Vennootschapsbelasting, Effectisering via institutionele VBS, Compartiment · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2026.0182 21 april 2026

Zoeken

Vennootschapsbelasting, Effectisering via institutionele VBS, CompartimentVennootschapsbelasting - Effectisering via institutionele VBS - Compartiment - Fiscale behandeling van interesten - Antimisbruikbepaling - Vrijstellingen roerende voorheffing - BTW - Vrijstellingen - Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende schuldvorderingen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen - Betalings- en ontvangstverrichtingen, bemiddeling daaronder begrepen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen

https://juriel.be/nl/rulings/2026-0182-vennootschapsbelasting-effectisering-via-institutionele-vbs-6eed

Nummer
2026.0182
Datum
21 april 2026

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

112 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2026.0182 d.d. 21.04.2026

Vennootschapsbelasting · Effectisering via institutionele VBS · Compartiment · Fiscale behandeling van interesten · Antimisbruikbepaling · Vrijstellingen roerende voorheffing

BTW · Vrijstellingen · Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende schuldvorderingen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen · Betalings- en ontvangstverrichtingen, bemiddeling daaronder begrepen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen

Samenvatting

Er werd beslist dat:

1. de institutionele VBS naar Belgisch recht, zijnde Vennootschap A (NV) handelend door haar compartiment N, onderworpen zal zijn aan het bijzondere vennootschaps-belastingregime voorzien in artikel 185bis WIB92;

2. de interesten die Compartiment N zal betalen aan Vennootschap B (NV) in uitvoering van de door deze laatste toegekende achtergestelde lening vrijgesteld zullen zijn van Belgische roerende voorheffing op basis van artikel 107, §2, 9°, c) KB/WIB92;

3. de interesten die dat compartiment zal betalen onder de Senior Notes, in de vorm van obligaties op naam, vrijgesteld zullen zijn van Belgische roerende voorheffing op grond van artikel 107, §2, 10°, a KB/WIB92 voor zover de Senior Notes door spaarders niet-inwoners worden aangehouden;

4. de interesten die dat compartiment N zal betalen aan Vennootschap B onder de achtergestelde lening en aan de houders van de Senior Notes principieel als aftrekbare beroepskosten kwalificeren in de zin van artikel 49 WIB92;

5. op basis van de thans geselecteerde investeerders, de interesten die dat compartiment zal betalen onder de Senior Notes en aan Vennootschap B onder de achtergestelde lening niet als verworpen uitgaven zullen kwalificeren op basis van artikel 55 WIB92;

6. de interesten die dat compartiment zal betalen onder de Senior Notes en aan Vennootschap B onder de achtergestelde lening niet als verworpen uitgaven zullen kwalificeren op basis van artikel 198, §1, 11° WIB92 en dit, ongeacht of de door dit artikel voorziene debt equity ratio van 5 op 1 al dan niet overschreden is in hoofde van Vennootschap A;

7. de interesten die dat compartiment onder de Senior Notes zal betalen niet onder de in artikel 54 WIB92 bedoelde aftrekbeperking zullen vallen;

8. op basis van de thans geselecteerde investeerders, de interesten die dat compartiment onder de Senior Notes zal betalen niet als verworpen uitgaven zullen worden beschouwd op basis van artikel 198, §1, 10° juncto artikel 307, §1/2 WIB92;

9. de interesten en economisch gelijkwaardige kosten die dat compartiment onder de achtergestelde lening en Senior Notes zal betalen niet onder de in artikel 198/1, §1 WIB92 bedoelde aftrekbeperking zullen vallen;

10. de financiering van dat compartiment middels uitgifte van de Senior Notes, eerder dan middels het aangaan van gewone leningen voor doeleinden van artikel 344, §1 WIB92 door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van inkomstenbelastingen;

11. de voorafgaande kwalificaties en bevestigingen niet kunnen terzijde geschoven worden wegens fiscaal misbruik van de hierboven vermelde wetsbepalingen in 1 tot en met 9 op grond van artikel 344, §1 WIB92;

