Fiche van de FOD Financiën
Voorafgaande beslissing nr. 2023.0267 d.d. 23.05.2023
Vennootschapsbelasting · Belastingneutrale partiële splitsing · Zakelijke overwegingen · Belastingfraude of –ontwijking · Antimisbruikbepaling
BTW · Overdracht van een bedrijfsafdeling
Samenvatting
De partiële splitsing van de exploitatievennootschap X waarbij een onderscheiden activiteit wordt overgedragen aan een recent opgerichte Belgische vennootschap Y en die kadert binnen een strategische beslissing van de groep om de betrokken activiteit wereldwijd af te zonderen met het oog op een aparte beursintroductie, beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis, WIB 92 en kan plaatsvinden onder het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.
De voormelde partiële splitsing dient plaats te vinden met toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW.
De keuze voor het geheel van de rechtshandelingen (kapitaalverhoging voorafgaand aan de partiële splitsing van vennootschap X, gevolgd door de verhanging van de aandelen van vennootschap X binnen een nieuwe groepsstructuur en de verrichtingen in het kader van de afzonderlijke beursnotering) werd voldoende verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 en maakt geen fiscaal misbruik uit als bedoeld in artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:
1.1. de voorgenomen partiële splitsing van vennootschap X, waarbij alle activa en passiva verbonden aan bedrijfsafdeling A worden overgedragen aan de recent opgerichte vennootschap Y, niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of – ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en derhalve in aanmerking komt voor de toepassing van het belastingneutraal regime zoals voorzien in artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92;
1.2. de boekhoudkundige retroactiviteit van de voorgenomen partiële splitsing van vennootschap X tegenstelbaar is aan de belastingadministratie;
1.3. de afschrijvingen, investeringsaftrekken, belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling, aftrekken voor risicokapitaal, kapitaalsubsidies, minderwaarden of meerwaarde die bij de overnemende of verkrijgende vennootschappen met betrekking tot de bij hen ingebrachte bestanddelen in aanmerking worden genomen en het gestorte kapitaal overeenkomstig artikel 212 WIB 92 worden bepaald alsof de partiële splitsing van vennootschap X niet had plaatsgevonden;
1.4. de bestanddelen van het eigen vermogen, overeenkomstig artikel 213 WIB 92, zullen worden overgedragen aan de nieuw opgerichte vennootschap Y, in evenredigheid met de fiscale nettowaarden van de overnemende of verkrijgende en gesplitste vennootschap;
1.5. in overeenstemming met artikel 206, §2, WIB 92 de overgedragen verliezen van vennootschap X zullen worden overgedragen aan vennootschap Y en beperkt in functie van de fiscale nettowaarde van de afgesplitste bestanddelen en de fiscale nettowaarde van vennootschap Y;
1.6. de kapitaalverhoging in vennootschap X voorafgaand aan de partiële splitsing, alsook de opeenvolgende geplande aandelentransacties, geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92 juncto artikelen 184ter, §3, tweede lid, 206, §2 en 213, derde lid, WIB 92 alsook artikel 344, § 1, WIB 92 juncto artikelen 211, §1, vierde lid, en 183bis WIB 92;
1.7. de overdracht van de activa als onderdeel van de partiële splitsing van vennootschap X buiten de toepassingssfeer van de btw zal vallen overeenkomstig de artikelen 11 en 18, §3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW).
II. Omschrijving van de verrichtingen door de aanvragers
2. Vennootschap X is een operationele Belgische vennootschap die deel uitmaakt van de internationale groep Z. De aandelen van deze vennootschap worden aangehouden door de buitenlandse groepsvennootschap P.
3. Vennootschap Y werd recent opgericht met het oog op het afzonderen van de activiteiten die verbonden zijn aan activiteit A en heeft momenteel geen activiteiten, noch personeel. De aandelen van deze vennootschap worden aangehouden door de buitenlandse groepsvennootschap P.
4. De geplande verrichting betreft een partiële splitsing van vennootschap X waarbij alle activa en passiva die betrekking hebben op de divisie A zullen worden overgedragen aan vennootschap Y tegen uitreiking van nieuwe aandelen aan de aandeelhouder, de buitenlandse groepsvennootschap P. De activiteiten die verband houden met de divisie B zullen behouden blijven binnen vennootschap X. De voorgenomen partiële splitsing beantwoordt aan de definitie van een met een splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/1, g), WIB 92.
