---
title: "Voorafgaande beslissing 2026.0152 · Infrastructuurwerken"
description: "Infrastructuurwerken. Belgische voorafgaande beslissing nr. 2026.0152 van 14 april 2026."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2026-0152-infrastructuurwerken-verkoop-onverdeelde-aandelen-in-528c"
lang: "nl"
---

# Infrastructuurwerken · Btw - Infrastructuurwerken - Verkoop van onverdeelde aandelen in de wegeniswerken aan de kopers van een bouwterrein met beding van gratis afstand van die aandelen door laatstgenoemden aan de gemeente - Recht op aftrek van voorbelasting Artikel 45, § 1 W.BTW

**Nummer**

2026.0152

**Datum**

14 april 2026

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

116 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2026.0152 dd. 14.04.2026

*Btw* · *Infrastructuurwerken* · *Verkoop van onverdeelde aandelen in de wegeniswerken aan de kopers van een bouwterrein met beding van gratis afstand van die aandelen door laatstgenoemden aan de gemeente* · *Recht op aftrek van voorbelasting* · *Artikel 45, § 1 W.BTW*

## Samenvatting

De aanvrager, ontwikkelaar X, kwalificeert voor de verkoop van de bedoelde onverdeelde aandelen in de nieuwe wegenisinfrastructuur als beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW en voor de werken in onroerende staat die door de aannemers voor rekening van X zullen worden uitgevoerd, is de verleggingsregeling (“regeling medecontractant”) zoals voorzien in artikel 51, § 4 W.BTW jo. [artikel 20 van het Btw-KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) toepasselijk.

In de omstandigheden eigen aan de zaak wordt de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur aanvaard als aanvangstijdstip voor de berekening van de in artikel 44, § 3, 1° W.BTW bedoelde btw-nieuwheidstermijn en deze termijn tijdens dewelke de wegenisinfrastructuur aan de bedrijven-kopers van individuele bouwkavels kan worden overgedragen met toepassing van btw, eindigt volgens het College van de DVB in casu bijgevolg uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar van de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur dat essentieel is voor de ingebruikneming ervan en dit zonder kunstmatig uitstel.

Het door X verschuldigde btw-tarief op de verkoop van wegeniswerken, is het standaardtarief zoals is voorzien in [artikel 1, lid 1 van het Btw-KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) en dat thans 21% bedraagt.

De verkoop van de onverdeelde aandelen in de bedoelde nieuwe wegenisinfrastructuur (uitgezonderd het gedeelte van p’% ervan dat kosten betreft die voor btw niet worden aangemerkt als infrastructuurwerken/wegeniswerken die tot nut strekken van de kopers van de proivékavels en bijgevolg niet het voorwerp uitmaken van de verkoop van de onverdeelde aandelen) door X is een met btw te belasten levering die aan de verkoper, X, volledig recht op btw-aftrek verleent op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.

De bedrijven-kopers van een individuele bouwkavel kunnen de door hen betaalde btw op hun aandeel in de wegenisinfrastructuur die zij hebben moeten aankopen om vervolgens om niet (kosteloos, gratis) over te dragen aan de gemeente, in aftrek brengen in de mate dat zij aftrekgerechtigd zijn voor hun economische activiteit (en dus volledig in aftrek brengen op grond van artikel 45, § 1 W.BTW op voorwaarde dat al hun uitgaande handelingen met btw belast zijn of alleszins recht op btw-aftrek openen) en de om niet afstand van de wegenisinfrastructuur aan de gemeente dient in hoofde van de bedrijven-kopers geen aanleiding te geven tot enige herziening van voorheen in aftrek genomen btw met betrekking tot de aanleg van deze wegeniswerken.

Wat deze laatste twee standpunten betreft (i.e. recht op btw-aftrek voor de bedrijven-kopers en geen negatieve herziening in hun hoofde), wijst het College van de DVB erop dat het hierover een uitspraak doet als principe in de context van het concreet wegenisproject van X.