12. de bedoelde servicing activiteiten die door Vennootschap B ten behoeve van de institutionele VBS naar Belgisch recht worden verricht (en waarvoor deze VBS een service fee zal betalen aan Vennootschap B voor de servicing van de overgedragen schuldvorderingen (leasevorderingen)), in de concrete omstandigheden eigen aan deze zaak vrijgesteld zijn van btw op grond van artikel 44, § 3, 7° en 8° W.BTW, uitgezonderd in de mate dat deze activiteiten zouden slaan op diensten van gedwongen invordering van schuldvorderingen.

13. de btw op de door Vennootschap B afgenomen adviesdiensten inzake voorliggende effectiseringstransactie, in de gegeven omstandigheden door Vennootschap B volledig in aftrek kan worden gebracht op grond van artikel 45, § 1 W.BTW, gelet op de concreet gegeven bestemming (‘overhead aftrek’) en de aftrekgerechtigde economische activiteit van Vennootschap B.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:

1.1 Vennootschap A (NV), een Belgische institutionele VBS, handelend door haar compartiment N, onderworpen zal zijn aan het bijzondere vennootschaps-belastingregime voorzien in artikel 185bis WIB92;

1.2 de interesten die dat compartiment zal betalen onder de Senior Notes, in de vorm van obligaties op naam, vrijgesteld zullen zijn van Belgische roerende voorheffing op grond van artikel 107, §2, 10°, a KB/WIB92 voor zover de Senior Notes door spaarders niet-inwoners worden aangehouden;

1.3 de interesten die dat Compartiment N zal betalen aan Vennootschap B (NV) onder de achtergestelde lening en aan de houders van de Senior Notes principieel als aftrekbare beroepskosten kwalificeren in de zin van artikel 49 WIB92;

1.4 op basis van de thans geselecteerde investeerders, de interesten die dat compartiment zal betalen onder de Senior Notes en aan Vennootschap B onder de achtergestelde lening niet als verworpen uitgaven zullen kwalificeren op basis van artikel 55 WIB92;

1.5 interesten die dat compartiment zal betalen onder de Senior Notes en aan Vennootschap B onder de achtergestelde lening niet als verworpen uitgaven zullen kwalificeren op basis van artikel 198, §1, 11° WIB92 en dit, ongeacht of de door dit artikel voorziene debt equity ratio van 5 op 1 al dan niet overschreden is in hoofde van Vennootschap A;

1.6 de interesten die dat compartiment onder de Senior Notes zal betalen niet onder de in artikel 54 WIB92 bedoelde aftrekbeperking zullen vallen;

1.7 op basis van de thans geselecteerde investeerders, de interesten die dat compartiment onder de Senior Notes zal betalen niet als verworpen uitgaven zullen worden beschouwd op basis van artikel 198, §1, 10° juncto artikel 307, §1/2 WIB92;

1.8 de interesten en economisch gelijkwaardige kosten die dat compartiment onder de achtergestelde lening en Senior Notes zal betalen niet onder de in artikel 198/1, §1 WIB92 bedoelde aftrekbeperking zullen vallen;

1.9 de financiering van dat compartiment middels uitgifte van de Senior Notes, eerder dan middels het aangaan van gewone leningen voor doeleinden van artikel 344, §1 WIB92 door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van inkomstenbelastingen;

1.10 de voorafgaande kwalificaties en bevestigingen niet kunnen terzijde geschoven worden wegens fiscaal misbruik van de hierboven onder (1) tot (9) vermelde wetsbepalingen op grond van artikel 344, §1 WIB92;

1.11 de service fee die Compartiment N zal betalen aan Vennootschap B voor de servicing van de overgedragen leasevorderingen vrijgesteld zal zijn van btw op grond van artikel 44, § 3, 11° dan wel artikel 44, § 3, 7° en 8° W.BTW;

1.12 de btw op de door Vennootschap B afgenomen adviesdiensten inzake voorliggende effectiseringstransactie in hoofde van Vennootschap B volledig aftrekbaar is op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.

