zeker, opeisbaar en vaststaand is, aangezuiverd overeenkomstig het tweede lid zonder dat enige formaliteit moet worden nageleefd.

## § 4

Om de teruggaaf bedoeld in § 2 te bekomen moet de belastingplichtige die aanvragen door een uitdrukkelijke vermelding die hij bij het verstrijken van elk tijdvak waarvoor een overschot teruggegeven kan worden, aanbrengt in de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak. De aangifte welke die vermelding bevat, geldt als aanvraag tot teruggaaf.

## § 5

lid 1De teruggaaf bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, 5° en 6°, kan daarenboven alleen worden verkregen als de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert daartoe vergunning verleent. Die vergunning wordt aangevraagd met een brief die alle elementen bevat en vergezeld gaat van alle stukken die kunnen aantonen dat de belastingplichtige voldoet aan de bijzondere voorwaarden die voor het verkrijgen van die teruggaaf vereist zijn.

lid 2Binnen een termijn van een maand wordt de gevraagde vergunning verleend indien de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn of wordt de aanvraag verworpen bij een met redenen omklede beslissing.

lid 3In geval de aanvraag wordt ingewilligd, kan de belastingplichtige door het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in § 4, de teruggaaf vragen in een van de aangiften die moeten worden ingediend te rekenen vanaf de dag volgend op die van de afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie aan de belastingplichtige de vergunning heeft genotificeerd.

lid 4De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is evenwel eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de bijzondere voorwaarden blijft voldoen; in dat geval geldt het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in § 4, ter gelegenheid van de aanvraag tot teruggaaf, als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan deze voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen. Wanneer hij niet langer aan die voorwaarden voldoet, moet hij, wanneer hij er nadien opnieuw aan voldoet, een nieuwe vergunning aanvragen.

lid 5Door of namens de Minister van Financiën kan worden bepaald dat het kalenderjaar bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° en 5°, wordt vervangen door een periode van twaalf maanden die de aanvraag om vergunning voorafgaat.

lid 6In geval van vestiging in België van een vaste inrichting of van identificatie voor de BTW onder een individueel nummer door van een in het buitenland gevestigde onderneming, kan door of namens de Minister van Financiën de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten omtrent het bedrag van de handelingen bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, en van het jaarlijks belastingoverschot. In dat geval moet de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen in de loop van de twaalfde maand die volgt op die tijdens welke de eerste vergunning werd verleend.

lid 7Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de in paragraaf 2, eerste lid, 3°, 5° en 6°, bedoelde voorwaarden, kan ze bij een met redenen omklede beslissing de vergunning op ieder ogenblik intrekken.

lid 8Indien de vergunning, die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring of indien de belastingplichtige door het Wetboek en door de besluiten genomen ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt of in het geval bedoeld in § 3, vijfde lid, kan de administratie eveneens de vergunning intrekken; in dat geval zal een nieuwe vergunning slechts kunnen worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis werd gebracht.

lid 9De administratie kan eveneens tijdelijk of definitief het recht op teruggaaf bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, intrekken indien die werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring, indien de belastingplichtige de door het Wetboek en door de besluiten genomen ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt of in het geval bedoeld in paragraaf 3, vijfde lid.

