Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing -Zakelijke overwegingen, Belastingfraude of -ontwijking · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2025.0323 10 juni 2025

Zoeken

Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing -Zakelijke overwegingen, Belastingfraude of -ontwijkingVENNOOTSCHAPSBELASTING - Belastingneutrale partiële splitsing -Zakelijke overwegingen - Belastingfraude of –ontwijking - REGISTRATIERECHTEN - Inbreng van onroerende goederen - BTW - Overdracht van onroerend goed -Vrijstelling

https://juriel.be/nl/rulings/2025-0323-vennootschapsbelasting-belastingneutrale-partiele-splitsing-zakelijke-140c

Nummer
2025.0323
Datum
10 juni 2025

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

65 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2025.0323 d.d. 10.06.2025

VENNOOTSCHAPSBELASTING · Belastingneutrale partiële splitsing · Zakelijke overwegingen · Belastingfraude of –ontwijking

REGISTRATIERECHTEN · Inbreng van onroerende goederen

BTW · Overdracht van onroerend goed · Vrijstelling

Samenvatting

De partiële splitsing van de exploitatievennootschap NV A, die ertoe strekt om de onroerende goederen af te zonderen van de exploitatieactiviteiten en te centraliseren in één bestaande vastgoedvennootschap NV B, beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis WIB 92 en kan belastingneutraal plaatsvinden in toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92.

De partiële splitsing wordt belast met het evenredig registratierecht aan het tarief van 0% door een zuivere toepassing van het artikel 115bis, federaal W.Reg., evenwel met een minimumheffing gelijk aan het algemeen vast recht van 50 EUR bij toepassing van artikel 167, federaal W.Reg.

De overdracht van de onroerende goederen in het kader van de partiële splitsing is van btw vrijgesteld op basis van artikel 44, § 3, 1°, a), W.Btw.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe de bevestiging te krijgen dat:

1.1. de partiële splitsing van NV A, waarbij haar onroerende goederen worden overgedragen aan de bestaande vennootschap BV B, beantwoordt aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, § 1, vierde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft in de zin van artikel 183bis WIB 92;

1.2. voor de toepassing van de vennootschapsbelasting de boekhoudkundige en fiscale retroactiviteit van de voormelde partiële splitsing kan worden toegestaan;

1.3. de partiële splitsing van NV A onderworpen is aan het recht van 0% op basis van artikel 115bis en 120 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten (hierna federaal W.Reg.);

1.4. de partiële splitsing van NV A in toepassing van artikel 44, § 3, 1°, a), eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.Btw) met vrijstelling van btw kan worden doorgevoerd.

II. Omschrijving van de verrichtingen

2. NV A is een exploitatievennootschap. Ze is eigenaar van het bedrijfsgebouw (zijnde magazijn en kantoor) waarin ze haar bedrijfsactiviteit uitoefent. Tevens bezit ze een naastgelegen leegstaand onroerend goed. De aandelen van de vennootschap worden merendeel aangehouden door BV C en de natuurlijke persoon x (1 aandeel) die eveneens de aandelen aanhouden van BV B.

3. De beoogde verrichting betreft de partiële splitsing van NV A waarbij de voormelde onroerende goederen zullen worden overgedragen aan de bestaande groepsvennootschap BV B tegen uitreiking van aandelen aan de aandeelhouders van NV A. Er werd bevestigd dat er geen schulden meer rusten op de over te dragen onroerende goederen zodat er ook geen schulden zullen worden overgedragen.

III. Beslissing

III.A. Inzake de toepassing van de artikelen 183bis en 211, § 1, WIB 92

4. De in randnummer 3 omschreven verrichting beantwoordt aan de definitie van een met een splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/1, g), 1), WIB 92.

5. De partiële splitsing laat toe om de vastgoedactiviteit in een afzonderlijke vennootschap verder te beheren en te ontwikkelen. Door de afzondering van beide activiteiten kunnen strategische investeringsbeslissingen betreffende de ene of de andere activiteit sneller, efficiënter en autonoom gebeuren. Door het afzonderen van het vastgoed van de exploitatie kan het rendement van beide activiteiten beter worden opgevolgd. De exploitatievennootschap NV A kan zich focussen op haar corebusiness. De voorgenomen partiële splitsing heeft aldus tot doel het onafhankelijke beheer van zowel de exploitatieactiviteit als het vastgoed te waarborgen. Tevens wordt het onroerend goed beschermd tegen allerhande risico’s die inherent zijn aan de exploitatie. In dit verband werd door de aanvrager verklaard dat thans geen claims of vorderingen bij de vennootschap aanhangig zijn, zodat de afzondering van het vastgoed er niet toe strekt om zich aan bepaalde financiële verplichtingen te onttrekken.