II. Feiten

2. Vennootschap A (NV) is een institutionele beleggingsvennootschap voor schuldvorderingen, waarvan het volledige aandelenkapitaal wordt aangehouden door minstens één aandeelhoudersloze stichting, overeenkomstig de vereisten van een bankruptcy remote structuur. De vennootschap werkt met afzonderlijke compartimenten; voor de voorliggende verrichting wordt gebruikgemaakt van Compartiment N. Het compartiment verwerft schuldvorderingen die voortkomen uit operationele leasing en uit de contractueel bepaalde restwaarde van activa op het einde van leasecontracten.

3. De over te dragen vorderingen worden aangekocht van Vennootschap B (NV), een operationele entiteit actief in de verhuur van materiële goederen. De aankoopprijs wordt gefinancierd door: (1) de uitgifte van Senior Notes aan institutionele investeerders, en (2) een achtergestelde lening verstrekt door Vennootschap B, onder meer ter invulling van het verplicht risicobeheer binnen de securitisatie.

4. Vennootschap B blijft de leasevorderingen beheren, innen en administreren overeenkomstig een servicing‑overeenkomst, wat operationele continuïteit garandeert en de kans op wanbetalingen minimaliseert

5. De overdracht van de schuldvorderingen van Vennootschap B aan Compartiment N gebeurt via stille cessie overeenkomstig artikel 5.179 BW, zonder verwittiging van de schuldenaars, behoudens uitzonderlijke omstandigheden waarin kennisgeving noodzakelijk kan zijn. Deze wijze van overdracht heeft geen impact op de fiscale beoordeling van de verrichting.

6. De investeerders kwalificeren als niet inwoners en zijn onderworpen aan een normaal belastingregime in hun respectieve jurisdicties. De Senior Notes zijn obligaties op naam en voldoen aan de vereisten van het relevant fiscale en financiële kader.

7. De aanvrager verduidelijkt dat zowel buitenlandse als Belgische institutionele investeerders kunnen inschrijven op de Senior Notes, overeenkomstig artikel 271/1 van de VBS‑Wet. Enkel de interesten die worden betaald aan spaarders‑niet‑inwoners komen evenwel in aanmerking voor de vrijstelling van roerende voorheffing van artikel 107, §2, 10°, a KB/WIB92.

8. De activiteiten van het compartiment worden volledig afgescheiden van andere activiteiten van Vennootschap A door middel van een bankruptcy remote structuur, conform internationale securitisatie-praktijken. Vennootschap B blijft optreden als servicer van de vorderingen volgens een servicing overeenkomst.

9. De transactie wordt opgezet met niet-fiscale motieven, waaronder: continuïteit van financiering na afloop van bestaande structuren; optimalisatie van liquiditeit en financieringskosten; verhandelbaarheid en repo-geschiktheid van de schuldinstrumenten; operationele continuïteit door behoud van servicing bij Vennootschap B; naleving van regelgeving inzake risicobehoud; aansluiting bij bestaande securitisatie-architecturen binnen vergelijkbare transacties.

III. Beslissing

Wat betreft de punten (1) t.e.m. (10) van randnummer 1

10. Vennootschap A, in haar hoedanigheid van institutionele VBS, handelend via Compartiment N, is onderworpen aan het bijzondere belastingregime voorzien in artikel 185bis WIB92, waarbij enkel abnormale of goedgunstige voordelen en niet aftrekbare kosten belastbaar zijn.

11. De VBS is opgenomen op de lijst van toegelaten instellingen en voldoet aan de voorwaarden van de toepasselijke wetgeving. Uit de aanvraag en de verstrekte toelichtingen blijkt dat Compartiment N uitsluitend toegelaten beleggingen verricht (schuldvorderingen uit operationele leasing en restwaardevorderingen).

