Vennootschapsbelasting, Vaste inrichting, Inkomstenbelasting, Belgische inrichting -Belasting der niet · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2023.0510 10 oktober 2023

Zoeken

Vennootschapsbelasting, Vaste inrichting, Inkomstenbelasting, Belgische inrichting -Belasting der nietVennootschapsbelasting - Vaste inrichting - Inkomstenbelasting - Belgische inrichting -Belasting der niet – inwoners - BTW - Plaats van de dienst

https://juriel.be/nl/rulings/2023-0510-vennootschapsbelasting-vaste-inrichting-inkomstenbelasting-belgische-7720

Nummer
2023.0510
Datum
10 oktober 2023

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

79 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2023.0510 d.d. 10.10.2023

Vennootschapsbelasting · Vaste inrichting · Inkomstenbelasting · Belgische inrichting · Belasting der niet – inwoners

BTW · Plaats van de dienst

Samenvatting

Er werd beslist dat:

1. Zolang X gevestigd is in Liechtenstein zullen de activiteiten, welke X uitoefent in België, naar Belgisch recht, conform artikel 229 WIB92, aanleiding geven tot het ontstaan van een Belgische vaste inrichting. Met betrekking tot de besproken activiteiten in deze beslissing zal er echter geen winst aan deze vaste inrichting worden toegeschreven;

2. X voor de goederen – aanwezig in de Belgische bedrijfsruimten van Z – die ze in 'flash title'-eigendom krijgt en waarmee ze op het Belgische grondgebied belastbare handelingen verricht (d.w.z. lokale aankopen van goederen gevolgd door lokale en intracommunautaire leveringen van goederen), geen aanleiding geven tot een vaste inrichting voor btw- doeleinden in België, aangezien X's bedrijfsgerelateerde beslissingen en beheer van operationele processen volledig zullen plaatsvinden in en zullen worden uitgevoerd vanuit Liechtenstein, d.w.z. de plaats waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van X gevestigd is;

3. Daar X geen vaste inrichting voor btw-doeleinden in België heeft, zal zij belastbare handelingen op het Belgische grondgebied verrichten als een niet in België gevestigde vennootschap. Dientengevolge zullen de lokale leveringen van goederen in België onderworpen zijn aan het lokaal verleggingsmechanisme overeenkomstig artikel 51, §2, 5° van het Belgische Btw- Wetboek, waarbij de belasting verschuldigd is door de klanten van X die in België gevestigd zijn of die voor Belgische btw-doeleinden zijn geregistreerd via de aanduiding van een individueel aansprakelijke vertegenwoordiger;

4. X ook voor het ontvangen van de diensten - als weergegeven in onderhavige beslissing - de algemene regel inzake de plaats van de dienst van toepassing is ingevolge artikel 21 van het Belgische Btw-Wetboek, waarbij de plaats van vestiging van de ontvanger van de diensten (X), de plaats van bedrijfsuitoefening (Liechtenstein) is.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:

1.1. Zolang de entiteit in Liechtenstein is gevestigd, zal de 'flash title'-eigendom van de goederen door X in de Belgische bedrijfsruimten van Z aanleiding geven tot een Belgische inrichting op grond van artikel 229 van het Belgische Wetboek van de inkomstenbelastingen ('WIB 92') op het niveau van X en dat die voorraad niet zal leiden tot de allocatie van winst aan die Belgische inrichting. De belastingaangifte zou dus een nihilaangifte moeten zijn.

1.2. Hoewel X de goederen in de Belgische bedrijfsruimten van Z in 'flash title'-eigendom krijgt en niettegenstaande de belastbare handelingen die X op het Belgische grondgebied verricht (d.w.z. lokale aankopen van goederen gevolgd door lokale en intracommunautaire leveringen van goederen), zou dit op het niveau van X geen aanleiding geven tot een vaste inrichting voor btw- doeleinden in België, aangezien X zijn bedrijfsgerelateerde beslissingen en beheer van operationele processen volledig zullen plaatsvinden in en zullen worden uitgevoerd vanuit Liechtenstein, d.w.z. de plaats waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van X gevestigd is.

