Fiche van de FOD Financiën
Vennootschapsbelasting · Aftrekbare beroepskosten · Afschrijving
BTW · Recht op aftrek
Samenvatting
1. Zolang het activum voor de in de aanvraag omschreven activiteit aangewend wordt vormen die kosten een aftrekbare beroepskost voor zover aan de in artikel 49 WIB 92 gestelde voorwaarden wordt voldaan, en een afschrijvingstermijn van 10 jaar voor de afschrijvingen van het activum mag overeenkomstig artikel 61 WIB 92 als redelijk worden beschouwd.
2. Aangezien de aanvrager, op ondubbelzinnige wijze het voornemen heeft kenbaar gemaakt om een bijkomende economische activiteit aan te vangen en de voorgenomen activiteit het recht op aftrek van btw verleent, moet worden vastgesteld dat de aanvrager recht op aftrek heeft van de input-btw geheven van de aan haar geleverde goederen en verleende diensten die gebruikt worden voor de uitoefening van voormelde nieuwe activiteit.
3. Dit recht op aftrek is definitief verworven, voor zover de aangekochte goederen en diensten geen andere bestemming krijgen die tot een btw-herziening zouden nopen en/of onder voorbehoud van specifieke herzieningsregels in het kader van de stopzetting van de economische activiteit.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen:
1.1. van de goedkeuring voor de afschrijving van vaste activa volgens de in de aanvraag toegelichte principes in het kader van de berekening van de vennootschapsbelasting en dit overeenkomstig artikel 61 WIB92;
1.2. dat X aangetoond heeft het voornemen te hebben om, naast haar huidige activiteit, een aanvang te maken met een bijkomende economische activiteit die tot belastbare handelingen zal leiden hiervoor de hoedanigheid van BTW belastingplichtige heeft met recht op aftrek conform artikel 45 Wbtw.
II. Beslissing
2. De aanvrager heeft in de aanvraag de voorwaarden vervat in de artikelen 21 en 22 van de voormelde wet van 24 december 2002 nageleefd.
3. Sinds mm/yyyy is de heer Y als ambtenaar op pensioen, en is sindsdien tewerkgesteld in de sector van de verzekeringsexpertise.
4. In yyyy nam de heer Y een slapende vennootschap (op heden X) over, en dit om te starten als zelfstandige in bijberoep. X is eenmansvennootschap die schadeclaimdossiers op het terrein uitwerkt en verslag levert aan de verzekeringsmaatschappij.
5. Het is de bedoeling van X om haar activiteiten uit te breiden naar een bijkomende activiteit.
6. Het plan bestaat er in een bouwpakket aan te schaffen en te vervaardigen, om uiteindelijk ingezet te worden voor de activiteit. De keuze om het zelf te bouwen is bedoeld om de kosten te spreiden in de tijd en om te besparen op arbeidsloon. Voor de bouwperiode zou een duur van # jaar weerhouden zijn.
7. Voor de aankoop van het bouwpakket zou beroep gedaan worden op een financiering van # EUR op # jaar tijd. Tijden de bouw zou de activiteit inzake expertiseopdrachten voor verzekeringen gedeeltelijke blijven doorgaan en voor een gemiddelde inkomen van # EUR per maand zorgen.
8. Om het activum te kunnen afwerken zou extra kapitaal vereist zijn tijdens het laatste jaar van de bouw (de vaste inkomsten voldoen niet om alle kosten te dekken en de afbetaling van de lening is lopend). Dit bedrag wordt actueel geraamd op # EUR en zou als eigen vermogen ingebracht worden in het kapitaal van de vennootschap.
9. Vanaf de exploitatie zouden nog enkel de vaste kosten eigen aan de activiteit gelden.
10. Vanaf de opstart zou de activiteit geleidelijk zorgen voor de eerste bruto inkomsten. De netto overblijvende marge zou afhangen van de omvang van de som der eenmalige en recurrente kosten. Vanaf de exploitatie zouden de opbrengsten ruimschoots de vaste kosten overtreffen.
II.A. Vennootschapsbelasting
11. Artikel 49 WIB92 stelt:
"Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt."