12. De interesten die Compartiment N betaalt aan Vennootschap B ingevolge de door Vennootschap B toegekende achtergestelde lening, zijn vrijgesteld van roerende voorheffing krachtens artikel 107, §2, 9°, c KB/WIB92.

13. De lening is niet vertegenwoordigd door effecten, Vennootschap B kwalificeert als beroepsbelegger.

14. De interesten op de Senior Notes, uitgegeven door Compartiment N onder de vorm van obligaties op naam, zijn vrijgesteld van roerende voorheffing overeenkomstig artikel 107, §2, 10°, a KB/WIB92, op voorwaarde dat de Notes worden aangehouden door spaarders niet inwoners en de vereiste attesterings- en registratieregels (art. 117–118 KB/WIB92) worden nageleefd.

15. De geïdentificeerde investeerders zijn niet-inwoners en voldoen aan deze voorwaarden.

16. De interestlasten die verschuldigd zijn onder de achtergestelde lening en de Senior Notes kwalificeren als aftrekbare beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB92, aangezien deze interestkosten noodzakelijk zijn voor de verwerving van belastbare inkomsten uit de portefeuille van schuldvorderingen.

17. Volgens de aangeleverde gegevens zijn de interestvoeten op zakelijke gronden bepaald en contractueel en boekhoudkundig gestaafd.

18. De interesten kwalificeren niet als verworpen uitgaven overeenkomstig artikel 55 WIB92.

19. De achtergestelde lening heeft geen vaste looptijd en blijft onder de maximaal toegelaten MFI voet + 2,5%, terwijl de Senior Notes marktconform geprijsd zijn via institutionele plaatsing.

20. De werkelijke verkrijgers van de interesten (Vennootschap B en de aangeduide buitenlandse institutionele investeerders) zijn volledig onderworpen aan een normale inkomstenbelasting, waardoor de thin cap aftrekbeperking niet geactiveerd wordt, zelfs indien de debt equity ratio hoger zou zijn dan 5:1.

21. Artikel 54 WIB92 is niet van toepassing, omdat er op basis van de verstrekte informatie geen wederzijdse afhankelijkheid bestaat tussen Compartiment N en de investeerders, en mede omdat de buitenlandse investeerders niet onder een gunstiger belastingregeling vallen dan deze in België.

22. Volgens de aangeleverde gegevens kaderen de betalingen in een werkelijke en oprechte securitisatieverrichting.

23. Interesten verschuldigd aan in de aanvraag aangeduide geldschieters onder de Senior Notes, zijn niet getroffen door artikel 198, §1, 10° WIB92, aangezien de betalingen niet gebeuren naar entiteiten gevestigd in fiscale black list jurisdicties, en de transacties voldoen aan het vereiste karakter van niet kunstmatige, oprechte verrichtingen.

24. De aftrekbeperking van artikel 198/1 WIB92 speelt niet omdat het securitisatieplatform (Compartiment N van Vennootschap A) kwalificeert als een standalone entiteit in de zin van artikel 198/1, §6, 14°, vanwege de orphan structuur zonder deelnemingen, groepsbanden of buitenlandse inrichtingen.

25. Bovendien vallen interestkosten in een VBS onder het specifieke stelsel van artikel 185bis WIB92.

26. De keuze voor financiering via Senior Notes en niet via klassieke leningen kwalificeert niet als fiscaal misbruik overeenkomstig artikel 344, §1 WIB92, aangezien de Notes gewenst worden om economische redenen zoals liquiditeit, overdraagbaarheid, verhandelbaarheid, repo-geschiktheid, marktconsistentie binnen de groep waartoe Vennootschap B behoort en investeerdersvereisten.