1.3. De algemene regel inzake de plaats van de dienst, waarbij de plaats van vestiging van de ontvanger van de diensten (X) zijn plaats van bedrijfsuitoefening (Liechtenstein) is, van toepassing is ingevolge artikel 21 van het Belgische Btw-Wetboek.

1.4. Aangezien X geen vaste inrichting voor btw-doeleinden in België heeft, zal het aldus zijn belastbare handelingen op het Belgische grondgebied verrichten als een niet in België gevestigde vennootschap. Als gevolg daarvan zullen de lokale leveringen van goederen in België onderworpen zijn aan het lokaal verleggingsmechanisme overeenkomstig artikel 51, §2, 5° van het Belgische Btw- Wetboek, waarbij de belasting verschuldigd is door de klanten van X die in België gevestigd zijn of die voor Belgische btw-doeleinden zijn geregistreerd via de aanduiding van een individueel aansprakelijke vertegenwoordiger.

II. Beslissing

2. De aanvrager heeft in de aanvraag de voorwaarden vervat in de artikelen 21 en 22 van de voormelde wet van 24 december 2002 nageleefd.

3. De groep wordt beschouwd als ’s werelds grootste producent bepaalde producten en distributeur van diverse tussenproducten alsook (afgewerkte) consumentenartikelen, zoals decoratieve en functionele objecten, geschenken en accessoires

4. X is een in Liechtenstein gevestigde entiteit die ongeveer xxx voltijds equivalenten in dienst heeft. X fungeert als distributiemaatschappij binnen de groep.

5. X bezit een kantoor en heeft zijn eigen management in Liechtenstein. Verder is X volgens de aanvrager in geen enkel ander EU-land gevestigd, voor BTW doeleinden is zij geregistreerd in Liechtenstein en Oostenrijk.

II.A. Belgische vaste inrichting

6. Artikel 229 WIB 92 definieert wat dient te worden begrepen onder het begrip Belgische inrichting:

7. Artikel 229, §1 WIB92 definieert een materiële Belgische inrichting als: onder de uitdrukking “Belgische inrichting” wordt verstaan elke vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de beroepswerkzaamheden van een buitenlandse onderneming geheel of gedeeltelijk in België worden uitgeoefend. Een vaste bedrijfsinrichting vormt in het bijzonder: 1° een plaats waar leiding wordt gegeven; 2° een filiaal; 3° een kantoor; 4° een fabriek; 5° een werkplaats; 6° een agentuur; 7° een mijn, een steengroeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen; 8° een bouw- of constructiewerk waarvan de duur een ononderbroken periode van 30 dagen overschrijdt; 9° een opslagplaats; 10° een goederenvoorraad.

8. Artikel 229, §2 WIB92 definieert een personele Belgische inrichting als: Een Belgische inrichting is eveneens de vertegenwoordiger, niet zijnde een onafhankelijke tussenhandelaar optredend in het normale kader van zijn activiteit, die in België werkzaam is voor een niet-inwoner als bedoeld in artikel 227 WIB 92, zelfs wanneer de vertegenwoordiger geen machtiging bezit om namens die niet-inwoner overeenkomsten te sluiten.

9. Artikel 229, §2/1 WIB92 definieert een Belgische diensteninrichting als: Wanneer een buitenlandse onderneming in België voor eenzelfde of voor met elkaar verband houdende projecten diensten levert door middel van één of meer natuurlijke personen die in België aanwezig zijn en er die diensten leveren gedurende een tijdvak of tijdvakken waarvan de duur in het totaal 30 dagen te boven gaat of gaan tijdens enig tijdperk van twaalf maanden, vormen de werkzaamheden die in België in het kader van die levering van diensten worden uitgeoefend een Belgische inrichting.