6. De aanvrager heeft bevestigd dat het personeel zal behouden blijven binnen NV A, waaruit blijkt dat de behouden activiteit bij voortduur zal worden verder gezet bij de partieel gesplitste vennootschap. De aanvrager heeft verklaard dat de geplande verrichting geen negatieve impact zal hebben op de tewerkstelling.

7. NV A is winstgevend en heeft een belastbare basis. Ze beschikt niet over overgedragen fiscaal aftrekbare bestanddelen. De verkrijgende vennootschap BV B heeft fiscaal overgedragen verliezen. Aangezien BV B op basis van de indicatieve splitsingsstaat per xx/xx/xx een negatieve fiscale nettowaarde heeft, zullen de fiscaal overdraagbare verliezen van BV B volledig verloren gaan door toepassing van artikel 206, § 2, WIB 92.

8. De aanvrager heeft verklaard dat BV B een marktconforme huur zal aanrekenen aan NV A voor het gebruik van het onroerend goed. Uit de door de aanvrager verstrekte prognoses blijkt dat beide vennootschappen na de partiële splitsing financieel leefbaar zullen zijn.

9. De aanvrager heeft bevestigd dat de eigenvermogensbestanddelen zullen worden verdeeld in overeenstemming met artikel 213 WIB 92 en met de voorschriften van de fiscale administratie terzake. Dit blijkt ook uit het overgemaakte ontwerp van de splitsingsstaat. NV A beschikt over vrijgestelde reserves waarvoor reeds de nodige herbelegging werd verricht. Het als herbelegging aangeduide actief zal in het kader van de partiële splitsing behouden blijven binnen NV A. BV B heeft geen vrijgestelde reserves waarvoor eventuele herbeleggingsverplichtingen openstaan, zodat de partiële splitsing er niet toe strekt om de ingevolge de partiële splitsing verkregen activa aan te duiden als herbeleggingsactief ten name van de verkrijgende vennootschap.

10. De aanvrager heeft bevestigd dat er geen intentie bestaat om de aandelen van NV A en/of BV B na de partiële splitsing te vervreemden.

11. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de partiële splitsing van NV A plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis WIB 92.

12. De verkrijgende vennootschap BV B is een binnenlandse vennootschap.

13. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92 is voldaan, zodat de partiële splitsing van NV A kan worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.

III.B. Inzake de boekhoudkundige retroactiviteit

14. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag, inzonderheid t.a.v. voormeld boekhoudkundig retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:

14.1. met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband wordt opgemerkt dat een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maanden in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;

14.2. en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.

15. De partiële splitsing zal vanuit een juridisch perspectief doorgaan met een boekhoudkundige retroactiviteit naar xx/xx/xx. De aanvrager heeft bevestigd dat de boekhoudkundige retroactiviteitsperiode niet meer dan 6 maanden zal bedragen.

16. In het kader van de in randnummer 14.2 gestelde voorwaarde wordt inzonderheid gewezen op het feit dat de fiscale nettowaarden kunnen worden gemanipuleerd met het oog op een maximale overdracht van de fiscaal overdraagbare verliezen of DBI-aftrek door deze fiscale nettowaarden op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum (in plaats van op de juridische datum van de verrichting) in aanmerking te nemen (zie dienaangaande randnummer 211/14 van de administratieve commentaar op het WIB 92). Uit de cijfers blijkt dat enkel BV B over fiscaal overgedragen verliezen beschikt. De aanvragers hebben bevestigd dat tijdens de boekhoudkundige retroactiviteitsperiode geen uitzonderlijke verrichtingen zullen plaatsvinden die een wezenlijke impact zullen hebben op de fiscale nettowaarden van de te splitsen en verkrijgende vennootschappen.

17. Derhalve kan worden besloten dat de boekhoudkundige retroactiviteit een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat en op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard.

III.C. Inzake de toepassing van de artikelen 115bis en 120, federaal W.Reg.