Wat betreft punt (10) van randnummer 1

27. De kwalificaties gevraagd onder punten (1) t.e.m. (9) van randnummer 1 worden niet terzijde geschoven via artikel 344, §1 WIB92, aangezien op basis van de verstrekte informatie alle toepasselijke bepalingen (185bis, 49, 55, 54, 198, 198/1 van WIB92 en 107 KB/WIB) correct en overeenkomstig hun doelstelling worden toegepast en de transactie wordt ingegeven door substantiële niet-fiscale motieven zoals herfinanciering, risicosegregatie, operationele continuïteit, standaardisering binnen de groep en investeerdersvereisten.

Wat betreft punt (11) van randnummer 1

28. De toepassing van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 11° W.BTW is afhankelijk van (i) de kwalificatie van de (uiteindelijke) afnemer van de diensten als institutionele VBS en (ii) de aard van de geleverde diensten.

Vennootschap A, een institutionele VBS naar Belgisch recht in de zin van artikel 271/10 van de Wet van 03.08.2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, zal voor de voorliggende transactie handelen via haar Compartiment N.

Vennootschap A (inclusief Compartiment N) is sedert [datum] ingeschreven als institutionele VBS op de lijst van institutionele instellingen voor belegging in schuldvorderingen, opgesteld in toepassing van artikel 271/14 van voornoemde Wet van 03.08.2012 en van artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 30.07.2018 houdende bepaalde uitvoeringsmaatregelen inzake institutionele instellingen voor belegging in schuldvorderingen

In de omstandigheden eigen aan de zaak zijn er geen gerede argumenten om aan te nemen dat de servicing van de overgedragen schuldvorderingen (leasevorderingen) door de Originator, Vennootschap B, deel uitmaakt van het beheer van beleggingen.

Vereist is dat een handeling, over het geheel beschouwd, een afzonderlijk geheel vormt dat de essentiële en kenmerkende functies van het vrijgestelde beheer vormt.

Deze vrijstelling geldt niet ten aanzien van de diensten die worden verleend aan het effectiseringsvehikel, een institutionele VBS, door de cedent als ‘inner (ontvanger) en bewaker (bewaarder)’ van de overgedragen schuldvorderingen. De vergoedingen voor die diensten kunnen niet worden beschouwd als beheersvergoedingen die de vrijstelling van artikel 44, § 3, 11° W.BTW genieten. Deze vergoedingen kunnen onder omstandigheden echter wel worden aangemerkt als de tegenprestatie van handelingen die van btw zijn vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 7° en 8° W.BTW (cf. infra).

29. De overdracht van een schuldvordering is principieel vrijgesteld van btw waardoor de vergoeding voor de overdracht niet met btw te belasten is. De btw-vrijstelling voor de overdracht van schuldvorderingen geldt eveneens voor de overdracht van schuldvorderingen in het kader van een effectisering.

De invordering van schuldvorderingen (debt collection) is uitdrukkelijk uitgesloten van de btw-vrijstelling van artikel 44, § 3, 7° W.BTW (en overigens ook van de btw-vrijstelling van artikel 44, § 3, 8° W.BTW, dat voorziet in een vrijstelling voor “de betalings- en ontvangstverrichtingen, bemiddeling daaronder begrepen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen (de dienstverrichter kan, onder de voorwaarden gesteld door of vanwege de Minister van Financiën, kiezen voor het belasten ervan).

De btw-administratie staat traditioneel een strikte interpretatie voor van het begrip ‘invordering van schuldvorderingen’. Zo maakt zij een onderscheid tussen ‘innen’ en ‘invorderen’ waarbij volgens haar sprake is van invordering wanneer het niet langer gaat om innen zonder meer, bijvoorbeeld wanneer dwang moet worden uitgeoefend om betaling te verkrijgen (1). Hieruit blijkt alvast dat volgens haar het toepassen van dwangmaatregelen om betaling te bekomen, in dit verband een relevant onderscheidingscriterium kan vormen.