Voor de uiteindelijke bedrijven-kopers die rechtszekerheid wensen wordt een individuele voorafgaande beslissing noodzakelijk geacht op basis van hun concrete situatie (i.e. een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de beoogde kosten en de exploitatie van deze kopers).

## Tekst van de beslissing

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De gemeente F en de overheidsinstelling X willen het terrein M uitbreiden. Het RUP werd definitief vastgesteld door de gemeenteraad.

X staat in voor het bouwrijp maken van het terrein.

Om de terreinaanlegwerken en infrastructuurwerken/wegeniswerken uit te voeren werd een omgevingsvergunning aangevraagd, die werd goedgekeurd door de bevoegde overheid.

2\. Het project heeft betrekking op het bouwrijp maken en ontsluiten van het toekomstige terrein M op het grondgebied van de gemeente F.

3\. Alle gronden die deel uitmaken van het projectgebied zijn sinds jaar x in eigendom van X.

4\. De ontwikkeling bestaat er in om de percelen die deel uitmaken van het projectgebied bouwrijp te maken en te ontwikkelen en deze vervolgens te verkopen.

De bedoeling is om alles te verkopen (geen verhuur/terbeschikkingstelling tenzij met het oog op daaropvolgende verkoop) aan verschillende bedrijven.

De wegeniswerken zullen worden aangerekend aan de bedrijven die zich ter plaatse zullen vestigen. Het is de bedoeling dat deze zones later worden overgedragen naar de gemeente, die ze zal opnemen in het openbaar domein.

5\. De voorgestelde werkwijze bestaat er in dat X de wegenisinfrastructuur laat aanleggen met de bedoeling om de onverdeelde aandelen in de wegenis, zonder de ondergrond dus, mits vestiging van een recht van opstal, met toepassing van btw te verkopen aan kopers van individuele bouwkavels. De prijs die hiervoor wordt gefactureerd, is altijd gelijk aan het aandeel in de raming van de kostprijs van de wegenisinfrastructuur, ongeacht of de verkoop gebeurt vóór de start van de werken, tijdens de werken of na voltooiing van de werken, maar binnen de btw-nieuwheidstermijn.

X betaalt de btw op het aandeel in de raming van de kostprijs van de werken dat niet binnen deze termijn is vervreemd.

6\. Om praktische redenen zal X een splitsing te maken tussen de wegenis en de onderliggende grond. Enkel en alleen de wegenis zal aan de bedrijven-kopers worden verkocht in onverdeelde delen.

De onderliggende grond wordt niet verkocht maar gratis overgedragen aan de gemeente met toepassing van het recht van opstal. Het recht van opstal vangt aan bij de start van de werken en dooft uit vlak na de verkoop van het laatste onverdeelde aandeel in de wegenis. X heeft voordien de ondergrond kosteloos overgedragen aan de grondeigenaar, de gemeente F, waardoor de gemeente bij het uitdoven van het recht van opstal ook kosteloos volle eigenaar wordt van het geheel, met inbegrip van de wegenisinfrastructuur die op de grond is aangelegd.

Kopers van onverdeelde aandelen in de wegeniswerken hebben de mogelijkheid om sneller hun onverdeeld aandeel aan de gemeente af te staan mits afzonderlijke akte.

## II. Vraagstelling

7\. Gelet op de argumentatie en motivering uiteengezet in de aanvraag om een voorafgaande beslissing, strekt deze aanvraag er toe van de DVB bevestiging te verkrijgen dat:

• X voor de verkoop van de onverdeelde aandelen in de nieuwe wegenisinfrastructuur als een beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW zal worden aangemerkt en dat op de door de aannemers voor rekening van X geleverde werken in onroerende staat de verleggingsregeling (“regeling medecontractant”) toepasselijk is;

• de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur het aanvangstijdstip is voor de berekening van de in artikel 44, § 3, 1° W.BTW bedoelde btw-nieuwheidstermijn;

• de bedoelde verkoop van de onverdeelde aandelen in de nieuwe wegenisinfrastructuur onderworpen is aan het standaard btw-tarief van 21%;

• X voor de gemaakte kosten voor de aanleg van de wegenisinfrastructuur volledig recht op btw-aftrek heeft op grond van artikel 45, § 1 W.BTW;

• ook de bedrijven-kopers, wat de door hen van X aangekochte onverdeelde aandelen in de wegeniswerken betreft, volledig recht op btw-aftrek hebben op grond van artikel 45, § 1 W.BTW op voorwaarde dat zij een volledig aftrekgerechtigde economische activiteit uitoefenen;

• de bedrijven-kopers geen herziening (in de zin van [artikel 10, § 1, 4° van het Btw-KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10)) dienen toe te passen als gevolg van het uitdoven van het opstalrecht ten voordele van de gemeente F.

