BTW-belastingplichtige, Intracommunautair goederenvervoer, Hoofddienst, Facturatiemodel · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

900.100 23 juni 2009

Zoeken

BTW-belastingplichtige, Intracommunautair goederenvervoer, Hoofddienst, Facturatiemodel

https://juriel.be/nl/rulings/900-100-4c03

Nummer
900.100
Datum
23 juni 2009

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

51 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 900.100 dd. 23.06.2009

BTW · Art. 1, § 6 W.BTW · Art. 4, W.BTW · BTW-belastingplichtige · Intracommunautair goederenvervoer · Hoofddienst · Facturatiemodel

Samenvatting

Vennootschap X zal opgericht worden door Y en Z, twee transportmaatschappijen gevestigd in twee verschillende Lidstaten. X zal als transportmaatschappij kwalificeren als een btw-belastingplichtige ongeacht de omstandigheid dat X uitsluitend zal optreden als onderaannemer van de moedermaatschappijen (en een derde transportmaatschappij) en in de aanvangsfase werkmiddelen en personeelsleden zal inhuren van de moedermaatschappijen. De transportdiensten van X tussen Lidstaten van de EU dienen overeenkomstig artikel 1, § 6, 1° van het btw-wetboek te worden gekwalificeerd als intracommunautair goederenvervoer. Het facturatiemodel waarbij X aan iedere transportmaatschappij het gedeelte van het goederenvervoer factureert dat betrekking heeft op haar eigen geografisch grondgebied doet hieraan geen aftreuk.

Voorwerp van de aanvraag

De aanvraag strekt ertoe te vernemen of

X kwalificeert als een belastingplichtige in de zin van artikel 4 W.BTW, niettegenstaande het feit dat X in een aanvangsfase de vervoermiddelen en personeel van de moedermaatschappijen zal gebruiken.;

de uitgaande handelingen van X als een samengestelde dienst moet worden beschouwd die onderhevig is aan één enkel btw-regime.

deze samengestelde dienst moet beschouwd worden als een intracommunautair goederenvervoer in de zin van artikel 1, § 6 W.BTW;

de kwalificatie als een intracommunautair goederenvervoer ook geldt ondanks de gesplitste facturatie aan de verschillende opdrachtgevers.

Omschrijving van de verrichting

Vennootschap X zal opgericht worden door Y en Z, twee transportmaatschappijen gevestigd in twee verschillende Lidstaten;

X zal in onderaanneming instaan voor het grensoverschrijdende goederentransport tussen de Lidstaten waarin Y, Z en een derde transportmaatschappij worden gevestigd.

De diensten van X zijn tweeledig:

Enerzijds zal X de planning van de vervoermiddelen, het uitwerken van vervoerstrajecten, de bestuurdersdiensten en de monitoring van het transport verzekeren.

Anderzijds zal X onder meer de vervoermiddelen synchroniseren en grensformaliteiten vervullen.

Ten opzichte van de klanten die een transportdienst hebben besteld blijven Y, Z of de derde transportmaatschappij voor de transportdienst verantwoordelijk. X zal bijgevolg uitsluitend optreden als een onderaannemer.

In een aanvangfase is het voorzien dat X de werkmiddelen en personeel van Y en Z inhuurt om haar diensten te kunnen verrichten.

X zal in de opstartfase het transport doen onder dekking van de licenties en vergunningen van de moedermaatschappijen

De facturatie van de grensoverschrijdende transporten worden tussen de transportmaatschappijen opgesplitst in functie van de afgelegde kilometers op het grondgebied van elke Lidstaat.

Beslissing

BTW-statuut van X

Overeenkomstig artikel 9, 1 van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wordt als" belastingplichtige" beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Deze bepaling werd omgezet in Belgische wetgeving via artikel 4, §1 WBTW dat bepaalt dat een btw-belastintplichtige eenieder is die in de uitoefening van een economische activiteit, geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

Zodra de essentiële vereisten van artikel 4, §1 W.BTW voldaan zijn, wordt de hoedanigheid van belastingplichtige van rechtswege verkregen.