[(1) Btw-Commentaar, editie 01.03.2026, Boek II, Hoofstuk 9, Afdeling 29 (inzake artikel 44, § 3, 8° W.BTW). Wat de toepassing van artikel 44, § 3, 7° W.BTW betreft en inzonderheid wat factoring betreft (factoring wordt beschouwd als een variant van het meer algemene begrip ‘invordering van schuldvorderingen’) , refereert de btw-administratie aan de Europese rechtspraak ter zake (zie Btw-Commentaar, editie 01.02.2025, Boek II, Hoofdstuk 9, Afdeling 28).]


30. Vennootschap B, een Belgische vennootschap, treedt op als Originator van de te effectiseren schuldvorderingen. Vennootschap B wenst met de voorgenomen effectiseringstransactie haar bestaande leasingportefeuille opnieuw te herfinancieren aan aantrekkelijke marktvoorwaarden.

De Originator zal bepaalde schuldvorderingen voortkomend uit haar leasingactiviteit overdragen aan Compartiment N op basis van een koopovereenkomst (de “Purchase Agreement”). Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen twee soorten van vorderingsrechten:

(a) de vorderingsrechten van de Originator met betrekking tot alle verschuldigde betalingen, o.m. de periodieke leasebetalingen, onderhoudskosten, te betalen vergoedingen n.a.v. schade of vroegtijdige beëindiging, voertuigbelastingen, etc., verschuldigd door de leasingnemer overeenkomstig de bepalingen van de leasingovereenkomst, met uitzondering van de vorderingsrechten rond de restwaarde van de geleasede voertuigen;

(b) de vorderingsrechten van de Originator met betrekking tot de restwaarde van de voertuigen. Deze rechten vertegenwoordigen alle opbrengsten uit de verkoop van de eigendomsrechten van de Originator betreffende het voertuig na afloop van de leasingovereenkomst.

Deze vorderingsrechten worden afgesplitst van de eigendomstitel van het voertuig zelf, zodat deze de economische eigendom van het voertuig vertegenwoordigen, zonder dat de houder van deze vorderingen de juridische eigenaar wordt van het voertuig. Op die manier kunnen deze vorderingsrechten onafhankelijk van het voertuig zelf (dat bij de Originator blijft) worden overgedragen aan Compartiment N.

In ruil voor de overdracht van beide soorten schuldvorderingen zal Compartiment N onder de koopovereenkomst (“Purchase Agreement”) een zakelijke (arm’s length) overdrachtsprijs betalen aan de Originator.

Zoals gebruikelijk in effectiseringstransacties (titrisatiestructuren) zal de overdracht van beide hiervoor vermelde soorten schuldvorderingen gebeuren in de vorm van een stille cessie op basis van artikel 5.179 e.v. BW. De schuldenaars zullen in principe niet worden ingelicht over de overdracht van de betrokken schuldvorderingen (vandaar het “stille” karakter van de cessie), tenzij en wanneer zich bepaalde uitzonderlijke omstandigheden zouden voordoen in hoofde van Vennootschap B, in de regel gebeurtenissen die wijzen op een verslechterend kredietrisico van de overdrager of een (dreigende) insolventie.

Om die reden zal Vennootschap B, zoals gebruikelijk voor dit type transactie, verder in de regel blijven instaan voor de inning en het beheer van de overgedragen schuldvorderingen als servicer, op basis van wel afgelijnde contractuele afspraken vastgelegd in een Servicing Agreement afgesloten tussen onder meer Compartiment N, Vennootschap B en de Security Agent (de “Servicing Agreement”).