Wat beide laatstbedoelde vraagstellingen betreft, had X graag de bevestiging gekregen dat deze ziens- en werkwijze door de DVB als principe wordt aanvaard.

## III. Beslissing

Uit het door de DVB verrichte onderzoek blijkt wat volgt.

8\. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

9\. Er dient te worden nagegaan onder welke omstandigheden X, als eigenaar en projectontwikkelaar, de wegeniswerken kan verkopen met recht op aftrek van de btw.

Aangezien nu al vaststaat dat de wegeniswerken om niet (kosteloos, gratis) zullen worden overgedragen naar de gemeente F, stelt zich de vraag of ook de bedrijven-kopers de betaalde btw naar aanleiding van de aankoop van een onverdeeld deel in de wegeniswerken in aftrek kunnen brengen.

### *III.A. Btw-regeling inzake de verkoop door X van de onverdeelde aandelen in de wegeniswerken*

*Infrastructuurwerken (wegeniswerken)*

10\. Artikel 1, § 9, 1° W.BTW definieert een gebouw als elk bouwwerk dat vast met de grond verbonden is. In principe omvat dit dus ook de infrastructuurwerken die tot gevolg hebben dat materialen onroerend uit hun aard worden (zoals bijvoorbeeld wegeniswerken en riolering). De levering van dergelijke infrastructuurwerken kan dan ook kwalificeren als een aan de btw onderworpen levering van een nieuw gebouw.

11\. Als de wegeniswerken of andere infrastructuurwerken niet of slechts gedeeltelijk tot nut strekken van de kopers van de privékavels, zijn de principes van de beslissingen nr. E.T. 109.060 van 15.03.2006 en nr. E.T. 124.513 van 23.12.2013 respectievelijk niet of slechts in beperkte mate van toepassing.

12\. Op basis van een gedetailleerde opsplitsing van de raming inzake de kosten voor project M (zoals tot voldoening van de DVB in detail verantwoord en berekend) werd bepaald welke kostenposten voor btw kwalificeren als infrastructuurwerken/wegeniswerken die tot nut strekken van de kopers van de privékavels en welke kostenposten niet als zodanig kwalificeren.

De kostenposten die voor btw niet kwalificeren als infrastructuurwerken/wegeniswerken die tot nut strekken van de kopers van de privékavels, betreffen onder meer:

\- de voorbereidende werken en grondwerken voor zover die betrekking hebben op de kavels van openbaar nut en niet op de privékavels (waarbij een opsplitsing wordt gemaakt op basis van de verhouding van de respectieve oppervlaktes);

\- het deel van de riolering dat uitsluitend het openbaar domein bedient (onder andere de onderdelen pro rata het openbaar aandeel);

\- de installatie die een tijdelijke installatie betreft voor de behandeling van verontreiniging tijdens de werken, en niet tot nut strekt van de kopers van de privékavels;

\- de groenaanleg en het groenbeheer, voor zover die niet tot nut strekken van de privékavels en er niet dermate mee verweven zijn dat ze als dusdanig kunnen passen in de principes uit de vaste administratieve rechtsleer.

13\. Op basis van deze opsplitsing (zoals tot voldoening van de DVB in detail verantwoord en berekend) bedraagt het totaalbedrag dat kwalificeert als infrastructuurwerken/wegeniswerken die tot nut strekken van de kopers van de privékavels alfa euro (a euro + b euro), i.e. p% van het totaalbedrag van alle delen (ten belope van bèta euro). Het resterend gedeelte ad p’% (gamma euro) betreft kosten die voor btw niet als dergelijke infrastructuurwerken/wegeniswerken worden aangemerkt en bijgevolg niet het voorwerp uitmaken van de verkoop van de onverdeelde aandelen.

