---
title: "Artikel 76 van het Belgische Btw-Wetboek, versie van 01.01.2025 tot 31.01.2025"
description: "Tekst van Artikel 76 van het Belgische Btw-Wetboek zoals hij gold van 01.01.2025 tot 31.01.2025. § 1, derde lid, wordt vervangen en § 2, derde lid, 3°, wordt ingevoegd"
url: "https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76/versie-2025-01-01"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76/version-2025-01-01"
---

Niet meer van kracht

# Artikel 76 van het Belgische Btw-Wetboek · Deze versie is vervangen. De geldende tekst staat op de pagina van het artikel.

**Artikel**

76

**Periode**

01.01.2025 - 31.01.2025

**Wijziging**

§ 1, derde lid, wordt vervangen en § 2, derde lid, 3°, wordt ingevoegd

**Bron**

W 22.12.2023, B.S. 29.12.2023

## Wat op die datum veranderde

6 gewijzigde passages op 19 170 ingevoegde woorden 93 geschrapte woorden

Vergeleken met de versie van 10.01.2022

Wat de FOD erover zegt : De tekst van art. 76, § 1, derde lid, werd vervangen en § 2, derde lid, 3°, werd ingevoegd (Art. 42, W 22.12.2023, B.S. 29.12.2023, pg. 125007, Numac: 2023048700) met ingang van 01.01.2025 (Art. 43, W 22.12.2023

Op die datum geschrapt

art. 76, § 2, 2°, lid 1 geschrapte tekst: Voor de toepassing van de in het derde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn. einde van de schrapping.

art. 76, § 2, 2°, lid 2 geschrapte tekst: De in het derde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding. einde van de schrapping.

Naar de tekst van deze versie

## Tekst

3 paragrafen 5 punten van kracht van 01.01.2025 tot 31.01.2025

## § 1

lid 1Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige die overeenkomstig artikel 50 voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in artikel 55, §§ 1 of 2.

lid 2Indien het een belastingplichtige betreft die wordt vertegenwoordigd door een persoon die overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, vooraf werd erkend, moet het in het eerste lid bedoeld verzoek worden ingediend door voornoemde vooraf erkende persoon.

lid 3 geschrapte tekst: De Koning kan bepalen dat het overschot, in de door Hem te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden, vóór het einde van het kalenderjaar wordt teruggegeven. einde van de schrapping. ingevoegde tekst: Het in het eerste lid bedoelde overschot wordt evenwel slechts teruggegeven wanneer alle in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangiften met betrekking tot de laatste zes maanden die voorafgaan aan het aangiftetijdvak van de aangifte die aanleiding heeft gegeven tot het overschot, alsmede die laatste aangifte, zijn ingediend binnen de termijn en volgens de modaliteiten, opgelegd in uitvoering van die bepaling. einde van de invoeging.

vervangen

lid 4Het voor teruggaaf vatbaar overschot, zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, wordt ingehouden:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat de aangifte of de aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan voor het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.

lid 2 Voor de toepassing van de in het vierde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn.

lid 3 De in het vierde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding.

## § 2

lid 1Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt, wanneer het bedrag van de te regulariseren belasting meer bedraagt dan het bedrag van de verschuldigde belasting door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, het verschil teruggegeven binnen drie maanden.

lid 2De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf met betrekking tot de te volgen procedure, de in acht te nemen termijnen en de vormvoorwaarden.

lid 3Het voor teruggaaf vatbaar overschot, zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, wordt ingehouden:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, gegevens bevat die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.

3° ingevoegde tekst: wanneer de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden. einde van de invoeging.

toegevoegd

lid 2 ingevoegde tekst: Voor de toepassing van de in het derde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn. einde van de invoeging.

toegevoegd

lid 3 ingevoegde tekst: De in het derde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding. einde van de invoeging.

toegevoegd

## § 3

lid 1De niet in de paragrafen 1 of 2 bedoelde belastingplichtige kan, bij wijze van teruggaaf, de belasting recupereren die geheven werd van de aan hem geleverde goederen en verstrekte diensten, en van de door hem ingevoerde goederen en verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting voor aftrek in aanmerking komt overeenkomstig de artikelen 45 tot 48.

lid 2De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf met betrekking tot de te volgen procedure, de in acht te nemen termijnen, en de vormvoorwaarden.

lid 3Wanneer de teruggaaf moet plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen inzake teruggaaf van de Richtlijn 86/560/EEG of de Richtlijn 2008/9/EG, regelt de Koning de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf met betrekking tot het personele toepassingsgebied, de belasting waarvoor om teruggaaf kan verzocht worden, de te volgen procedure, de vormvoorwaarden, het teruggaaftijdvak, de minimumbedragen, de in acht te nemen termijnen en de correcties, met inachtneming van het feit dat de teruggaaf op grond van de Richtlijn 85/560/EEG, waar die richtlijn dat toelaat, wordt verleend onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing voor de teruggaaf op grond van de Richtlijn 2008/9/EG. De Koning kan daarbij afwijken van het bepaalde in artikel 82bis.

## Opeenvolgende versies

8 versies eerste op 01.01.1993

| Van kracht | Wijziging | Bron |
| --- | --- | --- |
| [20.02.2026](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) van kracht |  | W. 10.02.2026, B.S. 20.02.2026 |
| 01.02.2025 | § 1, werd vervangen | W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023 |
| 01.01.2025 getoond | § 1, derde lid, wordt vervangen en § 2, derde lid, 3°, wordt ingevoegd | W 22.12.2023, B.S. 29.12.2023 |
| [10.01.2022](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76/versie-2022-01-10) | § 1, vierde lid werd vervangen; § 2 werd vervangen en § 3 werd ingevoegd | W 27.12.2021, B.S. 31.12.2021 |
| [16.05.2014](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76/versie-2014-05-16) | § 1, vierde lid, werd gewijzigd | W 25.04.2014, B.S. 16.05.2014 |
| [01.01.2010](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76/versie-2010-01-01) | § 1 en § 2, tweede lid, werd gewijzigd | W 26.11.2009, B.S. 04.12.2009 |
| [01.01.2005](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76/versie-2005-01-01) | § 1, eerste lid, werd gewijzigd | W 27.12.2004, B.S. 31.12.2004 |
| [01.01.1993](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76/versie-1993-01-01) | het artikel werd gewijzigd | W 28.12.1992 |