31. Op grond van deze Servicing Agreement zal Vennootschap B, in ruil voor een vergoeding of service fee, bepaalde diensten verlenen aan Compartiment N inzake:

­ opvolging, beheer en rapportage van de leasecontracten (waaronder het opstellen van een Monthly Portfolio Data File, het opvolgen van eventuele vorderingsrechten tegen de leveranciers van de leasevoertuigen, de herberekening van de leasebetalingen bij een gebruik dat hoger/lager ligt dan initieel ingeschat bij het afsluiten van de leasecontracten, het bepalen van het deel van de betaling vanwege de lessee dat toekomt aan Compartiment N als leasevergoeding en het gedeelte van de betaling vanwege de lessee voor andere diensten zoals onderhoud en herstellingen aan de voertuigen dat niet toekomt aan Compartiment N);

­ inning en cash administratie van de leasevorderingen (onder meer de opvolging van de doorstorting van de relevante bedragen in juiste transactierekeningen van Compartiment N);

­ kennisgeving van de cessie aan de schuldenaars van leasecontracten bij wanprestatie van de cedent, en;

­ invordering van de onbetaalde schuldvorderingen (bad debts), met inbegrip van de recuperatie van de voertuigen.

32. Volgens de verklaringen van de aanvrager valt te verwachten dat Vennootschap B slechts voor een beperkt deel van de leasecontracten diensten zal dienen te verrichten voor Compartiment N die bestaan in de gedwongen invordering van onbetaalde leasevorderingen.

In dit kader wordt er op gewezen dat de Purchase Agreement voorziet dat bij een vroegtijdige beëindiging van het leasecontract:

(i) enerzijds, Compartiment N beschikt over een (put) optie (zonder dat dit een verplichting is) om de leasevorderingen opnieuw over te dragen aan Vennootschap B, behoudens ingeval van een wanprestatie onder het leasecontract (bij een Defaulted Lease Agreement), en;

(ii) anderzijds, Vennootschap B beschikt over een (call) optie om te vragen dat Compartiment N de vorderingen opnieuw aan Vennootschap B overdraagt en Vennootschap B desgevallend de vorderingen zal terugkopen waarvan Compartiment N de terugkoop vordert onder (i) hiervoor.

De vroegtijdige beëindiging van een leasecontract houdt niet noodzakelijkerwijze verband met een wanprestatie van de schuldenaar van de leasevorderingen; in de meeste gevallen betreft het gewoon een vraag van de lessee om het voertuig vroegtijdig terug te geven aan de lessor.

Wel is het zo dat ook ingeval van een vervroegde beëindiging naar aanleiding van een wanprestatie, Vennootschap B de mogelijkheid heeft om de terugkoop van de vorderingen te vragen en vervolgens over het voertuig te beslissen. Wanneer dergelijk terugkoop plaatsvindt, zal Vennootschap B niet langer diensten tot gedwongen invordering uitoefenen voor Compartiment N met betrekking tot de teruggekochte leasevorderingen.

33. In dit kader kan worden gesteld dat de cedent (verkoper) van de portefeuille schuldvorderingen (leasevorderingen) die zich tijdens het voortgezet beheer (de servicing) ervan beperkt tot de hiervoor vermelde betalings- en ontvangstverrichting (‘innen’ (zonder meer) en “niet” ‘invorderen’) geen diensten inzake invordering van schuldvorderingen verricht en dus principieel in aanmerking komt voor de toepassing van de vrijstelling van btw op grond van artikel 44, § 3, 7° en 8° W.BTW

De invordering van een schuldvordering onderscheidt zich van een betalings- of ontvangstverrichting vermits er volgens de traditionele opvatting van de btw-administratie bij invordering noodzakelijkerwijs dwang moet worden uitgeoefend om de betaling te verkrijgen.

34. Zoals gebruikelijk voor dit type transactie, zal de Originator, Vennootschap B, tegen vergoeding verder blijven instaan voor de inning en het beheer van de overgedragen schuldvorderingen als servicer, op basis van de wel afgelijnde contractuele afspraken vastgelegd in de hiervoor aangehaalde Servicing Agreement.