## Opeenvolgende versies

25 versies eerste op 01.01.1987

| Van kracht | Wijziging | Bron |
| --- | --- | --- |
| [10.01.2026](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) van kracht |  | KB 17.12.2025, B.S. 31.12.2025 |
| [01.02.2025](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2025-02-01) | het artikel werd vervangen | KB 29.09.2024, B.S. 23.10.2024 |
| [01.04.2023](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2023-04-01) | § 2, eerste lid, 6°, werd vervangen | W 19.03.2023, B.S. 29.03.2023 |
| [01.12.2022](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2022-12-01) | § 2, eerste lid, 3°, d), gewijzigd | KB 26.10.2022, B.S. 10.11.2022 |
| 01.04.2022 getoond | § 2, eerste lid, 6°, werd vervangen | KB 23.03.2022, B.S. 30.03.2022 |
| [01.03.2022](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2022-03-01) | § 2, eerste lid, 6°, ingevoegd; § 2, tweede lid, vervangen; § 3, derde lid, gewijzigd; § 5, eerste lid, gewijzigd en § 5, zevende lid, gewijzigd | KB 21.02.2022, B.S. 28.02.2022 |
| [01.01.2022](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2022-01-01) | § 2, eerste lid, 3°, d), gewijzigd | KB 27.12.2021, B.S. 31.12.2021 |
| [01.04.2021](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2021-04-01) | § 2, eerste lid, 1°, 2°, inleidende zin onder 3° en 4°, werd gewijzigd met ingang van 01.04.2021 | KB 29.03.2021, B.S. 31.03.2021 |
| [01.01.2020](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2020-01-01) | § 2, eerste lid, 4°, werd hersteld; tweede lid, werd vervangen; § 3, derde lid, werd gewijzigd; § 5, zesde lid, werd gewijzigd; § 5, achtste lid, werd vervangen en § 5 werd aangevuld met een lid | KB 29.08.2019, B.S. 05.09.2019 |
| [22.07.2019](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2019-07-22) | § 2, eerste lid, 3°, d), werd vervangen | KB 28.06.2019, B.S. 12.07.2019 |
| [01.04.2019](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2019-04-01) | § 3, eerste, tweede en vierde lid, werd gewijzigd | KB 17.03.2019, B.S. 08.04.2019 |
| [03.03.2016](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2016-03-03) | § 2, eerste lid, 4° werd opgeheven en de tekst van § 3, derde lid en § 5, eerste lid, werd gewijzigd | KB 15.02.2016, B.S. 22.02.2016 |
| [16.05.2014](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2014-05-16) | § 3, tweede lid, werd gewijzigd | KB 24.01.2015, B.S. 20.01.2015 |
| [01.04.2014](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2014-04-01) | § 2, eerste lid, werd aangevuld met de bepaling onder 4°; de tekst van § 3, derde lid en § 5, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.04.2014 | KB 21.03.2014, B.S. 27.03.2014 |
| [01.07.2011](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2011-07-01) | § 2, eerste lid, 3°, d), werd vervangen | KB 05.08.2011, B.S. 11.08.2011 |
| [28.03.2011](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2011-03-28) | § 3, negende lid, laatste zin, werd opgeheven | KB 23.03.2011, B.S. 28.03.2011 |
| [01.01.2010](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2010-01-01) | § 2, eerste lid, 3°, b) en c); en § 3, derde lid, werd gewijzigd | KB 09.12.2009, B.S. 17.12.2009 |
| [23.02.2009](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2009-02-23) | § 2, eerste lid, 3°, werd vervangen | KB 10.02.2009, B.S. 13.02.2009 |
| [20.09.2004](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2004-09-20) | § 2, eerste lid, 3° en § 5, zesde lid, werd gewijzigd | KB 01.09.2004, B.S. 10.09.2004 |
| [01.01.2004](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2004-01-01) | het artikel werd gewijzigd | KB 20.02.2004, B.S. 27.02.2004 |
| [07.07.2003](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2003-07-07) | § 2, eerste lid, 3°, § 3, tweede en vierde lid en § 5, eerste, zesde en zevende lid, werd gewijzigd | KB 16.06.2003, B.S. 27.06.2003 |
| [01.01.2002](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-2002-01-01) | § 2, 1° t.e.m. 3°, werd gewijzigd | 14, KB 20.07.2000 en Art. 37, 6°, KB 13.07.2001 |
| [01.01.1996](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-1996-01-01) | § 2, 3°, werd gewijzigd | KB 25.02.1996 |
| [01.01.1993](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-1993-01-01) | het artikel werd gewijzigd | KB 29.12.1992; Art. 7, KB 14.04.1993 en Art.11, KB 22.11.1994 |
| [01.01.1987](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a/versie-1987-01-01) | § 2, 1°, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1987 | KB 30.12.1986 |