12. In het kader van haar nieuw te ontwikkeling beroepsactiviteit zal X een bouwpakket aankopen. Het is de bedoeling om het activum na voltooiing in te zetten voor de nieuwe activiteit.
13. De aankoop kadert in de (nieuw te ontwikkelen) beroepswerkzaamheid van X. De kosten die betrekking hebben op het activum zijn ten name van X een aftrekbare beroepskost, en dit voor zover ze aan de in artikel 49 WIB 92 gestelde voorwaarden voldoen.
14. Artikel 61 WIB92 stelt:
"Afschrijvingen worden als beroepskosten aangemerkt naar de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde en voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan.
Onder aanschaffings- of beleggingswaarde wordt verstaan, volgens het geval, de aanschaffingsprijs, de vervaardigingsprijs, de inbrengwaarde of, met betrekking tot een recht van gebruik van materiële vaste activa waarover de onderneming bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of van opstal beschikt of met betrekking tot een gelijkaardig onroerend recht, het deel van de contractueel bepaalde termijnen dat overeenstemt met het weer samen te stellen kapitaal ter waarde van het goed waarop het contract of de overeenkomst betrekking heeft, met dien verstande dat deze begrippen de betekenis hebben die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen."
15. De periode waarover de investering mag worden afgeschreven wordt voornamelijk beïnvloed door de duurzaamheid van en de gebruiksintensiteit.
16. De vaste installaties worden volgens de aanvrager afgeschreven op # jaar. Tijdens de exploitatie zou het activum volgens de aanvrager afgeschreven worden volgens de werkelijke waarde op # jaar. Deze duur komt volgens de aanvrager overeen met de gemiddelde levensduur van de hoofdcomponenten van het activum mits normaal gebruik.
17. Voor de afschrijving van het activum mag een periode van # jaar als redelijk worden beschouwd, zolang het activum voor de in de aanvraag omschreven activiteit aangewend wordt.
II.B. BTW
18. Artikel 45 Wbtw bepaalt :
"§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."
19. Uit voormelde wettekst blijkt dat een btw-plichtige de hem aangerekende btw op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in aftrek mag brengen, mits hij aantoont dat hij voormelde gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
20. Hieruit volgt dat twee voorwaarden moeten voldaan zijn. Ten eerste moet de betrokkene de hoedanigheid van btw-plichtige bezitten. Ten tweede moeten de aangekochte goederen en diensten door de btw-plichtige aangewend worden voor de uitoefening van zijn economische activiteit die het verrichten van belastbare handelingen moet omvatten.
21. Er dient in onderhavige aanvraag vastgesteld te worden dat :
- de aanvrager reeds btw-plichtige is met recht op aftrek, weliswaar voor een andere economische activiteit zijnde deze van schade expert in verzekeringen
- de aanvrager middels onderhavige aanvraag meldt dat hij beoogt om ten vroegste vanaf XX een bijkomende nieuwe economische activiteit aan te vatten, maar daartoe binnen afzienbare tijd een bouwpakket dient in te voeren en bijkomende goederen en diensten dient aan te schaffen, vereist om met voormeld bouwpakket een bedrijfsmiddel te creëren waarmee belastbare handelingen verricht zullen worden
hetgeen ertoe leidt dat onderzocht moet worden of op heden de voorgenomen investeringen en kosten voldoen aan het verband beoogd door artikel 45 §1, 1° Wbtw .
Erop wijzend dat het aanvaarden op heden van een recht op aftrek als beoogd door artikel 45, §1, 1° WBTW, een btw herziening, een aanvang nemend bij een al dan niet gehele ingebruikname van het bedrijfsmiddel, niet in de wegstaat.
22. Daar de op heden door de aanvrager c.q. belastingplichtige uitgeoefende activiteit volkomen losstaat van de voorgenomen activiteit – voorwerp van onderhavige beslissing – moet voor de analyse uitgegaan worden van het onderzoek naar de relatie tussen de intentie om belaste handelingen te stellen – nieuwe activiteit - en de daaruit voortvloeiende btw-hoedanigheid en in casu het ermee verbandhoudende recht op aftrek van btw.