Omdat deze transactie naar het oordeel van de DVB in casu primair gaat om de overdracht van het eigendomsrecht op de schuldvorderingen (de eigendomstitels van de voertuigen blijven bij Vennootschap B) en het (voortgezet) beheer van de overgedragen schuldvorderingen door de cedent (seller-servicer, Originator) als bijkomende prestatie, waarbij het om de inning (zonder meer), en in de regel niet om de invordering zelf gaat, is zij volgens de DVB in casu principieel vrijgesteld van btw.

Rekening houdend met de hoedanigheid en rol van de servicer, ook gelet op de tussen de betrokken partijen vastgelegde contractuele afspraken, zullen de servicing activiteiten die worden verricht door Vennootschap B ten voordele van Compartiment N dus principieel vallen onder de toepassing van de vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen en inningen overeenkomstig artikel 44, § 3, 7° en 8° W.BTW, uitgezonderd in de mate dat deze activiteiten zouden slaan op diensten van invordering van schuldvorderingen (in welk geval zij met btw te belasten zijn aan het standaardtarief dat thans 21% bedraagt). Invordering houdt in laatstbedoeld verband in het gedwongen invorderen van de schuldvorderingen, bij afwezigheid van spontane betaling, eventueel met de hulp van externe partijen zoals gespecialiseerde sub-servicers, incassobureaus of gerechtsdeurwaarders.

35. Zoals hiervoor reeds aangegeven, zal Vennootschap B volgens de verklaringen van de aanvrager slechts in een beperkt aantal gevallen overgaan tot een gedwongen invordering van de onbetaalde schuldvorderingen voor Compartiment N, waar Vennootschap B mogelijkheid heeft te opteren om de leasevorderingen terug te kopen om andere transacties te ondernemen met de onderliggende voertuigen (zie randnr. 32 supra).

Wat betreft punt (12) van randnummer 1

36. Uit de Europese rechtspraak blijkt dat het niet noodzakelijk is dat de inkomende handeling een directe kost uitmaakt. Algemene kosten kunnen ook deel uitmaken van latere handelingen waarvoor recht op btw-aftrek bestaat. De rechtstreekse en onmiddellijke link tussen input en output is geen absoluut rechtstreeks verband dat alleen op transactieniveau moet worden bekeken.

De bedrijfsactiviteiten van Vennootschap B bestaan in het leasen van voertuigen en de verkoop van tweedehandsvoertuigen, activiteiten die volledig met btw te belasten zijn.

De advieskosten hebben betrekking op externe adviezen en diensten inzake de effectisering van de leasevorderingen en de vorderingen betreffende de restwaarde van de geleasede voertuigen, dit om financieringsmiddelen te mobiliseren waarmee weer leasingcontracten kunnen worden, afgesloten. De opbrengst van de overdracht van de schuldvorderingen wordt uiteindelijk dus weer gebruikt om activiteiten te financieren die met btw te belasten zijn of die alleszins recht op btw-aftrek openen.

37. Aangezien in casu geen rechtstreeks en onmiddellijk (1:1) verband kan worden gelegd tussen de bedoelde advieskosten en specifieke uitgaande btw-handelingen, is de aftrek dus gebaseerd op het feit dat de betrokken advieskosten deel uitmaken van de algemene werkingskosten van Vennootschap B en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door haar verleende belaste diensten, met name de operationele en financiële leasing van voertuigen. In dat geval is er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de gemaakte (advies)kosten en de ganse economische bedrijfsactiviteit van de belastingplichtige.

38. Vermits in casu de volledige opbrengst van de overdracht van de schuldvorderingen (waarop voornoemde advieskosten betrekking hebben) uiteindelijk weer zal worden gebruikt voor nieuwe leasingcontracten waarop btw verschuldigd is, komen de hiervoor bedoelde advieskosten rond de effectisering die worden opgelopen door Vennootschap B als Originator, in hoofde van Vennootschap B in aanmerking voor volledige btw-aftrek op grond van artikel 45, §1 W.BTW, gelet op de concreet gegeven bestemming (‘overhead aftrek’) en de aftrekgerechtigde economische activiteit van Vennootschap B.