5. De geplande partiële splitsing zal worden gevolgd door een verhanging van de aandelen van vennootschap X en de andere entiteiten met activiteit B, waarbij het uiteindelijk de bedoeling is dat de aandeelhouders van de beursgenoteerde topvennootschap van groep Z door middel van een dividenduitkering in natura 70% van de aandelen van de topvennootschap van de nieuwe groep met activiteit B zullen ontvangen. Er zal 30% van de aandelen van de topvennootschap van de nieuwe groep met activiteit B worden overgedragen aan een onafhankelijke derde partij.
III. Beslissing
III.A. Betreffende de toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92 op de partiële splitsing
6. De vooropgestelde verrichting kadert binnen een strategische beslissing van groep Z om enkel te focussen op de activiteiten die verband houden met de divisie A en om de activiteiten verbonden aan de divisie B in een afzonderlijke beursgenoteerde groepsstructuur onder te brengen. Op deze wijze zullen volgens de aanvragers beide divisies hun maximale groeipotentieel kunnen verwezenlijken.
7. Aangezien vennootschap X binnen de verschillende domeinen actief is, dient zij over te gaan tot een partiële splitsing waarbij alle activa en passiva van activiteit A zullen worden overgedragen aan vennootschap Y. Ook in andere landen waar de activiteiten gecombineerd worden uitgeoefend in éénzelfde juridische entiteit, staan verrichtingen gepland om de verstrengeling ongedaan te maken.
8. De aanvragers hebben bevestigd dat de partiële splitsing geen negatieve impact zal hebben op de tewerkstelling. Het personeel verbonden aan de divisie A zal mee overgaan naar vennootschap Y waaruit blijkt dat deze activiteit zal worden verder gezet bij de verkrijgende vennootschap.
9. De aanvragers hebben verklaard dat vennootschap X over overgedragen fiscale verliezen beschikt die overeenkomstig artikel 206, § 2, tweede lid, WIB 92 over beide vennootschappen zullen worden verdeeld en beperkt. Voor het overige beschikt zij niet over andere overgedragen fiscaal aftrekbare bestanddelen. Aangezien de verkrijgende vennootschap Y een recent opgerichte vennootschap is die pas actief zal worden nadat de partiële splitsing heeft plaatsgevonden, beschikt zij niet over dergelijke bestanddelen.
10. De geplande partiële splitsing zal worden gevolgd door een verhanging van de aandelen van vennootschap X en de andere entiteiten met activiteit B, waarbij het uiteindelijk de bedoeling is dat de aandeelhouders van de beursgenoteerde topvennootschap van groep Z door middel van een dividenduitkering in natura 70% van de aandelen van de topvennootschap van de nieuwe groep met activiteit B zullen ontvangen. De overige 30% van de aandelen van de topvennootschap van de nieuwe groep met activiteit B zullen worden verkocht aan een onafhankelijke derde partij. De aanvragers hebben in dit kader bevestigd dat het gedeelte van de totale verkoopprijs van de aandelen van de topholding van de nieuwe groep dat verband houdt met de latente meerwaarde op het nettoactief van de divisie B in vennootschap X, zal worden geherinvesteerd binnen groep Z.
11. De aanvragers hebben bevestigd dat er geen intentie bestaat om de aandelen van vennootschap Y over te dragen aan derden buiten de groep.
12. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de geplande partiële splitsing van vennootschap X plaatsvindt op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.
13. De verkrijgende vennootschap Y is een binnenlandse vennootschap.
14. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92 is voldaan, zodat de partiële splitsing van vennootschap X kan worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.
III.B. Betreffende de boekhoudkundige retroactiviteit van de partiële splitsing op het vlak van de vennootschapsbelasting
15. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag, inzonderheid t.a.v. vermeld retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:
15.1. met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband wordt opgemerkt dat een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maand in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;
15.2. en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.
16. De voorgenomen partiële splitsing van vennootschap X zal volgens de aanvragers plaatsvinden met een boekhoudkundige retroactiviteit die niet meer dan zeven maanden zal bedragen.
17. In het kader van de in randnummer 15.2 gestelde voorwaarde wordt inzonderheid gewezen op het feit dat de fiscale nettowaarden kunnen worden gemanipuleerd met het oog op een maximale overdracht van de overgedragen fiscale verliezen of de overgedragen DBI-aftrek door deze fiscale nettowaarden op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum (in plaats van op de juridische datum van de verrichting) in aanmerking te nemen (zie dienaangaande randnummer 211/14 van de administratieve commentaar op het WIB 92). Vennootschap X beschikt over overgedragen fiscale verliezen. De aanvragers hebben evenwel verklaard dat tijdens de voorziene retroactiviteitsperiode geen uitzonderlijke verrichtingen zullen plaatsvinden die een wezenlijke impact zullen hebben op de fiscale nettowaarden zodat van een mogelijke “manipulatie” van de fiscale nettowaarden geen sprake zal zijn.