X zal derhalve p% van de onverdeelde aandelen in de wegeniswerken verkopen aan de kopers van de individuele bouwkavels. De berekening van elk verkocht aandeel zal als volgt gebeuren: de netto-oppervlakte van elke kavel zal worden gedeeld door de totale netto-oppervlakte die door X op de site wordt verkocht.

*Hoedanigheid van beroepsoprichter*

14\. Op basis van de door de aanvrager aangereikte gegevens bevestigt de DVB dat X voor de verkoop van de bedoelde onverdeelde aandelen in de wegenisinfrastructuur (zie randnr. 11 supra) in de gegeven omstandigheden de hoedanigheid bezit van beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW.

15\. Dit betekent dat deze verkoop door X van rechtswege en zonder specifieke formaliteiten (i.e. zonder dat X, als ontwikkelaar, de formaliteiten van het Btw-KB nr. 14 dient na te leven) met btw te belasten is.

*Verlegging van heffing voor werk in onroerende staat (ook nog “regeling medecontractant” genoemd)*

16\. In afwijking van het algemene principe en van de andere gevallen waarin het Btw-Wetboek voorziet in een verlegging van heffing, legt de verplichte verleggingsregeling voor werk in onroerende staat op grond van artikel 51, § 4 W.BTW jo. [artikel 20, § 1 van het Btw-KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) de verplichting op zelf de verschuldigde belasting te voldoen wanneer aan de volgende voorwaarden gezamenlijk is voldaan:

- de leverancier of dienstverrichter is een in België gevestigde belastingplichtige, en;

- de medecontractant is:

• een Belgische belastingplichtige die periodieke btw-aangiften indient, of;

• een buitenlandse belastingplichtige die in België is geïdentificeerd onder een individueel btw-nummer of (sinds 01.01.2023 *(1)*) rechtstreeks is geïdentificeerd (een buitenlandse belastingplichtige onderneming die een beroep doet op een aansprakelijk vertegenwoordiger die de onderneming vertegenwoordigt onder een globaal btw-nummer (vooraf erkend persoon), is hier dus niet bedoeld), en;

---

*\[(1) Koninklijk Besluit van 26.10.2022, BS 10.11.2022. De DVB geeft volledigheidshalve nog mee dat* [*artikel 20, § 3 van het Btw-KB nr. 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) *uitdrukkelijk stelt dat de factuur “de verschillende elementen die de toepassing van dit artikel rechtvaardigen“ moet vermelden en “geen melding mag maken van het tarief noch van het bedrag van de verschuldigde belasting”.* [*Artikel 20, § 3, eerste lid van het Btw-KB nr. 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) *bepaalt dat de door de dienstverrichter uitgereikte facturen sinds 01.01.2023 naast de vermelding ‘verlegging van heffing’ de bijkomende specifieke factuurvermelding moeten bevatten.\]*

---

- het gaat om handelingen die bestaan uit werk in onroerende staat (in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW, [artikel 20, § 2 van het Btw-KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) of [artikel 20, § 2, laatste lid van het Btw-KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d); de Koning heeft deze verleggingsregel niet uitgebreid tot het intellectueel werk), en;

- de medecontractant gebruikt de geleverde goederen en verstrekte diensten in het kader van zijn economische activiteit.

17\. Als de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn, moet de “regeling medecontractant” worden toegepast, op risico van verwerping van de aftrek van de onterecht aangerekende btw in hoofde van de medecontractant.

18\. De “regeling medecontractant” is niet van toepassing op werk in onroerende staat in België dat een buitenlandse belastingplichtige aannemer verricht die in België niet beschikt over een vaste inrichting, of die wel beschikt over een vaste inrichting die echter niet is tussengekomen bij de handeling. Hij is verplicht de veralgemeende verlegging van heffing toe te passen.