10. Gezien het Belgische interne recht een goederenvoorraad uitdrukkelijk als Belgische inrichting aanmerkt zal X geacht worden in België over een Belgische inrichting te beschikken en dit louter door het feit dat X de goederen aan zakelijke klanten verkoopt onder 'flash title'-eigendom.

11. De aanvrager bevestigt dat er geen personeel van X werkzaam is in België. Verder bezit X geen enkele andere ruimtes of kantoren in België. De opslagruimtes die besproken worden in deze beslissing zijn eigendom van Z en X heeft hier volgens de aanvrager geen enkel beschikkingsrecht over.

12. Aangezien volgens de aanvrager alle diensten die in België worden uitgeoefend, uitbesteed worden aan een derde partij, Z, moet de vergoeding die hiervoor betaald wordt uit zijn aard beschouwd worden als zijnde marktconform. Hierdoor wordt dan ook reeds voorzien in een winstallocatie voor de diensten die worden verricht in België. Een bijkomende winstallocatie aan de Belgische inrichting is volgens bovenstaande analyse dan ook niet nodig.

II.B. BTW luik

13. Het begrip vaste inrichting voor btw-doeleinden is niet identiek aan “de vaste inrichting” bij directe belastingen (1). Dit omdat ze elk binnen hun materie, hun eigen rechtsgrondslag en derhalve hun eigen toepassingsgebied hebben. Om voormelde redenen geldt het inzake directe belastingen door de DVB ingenomen standpunt niet inzake btw, maar dringt een afzonderlijke analyse zich op.


[(1) FCE Bank Plc, C-210/04, randnummer 39]


II.B.1. Vaste inrichting voor btw-doeleinden

14. Artikel 4, § 1, van het Btw-wetboek omschrijft de btw-plichtige als, eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

15. Voormelde houdt in dat een niet in België gevestigd (rechts)persoon die buiten België een activiteit als belastingplichtige in de zin van het Wetboek uitoefent, voor de handelingen (leveringen van goederen en diensten) die hij hier te lande verricht, voor de toepassing van de Belgische btw-wetgeving beschouwd wordt als een belastingplichtige.

16. De regeling welke van toepassing is op de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België leveringen of diensten verrichten, verschilt evenwel naargelang ze in België al dan niet over een vaste inrichting beschikken.

17. Het begrip “vaste inrichting”, wordt niet gedefinieerd in het Belgische btw-wetboek, noch in de btw-richtlijn 2006/112/EG.

18. We dienen terug te grijpen naar de uitvoeringsverordening nr 282/2011, genomen ter uitvoering van de btw-richtlijn 2006/112/EG, in het bijzonder hoofdstuk V, artikel 10 en 11 hierna geciteerd. Alwaar in artikel 10, voormeld, de criteria aangereikt worden om de plaats van de zetel van bedrijfsuitoefening te kunnen bepalen, alvorens in artikel 11, voormeld, de criteria weer te geven opdat men zou kunnen oordelen of en wanneer er een vaste inrichting voor btw-doeleinden bestaat.

“1. Voor de toepassing van de artikelen 44 en 45 van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder de plaats waar een belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, de plaats verstaan waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend.

2. Om te bepalen waar de in lid 1 bedoelde plaats gelegen is, wordt rekening gehouden met de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen, de plaats van de statutaire zetel van het bedrijf en de plaats waar de bestuurders van het bedrijf bijeenkomen.

Wanneer op grond van deze criteria niet met zekerheid kan worden bepaald waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van een bedrijf is gevestigd, is de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen het doorslaggevende criterium.

3. Het enkele bestaan van een postadres is ontoereikend om dat adres aan te merken als de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige.

Artikel 11

1. Voor de toepassing van artikel 44 van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken.

2. Voor de toepassing van de volgende artikelen wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een — wat personeel en technische middelen betreft — geschikte structuur om de door haar te verrichten diensten te kunnen verstrekken:

a) artikel 45 van Richtlijn 2006/112/EG;

b) vanaf 1 januari 2013, artikel 56, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG;

c) tot en met 31 december 2014, artikel 58 van Richtlijn 2006/112/EG;

d) artikel 192 bis van Richtlijn 2006/112/EG.