18. Derhalve kan worden gesteld dat de retroactiviteitsclausule een correcte toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat en dat de boekhoudkundige retroactiviteit van de betreffende partiële splitsing op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard.
III.C. Betreffende de toepassing van artikel 212 WIB 92 op de partiële splitsing
19. In het geval van een belastingneutrale partiële splitsing zoals in casu, worden de afschrijvingen, investeringsaftrekken, belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling, aftrekken voor risicokapitaal, kapitaalsubsidies, minderwaarden of meerwaarde die bij de verkrijgende vennootschap met betrekking tot de bij haar ingebrachte bestanddelen in aanmerking genomen en het gestorte kapitaal bepaald alsof de partiële splitsing niet had plaatsgevonden.
III.D. Betreffende de toepassing van artikel 213 WIB 92 op de partiële splitsing
20. Ingeval van een (partiële) splitsing in toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92 worden de verkrijgende vennootschappen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 213, WIB 92, bij het bepalen van het gestorte kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst die ingeval van (partiële) splitsing bij elk van de overnemende of verkrijgende vennootschappen in aanmerking worden genomen, geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van de (partieel) gesplitste vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van hen gedane inbreng te hebben overgenomen of verkregen. Dit houdt in dat de drie componenten van het fiscaal eigen vermogen (gestort kapitaal, belaste reserves en vrijgestelde reserves) elk afzonderlijk moeten worden verdeeld in verhouding tot het gedeelte van de fiscale nettowaarden dat aan elk van de vennootschappen wordt toebedeeld (zie ook arrest van het Hof van Beroep te Gent van 1 maart 2011 inzake Villa 2000 CVA).
21. De aanvragers hebben de toepassing van artikel 213 WIB 92 en de administratieve commentaar ter zake bevestigd.
22. Vennootschap X heeft geen andere vrijgestelde reserve dan een fusiegoodwill die werd uitgedrukt naar aanleiding van een eerdere fusie. Deze fusiegoodwill, die evenwel niet in de fiscale nettowaarde vervat zit en derhalve niet valt onder de toepassing van artikel 213 WIB 92, heeft geen betrekking op de activiteit A en zal bijgevolg niet worden overgedragen aan vennootschap Y.
23. Uit de overgemaakte splitsingsstaat blijkt dat de wijze van toebedeling van de verschillende bestanddelen van het fiscaal eigen vermogen (in betreffend geval gestort kapitaal en belaste reserves) aan de partieel gesplitste vennootschap X enerzijds en aan de recent opgerichte vennootschap Y anderzijds, in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 213 WIB 92 en de administratieve commentaar ter zake, met dien verstande evenwel dat de DVB zich niet uitspreekt omtrent de bedragen van de gehanteerde fiscale nettowaarden.
III.E. Betreffende de verdelingsmethodiek van de fiscaal overgedragen verliezen bij toepassing van artikel 206, § 2, tweede lid, WIB 92
24. Zoals vermeld in randnummer 9 hebben de aanvragers bevestigd dat vennootschap X over overgedragen fiscale verliezen beschikt en dat deze verliezen conform het bepaalde in artikel 206, § 2, tweede lid, WIB 92 zullen worden verdeeld en beperkt. In dit kader werd door de aanvragers de berekeningsmethode uitgewerkt.
25. Uit de door de aanvragers verkregen berekeningswijze van de verdeling en beperking van de fiscale verliezen naar aanleiding van de voorgenomen partiële splitsing van vennootschap X kan worden opgemaakt dat artikel 206, § 2, tweede lid, WIB 92 correct wordt toegepast, met dien verstande evenwel dat de DVB zich niet uitspreekt omtrent het bedrag van de overgedragen fiscale verliezen en van de fiscale nettowaarden op basis waarvan voormelde berekening werd gemaakt.
III.F. Betreffende de toepassing van artikel 344, § 1, WIB 92
III.F.1. Met betrekking tot de impact van de kapitaalverhoging op de toepassing van artikel 206, § 2, WIB 92
26. Uit een samenlezing van de artikelen 184ter, § 3, 206, § 2, tweede en derde lid, en 213, derde lid, WIB 92 volgt dat de overgedragen fiscale verliezen van een vennootschap met een negatieve fiscale nettowaarde naar aanleiding van haar partiële splitsing volledig verloren gaan (zie Jaarverslag van de DVB van 2014 - blz. 96-98).