*Toepassing in casu*

19\. Deze vraagstelling van de aanvrager behoeft weinig toelichting. Voor de werken in onroerende staat die door de aannemers voor rekening van X zullen worden uitgevoerd, is de verleggingsregeling (“regeling medecontractant”) zoals voorzien in artikel 51, § 4 W.BTW jo. [artikel 20 van het Btw-KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) toepasselijk.

20\. Wanneer werken in onroerende staat worden gefactureerd aan een belastingplichtige-indiener van periodieke btw-aangiften, is deze verleggingsregeling (“regeling medecontractant”) van toepassing, ongeacht of deze handelingen door deze belastingplichtige worden gebruikt in de uitoefening van zijn met btw belaste economische activiteit, dan wel van zijn van btw vrijgestelde economische activiteit, zijn activiteit buiten de werkingssfeer van de btw of zelfs voor een combinatie van verscheidene activiteiten *(2)*.

---

*\[(2) Beslissing nr. E.T. 122.360 van 20.03.2012, www.fisconetplus.be.\]*

---

### *III.B. Toepasselijk btw-tarief*

21\. Het toepasselijk tarief is het standaardtarief dat voorzien is in [artikel 1, eerste lid van het Btw-KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) en thans 21% bedraagt. [Artikel 1 van het Btw-KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) preciseert dat het standaard btw-tarief dat van toepassing is op de door het Btw-Wetboek bedoelde goederen en diensten, vastgesteld is op 21%. De verlaagde btw-tarieven van 6% en 12% zijn afwijkingen.

22\. De berekening van elk verkocht aandeel zal gebeuren als volgt: de netto-oppervlakte van elke kavel zal worden gedeeld door de totale netto-oppervlakte die door X op de projectsite wordt verkocht.

### *III.C. Volledig recht op aftrek van de btw door X voor de aanleg van de bedoelde wegenisinfrastructuur*

23\. De btw-administratie heeft in 2013 inzake de btw-aftrek op infrastructuurwerken (wegeniswerken) een beslissing uitgegeven *(3)* waarin drie mogelijke pistes om infrastructuurwerken (wegeniswerken) over te dragen worden besproken (cru gesteld afstand om niet en verkoop nieuw gebouw, verkoop infrastructuur gevolgd door afstand om niet en verkoop infrastructuur met derdebetalersregeling).

---

*\[(3) Beslissing nr. E.T. 124.513 van 23.12.2013, www.fisconetplus.be.\]*

---

24\. In casu is de tweede piste, punt 3.2. (geval 2: ‘Dubbele overdracht’) van de beslissing nr. E.T. 124.513 van 23.12.2013 relevant *(4)*.

---

*\[(4) ”Gelet op het feit dat de wegeniswerken worden aangemerkt als een nieuw gebouw, vormt de verkoop van onverdeelde aandelen van die werken door de verkavelaar of promotor-opstalhouder aan de zelfbouwers een te belasten levering die recht op aftrek verleent aan de verkoper.”\]*

---

In dit scenario wordt het aandeel in de (wegenis)infrastructuur aan de koper van de kavel verkocht als nieuw gebouw met aanrekening van btw, waarbij de koper de verplichting heeft dit aandeel vervolgens om niet (kosteloos, gratis) over te dragen aan de overheid (in casu de gemeente F).

Gelet op het feit dat de infrastructuurwerken (wegeniswerken) worden aangemerkt als een nieuw gebouw, vormt de verkoop van onverdeelde aandelen van die werken door de projectontwikkelaar aan de zelfbouwers een met btw te belasten levering die recht op btw-aftrek verleent aan de verkoper.

De beslissing bevestigt dat deze benadering onverminderd geldt wanneer dergelijke verkoop in onverdeeldheid is gebeurd met de verplichting voor de kopers om de infrastructuur onmiddellijk om niet af te staan aan de overheid.

De ontwikkelaar, X, zal aldus de aftrek van de btw op de wegeniswerken kunnen doen gelden, maar is dan verplicht om op de verkoop van de betreffende werken btw aan te rekenen over de normale waarde (op grond van artikel 36, § 1, a) W.BTW.