3. Het hebben van een btw-identificatienummer volstaat niet om te besluiten dat een belastingplichtige een vaste inrichting heeft.

19. Hoewel men in voormelde artikelen verwijst naar artikel 44 en 45 van de Richtlijn 2006/112/EG, die betrekking hebben op diensten, mag gesteld dat de definitie ook geldt voor de leveringen (2).


[(2) VAT Committee Working Paper nr. 857, Taxud. c.1 (2015)2177802, 6 mei 2015, p. 4.]


20. In het “VAT Committee Working Paper nr 857 wordt daarenboven benadrukt dat het louter overbrengen van goederen van de ene lidstaat naar een andere om deze vervolgens vanuit deze laatste te leveren, geen vaste inrichting mag veronderstellen in hoofde van degene die deze goederen overbrengt. Men benadrukt zelfs dat het loutere bestaan van een opslag/entrepot in een lidstaat op zich niet voldoende is om voor btw-doeleinden te concluderen dat de belastingplichtige aldaar over een vaste inrichting beschikt. Enkel de toetsing aan de elementen opgenomen in artikel 11, voormeld, laten dit toe. Het feit dat in casu de belastingplichtige buiten de E.U. gevestigd is doet geen afbreuk aan hetgeen hiervoor vermeld wat het al dan niet bestaan van een vaste inrichting dienaangaande betreft.

21. Dien ten gevolge moet vooreerst bepaald worden waar X zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft, vooraleer te onderzoeken of X over een vaste inrichting beschikt en mocht dit laatste het geval zijn in welke mate die vaste inrichting geacht wordt belastbare handelingen te stellen dan wel tussen te komen.

II.B.2. In concreto - Zetel van bedrijfsuitoefening

De aanvragers bevestigen :

21.1. dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van X in Liechtenstein zal blijven. Alle beslissingen omtrent de gerelateerde distributieactiviteiten van X, zoals hierna verder opgesomd, zullen genomen en meegedeeld worden vanuit Liechtenstein en zullen geen aanwezigheid in België vereisen.

21.2. dat na het opzetten van het distributiemodel voor de EMEA-regio en rekening houdend met de nieuwe goederenstromen waarbij X in België betrokken is :

21.2.1. de Belgische opslagplaats eigendom is van en geëxploiteerd wordt door Z, dat ook vergelijkbare opslagdiensten zal verrichten voor zijn andere klanten. Y en Z hebben een opslagovereenkomst ondertekend die X zal waarborgen bij het doorgeven van haar aankooporders en voor het ontvangen van de facturen voor het transport;

21.2.2. de kosten van het transport voor X, naar haar klanten binnen de Europese markt rechtstreeks door Z aan X gefactureerd zullen worden. X slechts de 'flash title'-eigendom heeft van de goederen die zich bevinden in de opslagplaats van Z (voor de Europese markt die door X wordt bediend). X geen enkele toegang tot de opslagplaats heeft en enkel contact heeft met Z voor het vervoer van goederen naar de Europese markt;

21.2.3. X geen wettelijke vertegenwoordigers of werknemers zal hebben, met of zonder bindende bevoegdheden, die in België werken of fysiek in België aanwezig zijn voor de opslag of enige andere activiteit. Alle opslag- en reparatieactiviteiten door Y gecoördineerd worden. X zal in België geen andere middelen of activa hebben dan de voorraad (onder 'flash title'-eigendom).

II.C. Beoordeling van de zetel van bedrijfsuitoefening voor uitgaande handelingen in casu de levering van goederen in hoofde van X en anderzijds voor inkomende handelingen - vervoersdiensten

22. De plaats waar X als leverancier van de goederen zijn zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, is het voornaamste aanknopingspunt om de tot voldoening van de btw gehouden aansprakelijke te kunnen bepalen bij de lokale levering van goederen vanuit de EMEA-voorraad die zich in België bevindt.