27. In casu werd vastgesteld dat in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de partiële splitsing zal plaatsvinden, vennootschap X kampte met een negatief eigen vermogen. Op het einde van het vorig boekjaar en voorafgaand aan de voorgenomen partiële splitsing van vennootschap X werd een kapitaalverhoging doorgevoerd waardoor de fiscale nettowaarde van vennootschap X op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum van de partiële splitsing (zijnde het tijdstip waarop de fiscale nettowaarde wordt vastgesteld voor de toepassing van artikel 206, § 2, tweede lid, WIB 92) positief werd. Deze kapitaalverhoging heeft als gevolg dat de overgedragen fiscale verliezen van vennootschap X niet volledig verdwijnen maar wel onder de twee vennootschappen worden verdeeld en slechts in geringe mate worden beperkt.
28. Een partiële splitsing van een vennootschap met een negatief eigen vermogen in combinatie met een voorafgaandelijke kapitaalverhoging kan derhalve als een fiscaal misbruik worden aanzien in de zin van artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 wanneer er sprake is van een opzettelijke manipulatie van de fiscale nettowaarde van de betrokken vennootschap met het oog op een maximaal behoud van de overgedragen fiscale verliezen zodat de toepassing van artikel 206, §2, tweede lid, WIB 92 wordt gefrustreerd.
29. De aanvragers hebben voor de doorgevoerde kapitaalverhoging verschillende niet-fiscale motieven aangehaald zoals:
29.1. het vermijden van de alarmbelprocedure die in voege treedt wanneer ten gevolge van geleden verlies het nettoactief gedaald is tot minder dan de helft van het kapitaal en waardoor de ontbinding van de vennootschap door elke belanghebbende gevorderd kan worden;
29.2. het vermijden dat de vennootschap haar activiteiten niet meer zou kunnen uitoefenen wegens een onvoldoende solvabiliteitsgraad voor publieke tenders.
30. Derhalve kan worden besloten dat de keuze voor de partiële splitsing van vennootschap X voorafgegaan door een kapitaalverhoging, verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, §1, derde lid, WIB 92 en geen fiscaal misbruik uitmaakt als bedoeld in artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 met betrekking tot de toepassing van artikelen 184ter, § 3, 206, § 2, tweede en derde lid en 213, derde lid, WIB 92.
III.F.2. Met betrekking tot de partiële splitsing van vennootschap X gevolgd door de aandelenoverdrachten
31. De geplande verrichtingen kaderen binnen een wereldwijde reorganisatie en splitsing van groep Z in twee afzonderlijke beursgenoteerde groepen, enerzijds groep Z (met de activiteit A) en anderzijds de nieuwe groep (met de activiteit B).
32. De partiële splitsing van vennootschap X zal worden gevolgd door verhangingen (door middel van inbrengen en overdrachten) binnen groep Z. Als laatste stap in de herstructurering zullen 70% van de aandelen van de topholding met activiteit B worden uitgekeerd aan de publieke aandeelhouders van groep Z en gelijktijdig op de beurs worden genoteerd en zullen 30% van de aandelen van de topholding met activiteit B worden verkocht aan een derde partij.
33. Een partiële splitsing in combinatie met een (onrechtstreekse) overdracht van alle aandelen van één van de bij de partiële splitsing betrokken vennootschappen met het oog op de overdracht van een deel van de activa, zou als een fiscaal misbruik kunnen worden aanzien in de zin van artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 ten name van de overdragende vennootschap en haar aandeelhouders (omzetten van belastbare meerwaarden op activa in vrijgestelde meerwaarden op aandelen waardoor de toepassing van de artikelen 24 en 183 WIB 92 zou kunnen worden gefrustreerd).
34. Alle aandelen van de topholding met activiteit B (en daarmee ook alle aandelen van vennootschap X) zullen door groep Z worden overgedragen, meer bepaald voor 70% op cashvrije basis (uitkering van aandelen in natura aan de publieke aandeelhouders van groep Z met het oog op een afzonderlijke beursnotering voor de nieuwe groep) en voor 30% door een verkoop van de aandelen van de topholding met activiteit B aan een derde partij. De aanvragers hebben in dit verband bevestigd dat het gedeelte van de totale verkoopprijs van 30% van de aandelen van de topholding met activiteit B dat verband houdt met de latente meerwaarde op het nettoactief van activiteit B in vennootschap X, zal worden geherinvesteerd binnen de groep Z. Er werd tevens bevestigd dat de herstructurering geenszins de uitkering van financiële middelen aan de aandeelhouders van groep Z tot doel heeft. De aanvragers hebben bevestigd dat er geen intentie bestaat om de aandelen van vennootschap Y over te dragen aan derden buiten de groep.