18. Uit de door de aanvragers voorgelegde splitsingsstaat blijkt dat bedrijfsvastgoed zonder schulden door NV A zal worden afgesplitst naar de verkrijgende vennootschap BV B.

19. Artikel 115bis, federaal W.Reg. bepaalt dat de inbrengen van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning worden aangewend of voor bewoning bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden, in burgerlijke vennootschappen of handelsvennootschappen waarvan de zetel van werkelijke leiding in België gevestigd is, of de statutaire zetel in België en de zetel van werkelijke leiding buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Gemeenschap gevestigd is, aan het recht van 0% worden onderworpen.

20. Artikel 120, federaal W.Reg. bepaalt dat wanneer een inbreng in vennootschap gedeeltelijk vergolden wordt anders dan bij toekenning van maatschappelijke rechten, de overeenkomst, naarmate van deze vergelding, wordt onderworpen aan de rechten zoals ze in dit hoofdstuk vastgesteld zijn voor de overeenkomsten onder bezwarende titel die goederen van dezelfde aard tot voorwerp hebben. Zo een inbreng met onroerende goederen vermeld in artikel 115bis en goederen van een andere aard begrijpt, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergelding van bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht enkel op laatstbedoelde rechten betrekking te hebben. Deze bepalingen zijn evenwel niet toepasselijk bij inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, federaal W.Reg.

21. Artikel 167, federaal W.Reg. bepaalt dat wanneer er niet anderszins bij deze titel over beschikt is, het bedrag van het op een akte of een verklaring te heffen evenredig recht niet minder dan het algemeen vast recht mag bedragen.

22. De aanvragers hebben bevestigd dat de verkrijgende vennootschap haar zetel van werkelijke leiding in België heeft.

23. Voor het overzicht van de aan de betrokken vennootschap over te dragen bestanddelen kan worden verwezen naar de overgemaakte splitsingsbalans. In casu worden bedrijfsgebonden onroerende goederen ingebracht door een vennootschap. Het betreft dus geen inbreng van een voor bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijk persoon.

24. Aangezien de partiële splitsing volledig wordt vergoed in aandelen waarbij er geen overname van schuld noch enige opleg in contanten is op datum van het verlijden van de notariële akte, is in casu artikel 120, federaal W.Reg. niet van toepassing.

25. Derhalve kan worden besloten dat de partiële splitsing van NV A zal worden belast met het evenredig registratierecht aan het tarief van 0% door een zuivere toepassing van artikel 115bis, federaal W.Reg., evenwel met een minimumheffing gelijk aan het algemeen vast recht van 50 EUR bij toepassing van artikel 167, federaal W.Reg.

26. Voor de toepassing van de registratierechten worden de verrichtingen beoordeeld op het tijdstip van de verrichting zelf, zijnde de datum van het verlijden van de notariële akte, zonder retroactiviteit.

III.D. Inzake de toepassing van artikel 44, § 3, 1°, a), W.Btw op de partiële splitsing

27. Artikel 44, § 3, 1°, a), W.Btw stelt vrij van btw:

a) de levering van uit hun aard onroerende goederen.

Worden evenwel uitgesloten de levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, wanneer hun vervreemding wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, door:

- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen;

- hetzij een in artikel 8, § 1, beoogde belastingplichtige;

- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling een dergelijke vervreemding te verrichten met voldoening van de belasting;”

28. De over te dragen onroerende goederen werden door de aanvrager verworven in het verleden.

29. De uitgevoerde werken aan de onroerende goed(eren) hadden volgens de aanvrager verbetering van het gebouwcomplex tot voorwerp, namelijk de renovatie van de burelen van het bedrijfscomplex in xxxx, zonder dat deze resulteerden in de totstandkoming van een nieuw gebouw.

30. De aanvrager verklaart dat de over te dragen onroerende goederen voor de btw-doeleinden niet als “nieuwe gebouwen” kunnen worden beschouwd. De DVB deelt mee deze criteria niet te hebben onderzocht.

31. De over te dragen onroerende goederen worden tot op heden van dit schrijven niet verhuurd.

32. Derhalve kan worden besloten dat de overdracht van de onroerende goederen in het kader van de partiële splitsingen van btw is vrijgesteld op basis van artikel 44, § 3, 1°, a), W.Btw.

33. De aanvragers dienen desgevallend spontaan de nodige herzieningen van de btw-aftrek te doen met betrekking tot onroerende goederen.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 441 voorkomen