1. De jaaromzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de in artikel 284 bepaalde vrijstelling, wordt gevormd door de volgende bedragen, de btw niet inbegrepen:
a) het bedrag van de goederenleveringen en diensten, voor zover die belast zouden zijn als ze door een niet-vrijgestelde belastingplichtige waren verricht;
b) het bedrag van de handelingen die op grond van artikel 98, lid 2, of artikel 105 bis zijn vrijgesteld met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw;
c) het bedrag van de handelingen die op grond van de artikelen 146 tot en met 149 en de artikelen 151, 152 en 153 zijn vrijgesteld;
d) het bedrag van de handelingen die op grond van artikel 138 zijn vrijgesteld, indien de in dat artikel bedoelde vrijstelling van toepassing is;
e) het bedrag van handelingen ter zake van onroerende goederen, van financiële handelingen als bedoeld in artikel 135, lid 1, punten b) tot en met g), en van verzekerings- en herverzekeringsdiensten, tenzij die handelingen met andere handelingen samenhangende handelingen zijn.
2. De overdracht van materiële of immateriële investeringsgoederen van de belastingplichtige wordt niet in aanmerking genomen voor het berekenen van de in lid 1 bedoelde omzet.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Geconsolideerde tekst gepubliceerd door het Publicatiebureau van de Europese Unie, per artikel opgesplitst en opnieuw opgemaakt · Licentie CC BY 4.0
Rechtspraak
6Europese Unie
6Hof van JustitieC-388/1829.07.2019
Harmonisatie van de belastingwetgeving
Hof van JustitieC-265/1802.05.2019