25\. In dit geval moet rekening worden gehouden met de btw-nieuwheidstermijn voor de infrastructuur. Dit is logisch omdat de infrastructuur hier wordt 'verkocht' aan de kopers van de kavels.

De vraag rijst dan wel wanneer de infrastructuur voor het eerst in 'gebruik' is genomen. Dit is vooral van belang voor projecten die over verschillende fasen worden gespreid. De aangehaalde beslissing uit 2013 zegt hierover niets.

26\. Het is in die zin dat de aanvrager de DVB verzoekt ermee in te stemmen dat de eerste ingebruikneming voor btw-doeleinden maar plaatsvindt ten vroegste bij de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur. Als dit verzoek wordt ingewilligd, eindigt de btw-nieuwheidstermijn tijdens dewelke de infrastructuur aan de vergunnende overheid kan worden overgedragen met toepassing van btw, bijgevolg uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar van de voorlopige oplevering *(5)* van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur.

---

*\[(5) De voorlopige en definitieve oplevering bij wegeniswerken zijn cruciale juridische mijlpalen. Het belangrijkste verschil is dat de voorlopige oplevering (VO) bij wegeniswerken het einde van de werken markeert met een inspectieronde voor gebreken, terwijl de definitieve oplevering (DO) minstens één jaar later volgt om te bevestigen dat alle gebreken zijn hersteld en de 10-jarige aansprakelijkheid inloopt of uitloopt. Bij wegeniswerken is een tweefasige oplevering cruciaal omdat de proefperiode (vaak minstens één jaar) toelaat om de stevigheid van de constructie in verschillende seizoenen te testen.\]*

---

27\. De DVB stelt vast dat de noties ‘voorlopige oplevering’ of ‘definitieve oplevering’ kunnen samenvallen met het criterium van ‘eerste ingebruikneming’ maar dat dit niet noodzakelijk het geval is.

28\. De DVB aanvaardt in de omstandigheden eigen aan de zaak de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur als aanvangstijdstip voor de berekening van de in artikel 44, § 3, 1° W.BTW bedoelde btw-nieuwheidstermijn. De btw-nieuwheidstermijn tijdens dewelke de wegenisinfrastructuur aan de bedrijven-kopers van individuele bouwkavels kan worden overgedragen met toepassing van btw, eindigt volgens de DVB in casu bijgevolg uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar van de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur (beduidende verharding, nutsvoorzieningen, en dergelijke meer) dat essentieel is voor de ingebruikneming ervan en dit zonder kunstmatig uitstel.

***III.D. Recht op aftrek van de btw bij de bedrijven-kopers van de onverdeelde aandelen in de wegeniswerken – geen aanleiding tot herziening van btw-aftrek in hoofde van de bedrijven-kopers***

29\. Het voorgaande roept de vraag op of de bedrijven-kopers van wegeniswerken (als nieuw gebouw) niet evenzeer de btw op de koopprijs in aftrek moeten kunnen brengen in de mate dat zij aftrekgerechtigd zijn in het kader van hun economische activiteit.

Hierbij valt meer bepaald te denken aan het besproken geval van de verkoop in onverdeeldheid gevolgd door een afstand om niet. Dit is het scenario waarin het aandeel in de infrastructuur aan de koper van de kavel wordt verkocht als nieuw gebouw met aanrekening van btw, en waarbij de koper de verplichting heeft dit aandeel vervolgens om niet (kosteloos, gratis) over te dragen aan de overheid (in casu de gemeente F).

30\. De aanvrager stelt dat een recht op btw-aftrek in hoofde van de uiteindelijke bedrijven-kopers met betrekking tot hun aandeel in de wegenisinfrastructuur, niet louter afhangt van één specifieke uitgaande handeling (in casu het kosteloos afstaan van dit aandeel aan de gemeente). De aanvrager argumenteert integendeel dat het voldoende is dat de aan de verwerving van het aandeel in de wegenisinfrastructuur verbonden kost deel uitmaakt van de algemene kosten van de koper. Deze algemene kosten rekenen de kopers immers hoe dan ook door in de prijs van de door hen (ex hypothesi met btw te belasten) geleverde goederen en diensten. Op grond van wat voorafgaat is de aanvrager van oordeel dat de btw op deze kost volledig moet kunnen worden afgetrokken in hoofde van de uiteindelijke bedrijven-kopers op voorwaarde dat zij een volledig aftrekgerechtigde economische activiteit uitoefenen.