23. Door het Hof van Justitie (1) werd reeds meermaals verduidelijkt dat economische activiteiten, in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek, in verscheidene opeenvolgende handelingen kunnen bestaan, en dat de voorbereidende handelingen, zoals de verkrijging van bedrijfsmiddelen reeds tot de economische activiteiten moeten worden gerekend. Aldus worden de eerste investeringsuitgaven die nauw verband houden met en noodzakelijk zijn voor de toekomstige exploitatie en aldus worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, reeds als economische activiteiten aangemerkt.
[(1) Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest D. A. Rompelman en E. A. Rompelman-Van Deelen tegen Minister van Financiën, zaak C-268/83, van 14.02.1985, punten 22 tot 24]
24. Om voormelde redenen dient volgens het Hof ieder die dergelijke voorbereidende handelingen verricht bijgevolg als belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek beschouwd te worden en kan de BTW geheven van de op die handelingen betrekking hebbende kosten overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 van voornoemd Wetboek in aftrek gebracht worden.
25. Het Hof benadrukt dienaangaande wel dat de hoedanigheid van belastingplichtige slechts definitief wordt verworven, indien de verklaring van het voornemen om een aanvang te maken met de beoogde economische activiteiten, door de belanghebbende te goeder trouw is afgelegd. In geval van fraude of misbruik, bijvoorbeeld wanneer de betrokkene heeft voorgewend een bepaalde economische activiteit te willen verrichten, maar de goederen waarvan de btw in aftrek werd gebracht in werkelijkheid in zijn privévermogen wil opnemen, zal de administratie met terugwerkende kracht terugbetaling van de in aftrek gebrachte voorbelasting vorderen en dit omdat deze aftrek op basis van valse verklaringen werd verleend.
26. Het Hof (2) besliste voorts dat een belastingplichtige die als zodanig handelt, de belasting over de toegevoegde waarde mag aftrekken die hij verschuldigd is voor goederen of diensten die hem zijn geleverd, respectievelijk verstrekt voor investeringswerken welke bestemd zijn om te worden gebruikt in het kader van belaste handelingen. Het recht op aftrek blijft verworven, wanneer de belastingplichtige wegens omstandigheden buiten zijn wil deze goederen en diensten nooit heeft gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. In voorkomend geval kan de levering van investeringsgoederen gedurende de herzieningsperiode aanleiding zijn voor een herziening van de aftrek onder de voorwaarden van artikel 20, lid 3, van de richtlijn (3) .
[(2) HvJ 15-01-1998 Ghent Coal Terminal C-37/95.]
[(3) Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977
27. Volgens de algemene regel is het aanvangstijdstip van de herzieningstermijn van de aftrek 1 januari van het jaar waarin de bedrijfsmiddelen in gebruik werden genomen (artikel 9, § 1, (nieuw), van koninklijk besluit nr. 3, voornoemd, van kracht sinds 27.05.2019).
28. De samenlezing van voormelde arresten leidt ertoe dat gesteld mag worden dat eenieder die de intentie heeft belastbare handelingen te stellen en dit voornemen kan aantonen en onderbouwen, principieel als belastingplichtige aangemerkt wordt – en mits - de voorgenomen belastbare handelingen een recht op aftrek zouden verstrekken, betrokkene ook de btw op voorbereidende handelingen zelfs investeringshandelingen in aftrek mag brengen, maar voormelde btw op bedrijfsmiddelen aan btw-herziening onderhevig zijn.
29. Voormelde houdt in dat de DVB vooreerst onderzoekt of de aanvrager kan aantonen dat hij de intentie heeft om belastbare handelingen te verrichten met het activum, of deze belastbare handelingen toegang verlenen tot het recht op aftrek en vervolgens bepaald op welk tijdstip er sprake is van een ingebruikname van het activum.
30. Uit het aan de DVB voorgelegde business plan in combinatie met de verklaring van de bestuurder mag afgeleid worden dat de aanvrager middels de bestuurder de intentie heeft om met het zelf te bouwen bedrijfsmiddel belastbare handelingen te stellen.
31. Dat het tijdstip waarop de btw herzieningstermijn een aanvang neemt bepaald wordt door het tijdstip van ingebruikname.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.