23. Deze zetel van de bedrijfsuitoefening wordt niet beïnvloed door het gegeven dat men de goederenvoorraad op een andere plaats, in een ander land, aanhoudt wanneer men het enkel bij die derde – logistiek- onderbrengt. In casu dient zelfs opgemerkt dat X niet degene is die de goederen onderbrengt bij Z in België, maar deze middels “flash title” verwerft in het kader van leveringen aan haar EU klanten

24. Hoewel de zetel van de bedrijfsuitoefening hierboven is aangetoond en voldoende is voor het bepalen van de btw-plichtigheid voor zijn levering van goederen in België, is het hanteren van het begrip ‘vaste inrichting’ (voor btw-doeleinden) daarenboven alleen mogelijk in het geval dat de plaats waar de zetel van de bedrijfsuitoefening gevestigd is niet tot een rationele oplossing leidt of een conflict met een andere lidstaat doet ontstaan.

25. Daarom worden de navolgende elementen verder onderzocht :

25.1. Personeel

Een vaste inrichting moet beschikken over personeel die diensten of goederen kunnen leveren dan wel diensten kunnen afnemen en goederen in gebruik kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de economische activiteit.

De aanvrager verklaart dat X zelf niet over personeel in België zal beschikken. X geen wettelijke vertegenwoordigers of werknemers zal hebben, met of zonder bindende bevoegdheden, die in België actief zijn of fysiek in België aanwezig zijn om activiteiten uit te voeren. De werknemers die de opslagplaats in België beheren, zullen uitsluitend toebehoren aan Z. Z handelt louter als onafhankelijke onderaannemer ten aanzien van Y, zonder dat iemand hiërarchisch gezag ten aanzien van haar personeel kan uitoefenen. Ook X zal geen hiërarchisch gezag kunnen uitoefenen. X heeft bovendien geen rechtstreeks contract met Z. X zal de kaderovereenkomst tussen Y en Z waarborgen bij de regeling van het transport naar haar Europese klanten. Zo zal ze aankooporders uitvaardigen aan Z die op zijn beurt rechtstreekse facturen bezorgt aan X. X doet geen beroep op lokaal Belgisch personeel.

Zij bevestigen dat bovendien noch Y noch Z contacten zal hebben met X zijn zakelijke klanten. Contracten met X zijn zakelijke klanten zullen door X in Liechtenstein worden onderhandeld, geëvalueerd en zo nodig herzien, gewijzigd en ondertekend. De relaties met zijn klanten zullen worden behandeld door X (via het in Liechtenstein gevestigde klantenserviceteam), zonder enige tussenkomst van Z. De aanvrager merkt op dat aangezien X niet over afzonderlijk logistiek personeel beschikt, het in Liechtenstein gevestigde logistieke team van Y contact kan hebben met de klantendiensten van X.

Hieruit volgt dat geconcludeerd mag worden dat X in België niet over personeel noch rechtstreeks noch onrechtstreeks zal beschikken.

25.2. Technische middelen

Vaststellende dat de aanvrager verklaart dat X niet beschikt over technische/productiemiddelen en evenmin over machines, motorvoertuigen, kantoren of enigerlei faciliteiten in België.

Dat de Belgische opslagplaats eigendom is van en geëxploiteerd wordt door Z, dat ook vergelijkbare opslagdiensten zal verrichten voor zijn andere klanten. Y en Z een opslagovereenkomst ondertekend hebben die X waarborgt bij de uitoefening van haar activiteiten. Dat gezien X slechts de 'flash title'-eigendom heeft van de goederen die zich bevinden in de opslagplaats van Z (voor de EU-markt die door X wordt bediend), heeft X geen enkele toegang tot de opslagplaats en heeft enkel contact met Z voor het Europese vervoer.

Om voormelde redenen dient beslist dat X noch voor haar uitgaande handelingen noch voor haar inkomende handelingen, in België beschikt over een vaste inrichting.

Aangehaalde teksten

7