31\. De aangehaalde beslissing uit 2013 behandelt enkel de mogelijkheid tot aftrek van btw in hoofde van de verkoper (cf. supra) en niet in hoofde van de koper (die gratis afstand doet aan de overheid, in casu de gemeente).

Toch kan worden vastgesteld dat in de beslissing nr. E.T. 124.513 van 23.12.2013 wordt verwezen naar het cassatiearrest Les Grands Prés *(6)*, weliswaar niet in punt 3 maar in een afzonderlijk punt 4 van deze beslissing, maar beperkt tot de situatie van winkelcentra en vanuit de hypothese van werken als dienstprestatie aan de partij die op haar beurt kosteloos afstand doet.

---

*\[(6) Cass. 26.02.2010, Les Grands Prés, FJF, 2010, nr. 9, 1041.\]*

---

De vraag is dan ook of de hier vooropgestelde principes niet ruimer kunnen worden toegepast en of de belastingplichtige die de infrastructuurwerken (wegenisinfrastructuur) afzonderlijk in onverdeeldheid met toepassing van btw koopt, geen aftrek van btw zou moeten kunnen doen gelden niettegenstaande de voorziene afstand om niet.

32\. De betekenis van het cassatiearrest Les Grands Prés is dat er voor de aftrek van btw op infrastructuurwerken (wegeniswerken) niet meer enkel gekeken kan worden naar de onmiddellijk volgende uitgaande handeling (afstand om niet), maar dat er ook dient gekeken te worden naar de algemene economische activiteit van de betrokken belastingplichtige.

De DVB deelt de visie van de aanvrager dat een onderneming die een kavel koopt op het bedrijventerrein M en daarbij wordt verplicht om een overeenstemmend aandeel in de wegenisinfrastructuur te kopen om dit vervolgens om niet (kosteloos, gratis) af te staan aan de gemeente, al deze handelingen stelt louter om haar economische activiteit te kunnen uitoefenen. Geen enkele onderneming koopt haar aandeel in de wegenisinfrastructuur met de finale bedoeling om dit om niet (kosteloos, gratis) af te staan aan de gemeente. Daar eindigt haar verhaal immers niet, ondernemingen kopen aan én staan gratis af om hun economische activiteit te kunnen uitoefenen. Al de hiermee gepaard gaande kosten zijn te beschouwen als ‘overheadkosten’ die iedere rationeel handelende btw-plichtige doorrekent in zijn (ex hypothesi met btw te belasten) goederen en diensten. In die zin is het de logica zelve dat de in het kader van deze kosten verschuldigde btw door de betrokken btw-plichtige kan worden afgetrokken van de door hem af te dragen btw op zijn uitgaande handelingen.

33\. Het standpunt van de DVB kan aansluiten bij de principes zoals uiteengezet in het cassatiearrest Les Grands Prés en het Europees rechtersrecht. De rechtstreekse en onmiddellijke link is immers niet (steeds) een absoluut rechtstreeks verband dat alleen op transactieniveau moet worden bekeken.

De hiervoor aangehaalde principes inzake het recht op aftrek van btw bij een rechtstreeks en onmiddellijk verband met de algemene economische activiteit, kunnen bezwaarlijk anders worden begrepen naargelang de infrastructuurwerken (wegeniswerken) worden verkregen ingevolge een dienst aan de bouwheer dan wel ingevolge een levering (verkoop in onverdeeldheid) aan de latere bouwheer.

In het licht van het voorgaande (her)bevestigt de DVB dat:

• ook de bedrijven-kopers (die gratis afstand doen aan de overheid, in casu de gemeente F) bij hun aankoop de btw op de bedoelde wegeniswerken (op hun aandeel in de wegenisinfrastructuur) in aftrek kunnen brengen in de mate dat zij aftrekgerechtigd zijn voor hun economische activiteit, en dat;

• de gratis afstand aan de overheid geen aanleiding zal geven tot enige herziening van voorheen in aftrek genomen btw met betrekking tot de aanleg van deze wegeniswerken.