X zal als dienstverrichter geregeld en zelfstandig diensten verrichten ten behoeve van haar moedermaatschappijen of van een derde transportmaatschappij.

De omstandigheid dat X uitsluitend zal optreden als onderaannemer van haar moedermaatschappijen (en eventueel ook van een derde transportmaatschappij uit een andere Lidstaat) en, in de aanvangfase werkmiddelen en personeelsleden van X en Y zal inhuren om haar diensten te verrichten, doet geen afbreuk aan de kwalificatie van btw-belastingplichtige.

Het statuut van btw-belastingplichtige is immers een autonoom begrip dat op de uitoefening van een bepaalde economische werkzaamheid (het verrichten van diensten en leveringen) steunt, ongeacht het juridische statuut van de werkmiddelen die voor deze werkzaamheid worden gebruikt.

Gelet op het bovenstaande kwalificeert X als een btw-belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het btw-wetboek.

Uitgaande handelingen van X

Artikel 1, § 6, 1° W.BTW bepaalt dat onder intracommunautair goederenvervoer wordt verstaan het vervoer van goederen waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het grondgebied van twee verschillende Lid-Staten zijn gelegen.

In opdracht van ofwel Y, ofwel Z, ofwel een derde transportmaatschappij, zal X in onderaanneming instaan voor het grensoverschrijdende goederentransport tussen Lidstaten van de Europese Unie.

De onder randnummer 4.1 vermelde diensten dienen derhalve te worden beschouwd als een intracommunautair goederenvervoer in de zin van artikel 1, § 6, 1° W.BTW.

De omstandigheid dat X in de opstartfase het transport doet onder dekking van de licenties van de moedermaatschappijen, of dat X personeel en de werkmiddelen van de moedermaatschappijen inhuurt doet hieraan geen afbreuk.

Overeenkomstig de de rechtspraak van het Hof van Justitie moet in principe elke dienstverrichting als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd, en mag de dienstverrichting waarbij economisch één dienst wordt verleend, niet kunstmatig uit elkaar worden gehaald ten einde de functionaliteit van het btw-stelsel niet aan te tasten (arrest van 25 februari 1999, Card Protection Plan, c-349/96, punt 29.)

Er is met name sprake van één dienst ingeval een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten, die het fiscale lot van de hoofddienst delen.

Een dienst moet worden beschouwd als bijkomend bij een hoofddienst, wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (zie reeds aangehaald arrest Card Protection Plan, punt 30).

Uit de aard van de onder randnummer 4.2 vermelde diensten blijkt dat deze niet zelfstandig kunnen worden beschouwd, maar bijkomstig zijn aan het goederentransport dat X uitvoert.

Deze diensten zijn derhalve onderhevig aan hetzelfde btw-regime als de intracommunautaire transportdiensten van randnummer 4.1. , die als hoofddienst dienen te worden beschouwd.

Facturatiemodel

Een dienst wordt als "intracommunautair goederenvervoer" gekwalificeerd wanneer alle voorwaarden, zoals omschreven in artikel 1, § 6 W.BTW zijn vervuld.

Het aantal, de hoedanigheid of de plaats van vestiging van de dienstafnemers blijven zonder invloed op de kwalificatie van een dienst als intracommunautair goederenvervoer.

Terzake voorziet de overeenkomst die tussen X en de moedermaatschappijen gesloten werd dat de facturatie van de grensoverschrijdende trajecten worden opgesplitst in functie van de afgelegde kilometers op het grondgebied van iedere Lidstaat.

Dit facturatiemodel, met verschillende afnemers, doet geen afbreuk aan de kwalificatie "intracommunautair goederenvervoer", voor zover de voorwaarden van artikel 1, § 6 W.BTW vervuld blijven .

Hieruit volgt dat de plaats van de door X verrichte diensten bepaald wordt op grond van artikel 21, § 3, 3°bis W.BTW.

Aangehaalde teksten

4