35. Derhalve kan worden besloten dat de keuze voor het geheel van de opeenvolgende rechtshandelingen voldoende werd verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 en geen fiscaal misbruik uitmaakt als bedoeld in artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 met betrekking tot de toepassing van de artikelen 24 en 183 WIB 92.
36. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvragers vermeld worden. De DVB spreekt zich, ondanks het vermelde in randnummer 11, in deze beslissing niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344, § 1, WIB 92, enz. …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing, zoals bv. de latere overdracht (rechtstreeks of onrechtstreeks) van de aandelen van vennootschap Y aan derden buiten de groep. Bij een latere overdracht (rechtstreeks of onrechtstreeks) van deze aandelen is de beslissing betreffende de vennootschapsbelasting niet langer geldig, tenzij de DVB in een avenant aan de beslissing de geldigheid ervan zou bevestigen.
III.G. Betreffende de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW op de partiële splitsing
37. Overeenkomstig artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.
38. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).
39. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.
40. De artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.
41. Verwijzend naar de in de aanvraag – deel motivering - opgenomen elementen, mag worden geconcludeerd dat de elementen nodig om activiteit A voort te zetten, overgaan. Zowel op technisch als op organisatorisch vlak heeft deze verrichting derhalve betrekking op een zelfstandige economische activiteit die door vennootschap Y zal worden voortgezet.
42. Het gegeven dat bepaalde contracten pas zullen overgaan op het moment dat vennootschap Y de veiligheidsmachtiging heeft ontvangen, waardoor de betreffende werknemers in dit geval pas zullen overgaan naar vennootschap Y zodra de nodige veiligheidsmachtigingen werden bekomen, staat de toepassing van de overdracht van de afdeling vanuit btw-technisch oogpunt niet in de weg.
43. Circulaire n° E.T.110.663 (AOIF Nr. 46/2009) dd. 30.09.2009 bevestigt in dit verband dat het niet-leveringsbeginsel eveneens van toepassing is op een in de tijd gespreide overdracht, op voorwaarde dat het principe van de overdracht onherroepelijk verworven is vanaf het sluiten van het contract en op voorwaarde dat de verschillende transacties onderling verbonden zijn, zodat er geen twijfel bestaat over de bedoeling van de partijen om een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling over te dragen. Aangezien in casu de aanvragers verklaren dat de intentie om de betreffende contracten over te dragen duidelijk is opgenomen in de onderliggende overeenkomst, belet de vertraging in de juridische overdracht de toepassing van het niet-leveringsbeginsel niet.
44. De aanvragers delen verder mee dat een kantoor deels zal worden onderverhuurd, waarbij deze onderverhuring zal plaatsvinden met vrijstelling van btw bij toepassing van artikel 44, §3, 2°, W.BTW. Om voormelde redenen werd gevraagd dat vennootschap X zich ertoe zou verbinden om - indien aan de orde - mogelijke btw-herzieningen door te voeren, in het bijzonder op verbeteringen en/of door vennootschap X aangebrachte installaties die zich in het onder te verhuren deel bevinden en die voor btw-doeleinden als bedrijfsmiddelen moeten worden aangemerkt bij toepassing van artikel 48, §2, W.BTW en die nog binnen de btw-herzieningstermijn vallen. De DVB wijst vennootschap X op haar verplichting om - in de mate er een btw-herziening van toepassing is - vennootschap X deze herziening onder toezicht van de btw-administratie dient op te nemen in de btw-aangifte betrekking hebbend op het tijdvak waarin de overdracht van een deel van de activiteiten plaatsvindt.
45. De aanvragers verklaren dat vennootschap Y ingevolge onderhavige transactie een btw-belastingplichtige wordt die, in de mate er btw zou verschuldigd zijn op de overdracht, recht op btw-aftrek zou verkrijgen.
46. De door de aanvragers in hun aanvraag beschreven partiële splitsing dient derhalve met toepassing van de artikelen 11 en 18 § 3, W.BTW te gebeuren.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.