34\. Wat betreft beide laatstbedoelde standpunten (i.e. recht op btw-aftrek en geen negatieve herziening in hoofde van de bedrijven-kopers), wijst de DVB erop dat zij hierover een uitspraak doet als principe in de context van dit concreet wegenisproject van X.

Voor de uiteindelijke bedrijven-kopers die rechtszekerheid wensen, wordt een individuele voorafgaande beslissing echter noodzakelijk geacht op basis van hun concrete situatie.

## IV. Conclusie

35\. X kwalificeert voor de verkoop van de bedoelde onverdeelde aandelen in de nieuwe wegenisinfrastructuur als beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW en voor de werken in onroerende staat die door de aannemers voor rekening van X zullen worden uitgevoerd, is de verleggingsregeling (“regeling medecontractant”) zoals voorzien in artikel 51, § 4 W.BTW jo. [artikel 20 van het Btw-KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) toepasselijk.

36\. In de omstandigheden eigen aan de zaak wordt de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur aanvaard als aanvangstijdstip voor de berekening van de in artikel 44, § 3, 1° W.BTW bedoelde btw-nieuwheidstermijn en deze termijn tijdens dewelke de wegenisinfrastructuur aan de bedrijven-kopers van individuele bouwkavels kan worden overgedragen met toepassing van btw, eindigt volgens het College van de DVB in casu bijgevolg uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar van de voorlopige oplevering van het laatste onderdeel van de wegenisinfrastructuur dat essentieel is voor de ingebruikneming ervan en dit zonder kunstmatig uitstel.

37\. Het door X verschuldigde btw-tarief op de verkoop van wegeniswerken, is het standaardtarief zoals is voorzien in [artikel 1, lid 1 van het Btw-KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) en dat thans 21% bedraagt.

38\. De verkoop van de onverdeelde aandelen in de bedoelde nieuwe wegenisinfrastructuur (ten belope van p%, dus uitgezonderd het gedeelte van p’% ervan dat kosten betreft die voor btw niet worden aangemerkt als infrastructuurwerken/wegeniswerken die strekken tot nut van de kopers van de privékavels en bijgevolg niet het voorwerp uitmaken van de verkoop van de onverdeelde aandelen; zie randnr. 11 supra) door X is een met btw te belasten levering die aan de verkoper, X, volledig recht op btw-aftrek verleent op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.

39\. De bedrijven-kopers van een individuele bouwkavel kunnen de door hen betaalde btw op hun aandeel in de wegenisinfrastructuur die zij hebben moeten aankopen om vervolgens om niet (kosteloos, gratis) over te dragen aan de gemeente, in aftrek brengen in de mate dat zij aftrekgerechtigd zijn voor hun economische activiteit (en dus volledig in aftrek brengen op grond van artikel 45, § 1 W.BTW op voorwaarde dat al hun uitgaande handelingen met btw belast zijn of alleszins recht op btw-aftrek openen) en de om niet afstand van de wegenisinfrastructuur aan de gemeente dient in hoofde van de bedrijven-kopers geen aanleiding te geven tot enige herziening van voorheen in aftrek genomen btw met betrekking tot de aanleg van deze wegeniswerken.

40\. Wat deze laatste twee standpunten betreft (i.e. recht op btw-aftrek voor de bedrijven-kopers en geen negatieve herziening in hun hoofde), het College van de DVB erop wijst dat het hierover een uitspraak doet als principe in de context van dit concreet wegenisproject van X.

Voor de uiteindelijke bedrijven-kopers die rechtszekerheid wensen wordt een individuele voorafgaande beslissing noodzakelijk geacht op basis van hun concrete situatie (i.e. een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de beoogde kosten en de exploitatie van deze kopers).

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 1 art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) 8 voorkomens

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 4 voorkomens

[KB nr. 3 art. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen
