---
title: "Voorafgaande beslissing 2023.0061 · Nieuwheidskarakter voor de toepassing van de btw"
description: "Nieuwheidskarakter voor de toepassing van de btw, Kwalificatie als beroepsoprichterl. Belgische voorafgaande beslissing nr. 2023.0061 van 14 maart 2023."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2023-0061-nieuwheidskarakter-toepassing-btw-artikel-44-9316"
lang: "nl"
---

# Nieuwheidskarakter voor de toepassing van de btw · Btw - Nieuwheidskarakter voor de toepassing van de btw - Artikel 44, § 3, 1° W.BTW - Kwalificatie als beroepsoprichterl - Artikel 12, § 2 W.BTW - Levering van nieuwe gebouwen - Artikel 44, § 3, 1°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW - Aftrek van voorbelasting - Artikel 45, § 1 W.BTW

**Nummer**

2023.0061

**Datum**

14 maart 2023

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

100 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2023.0061 d.d. 14.03.2023

*Btw* · *Nieuwheidskarakter voor de toepassing van de btw* · *Artikel 44, § 3, 1° W.BTW* · *Kwalificatie als beroepsoprichterl* · *Artikel 12, § 2 W.BTW* · *Levering van nieuwe gebouwen* · *Artikel 44, § 3, 1°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW* · *Aftrek van voorbelasting* · *Artikel 45, § 1 W.BTW*

## Samenvatting

De vennootschap X wenst een vastgoedproject genaamd ‘V’ te realiseren en heeft daartoe een eigendomsrecht verkregen op het onroerend goed. Waar het gebouw voorheen werd gebruikt als residentie, staat het op vandaag leeg. Het gebouw genaamd ‘V’ is aangeduid als bouwkundig erfgoed en wordt beschouwd als beschermd monument.

Het gebouw heeft sinds geruime tijd geen verbouwingswerken ondergaan, waardoor het niet meer voldoet aan de hedendaagse milieu- en energienormen noch aan hedendaagse vereisten op het vlak van comfort en gebruiksvriendelijkheid. X heeft het (aantoonbaar) voornemen om te starten met een grondige verbouwing van het betreffende gebouw. De verbouwing zal aanleiding geven tot belangrijke wijzigingen aan het gebouw. Met het oog op de realisatie van het project werd de aanvraag tot het bekomen van de bouwvergunning ingediend.

Na het beëindigen van het verbouwingsproject wenst X het gebouw te verkopen met toepassing van btw overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW.

Naar het oordeel van de rulingdienst wordt – rekening houdend met de administratieve richtlijnen en btw-bronnen – niet afdoende aangetoond dat op zich de structuur van het oude gebouw voldoende ingrijpende wijzigingen ondergaat, zoals genoegzaam is gebleken uit een detailweergave van de belangrijkste uit te voeren werken.

Zonder uitspraak te kunnen doen over de overgemaakte cijfergegevens as such, kan de rulingdienst vaststellen dat de totale kostprijs van de materiële onroerende werken minstens 60% zal bedragen van de verkoopwaarde van het gebouw, de grond buiten beschouwing gelaten, na oplevering van de werken.

Op basis van de door de aanvrager verstrekte cijfergegevens (waarover de rulingdienst as such geen uitspraak kan doen) en voor zover de bedoelde werken verder ook aanleiding geven tot een aanpassing van het kadastraal inkomen van het gebouw genaamd ‘V’, kan dit gebouw btw-technisch opnieuw worden beschouwd als een nieuw gebouw in de zin van art. 44, § 3, 1° W.BTW.

X kan wegens haar (naar objectieve maatstaven aantoonbare) intentie om in haar hoedanigheid van beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW het betreffende gebouw met btw te verkopen op grond van artikel 44, § 3, 2°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW, de btw op de verbouwingskosten gerelateerd aan dit gebouw onmiddellijk in aftrek brengen op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.

## Tekst van de beslissing

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De rulingaanvraag wordt ingediend in naam van de vennootschap X. X doet aan projectontwikkeling en bezit de hoedanigheid van beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW.

2\. X wenst een vastgoedproject genaamd ‘V’ te realiseren en heeft daartoe een eigendomsrecht verkregen op het onroerend goed.

3\. Waar het gebouw voorheen werd gebruikt als residentie, staat het op vandaag leeg.

4\. Het gebouw genaamd ‘V’ is aangeduid als bouwkundig erfgoed en wordt beschouwd als beschermd monument.

5\. Het gebouw heeft sinds geruime tijd geen verbouwingswerken ondergaan, waardoor het niet meer voldoet aan de hedendaagse milieu- en energienormen noch aan hedendaagse vereisten op het vlak van comfort en gebruiksvriendelijkheid.

6\. Thans heeft X het voornemen om te starten met een grondige verbouwing van het betreffende gebouw. De verbouwing zal aanleiding geven tot belangrijke wijzigingen aan het gebouw.

7\. Met het oog op de realisatie van het project werd de aanvraag tot het bekomen van de bouwvergunning ingediend.

8\. Na het beëindigen van het verbouwingsproject wenst X het gebouw te verkopen met toepassing van btw overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW.

## II. Vraagstelling

9\. Gelet op de argumentatie en motivering uiteengezet in de aanvraag om een voorafgaande beslissing, strekt deze aanvraag er meer bepaald toe van de rulingdienst de bevestiging te verkrijgen dat:

• in de gegeven omstandigheden het vastgoedproject ‘gebouw V’ na de bedoelde werken voor btw-doeleinden als nieuw kan worden beschouwd in de zin van artikel 44, § 3, 1° W.BTW, en dat;

• X wegens haar intentie om in haar hoedanigheid van beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW het betreffende gebouw met btw te verkopen op grond van artikel 44, § 3, 2°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW, de btw op de bedoelde gerelateerde kosten onmiddellijk in aftrek kan brengen op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.

## III. Beslissing

Uit het door de DVB verrichte onderzoek blijkt wat volgt.

10\. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

### *III.A. Kwalificatie als nieuw gebouw voor btw-doeleinden*

#### III.A.1. Algemeen

11\. Verbouwde oude gebouwen kunnen na de verbouwingswerken in bepaalde gevallen en voor een tweejarige btw-nieuwheidstermijn worden aangemerkt als nieuwe gebouwen waarop de vrijstelling van btw niet van toepassing is.

12\. De term ‘verbouwing’ suggereert op zijn minst dat het betrokken gebouw veranderingen van betekenis moet hebben ondergaan, die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken, ingrijpend aan te passen. Deze interpretatie sluit overigens aan bij het doel van de btw-richtlijn 2006/112/EG van 28.11.2006, dat er met name in bestaat een handeling te belasten die de waarde van het betrokken goed beoogt te verhogen. Voor een oud gebouw ontstaat die toegevoegde waarde wanneer het dermate ingrijpend wordt verbouwd dat het op één lijn kan worden gesteld met een nieuw gebouw *(1)*.

---

*\[(1) v.J. 16.11.2017,* [*C-308/16*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-308-16-arrest)*, Kozuba, r.o. 32, 52 en 55, www.curia.europa.eu.\]*

---

13\. Er zijn twee gevallen waarin de btw-administratie aanvaardt dat verbouwde oude gebouwen na de verbouwingswerken btw-technisch worden aangemerkt als nieuwe gebouwen, namelijk:

i. wanneer een gebouw ingevolge de erin uitgevoerde werken (ongeacht hun kostprijs) een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan, namelijk in zijn aard, zijn structuur en, in voorkomend geval, in zijn bestemming (eerste geval, toegepast als verplichting), of;

ii. wanneer op het tijdstip van de voltooiing van de werken de kostprijs, exclusief btw, van de door de eigenaar of door derden voor zijn rekening uitgevoerde materiële werken aan het gebouw zelf, ten minste 60% bereikt van de verkoopwaarde van het gebouw waaraan de werken werden uitgevoerd, de grond buiten beschouwing gelaten (tweede geval, tolerantie toegepast als optiestelsel; waardenorm, geen oppervlaktenorm) *(2)*.

---

*\[(2) Btw-Commentaar, editie 01.07.2022, Boekwerk VI, Hoofdstuk 16, Afdeling 1, titel 3, rubriek C.\]*

---

14\. Overeenkomstig het eerste geval zal een bestaand gebouw voor de btw nieuw zijn in het geval dat het oude gebouw als gevolg van de erin uitgevoerde materiële werken een ingrijpende (radicale) wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan, namelijk in zijn aard, zijn structuur en, in voorkomend geval, in zijn bestemming. In zulk een geval wordt geen rekening gehouden met de kostprijs van de werken vergeleken met de waarde van het gebouw vóór de betreffende wijziging.

15\. Een dergelijke ingrijpende (radicale) wijziging gaat in principe gepaard met werken aan draagmuren, vloeren, traphallen, lifkoker, e.a.

Een bestemmingswijziging, ook al is ze van betekenis, van het betrokken onroerend goed is volgens de rulingdienst op zich geen doorslaggevend criterium om te beoordelen of voor de toepassing van de btw een oud gebouw na de uitvoering van de werken al dan niet als nieuw moet worden aangemerkt. Ook de wijzigingen in de aard en vooral de structuur dienen bij de beoordeling van het nieuwheidskarakter van het gebouw in aanmerking te worden genomen.

16\. Wanneer de uitgevoerde werken een belangrijke wijziging aan het gebouw aanbrengen, is het vaak moeilijk te beoordelen en vast te stellen of het gebouw hierdoor wel een ingrijpende (radicale) wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan (zoals in het eerste geval).

De btw-administratie aanvaardt in dat geval (het tweede geval) dat het gaat om een nieuw gebouw wanneer de kostprijs, exclusief btw, van de door de eigenaar of door derden voor zijn rekening uitgevoerde werken aan het gebouw zelf, minstens 60% bedraagt van de verkoopwaarde van het gebouw, exclusief de grond, wanneer de werken voltooid zijn. Er wordt hierbij rekening gehouden met de waarde van de ‘materiële’ onroerende werken, inclusief de noodzakelijke afbraakwerken. Intellectueel werk, zoals de erelonen van een architect of van een veiligheidscoördinator, wordt echter niet meegerekend.

De verkoopwaarde van het afgewerkte gebouw wordt bepaald rekening houdend met artikel 32, eerste lid W.BTW en artikel 36 W.BTW.

17\. In beide gevallen dient de uitgevoerde verbouwing aanleiding te geven tot de wijziging van het kadastraal inkomen dat aan het gebouw was toegekend vóór de aanvang van de werken.

18\. Als het gebouw tijdens de verbouwingswerken niet doorlopend in gebruik blijft, zal de btw-nieuwheidstermijn in deze beginnen te lopen vanaf de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw die plaatsvindt na afloop van de werken.

#### III.A.2. Toepassing in casu

*III.A.2.1. Gebouw ‘kasteel V’ in detail: kwalitatieve toets – belangrijke maar niettemin moeilijk te bepalen ingrijpende (radicale) wijziging aan het gebouw*

19\. Opdat X, na de geplande onroerende werken, het gebouw btw-belast zou kunnen verkopen aan derden, wenst zij de bevestiging te verkrijgen dat dit gebouw na deze werken zal kwalificeren als ‘nieuw’ voor btw-doeleinden.

20\. De aanvrager geeft aan dat het vastgoedproject betekenisvolle wijzigingen zal ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen. Een klassiek residentieel concept gericht op één gebruiker wordt immers omgevormd naar een flexibele, multi-gebruiker omgeving. De aanvrager benadrukt ook dat een oud, gedateerd en energetisch totaal aan de hedendaagse normen onaangepast gebouw wordt omgevormd tot een modern, duurzaam en energie-efficiënt gebouw.

21\. Het gebouw in kwestie wordt grondig verbouwd tot een medisch en/of paramedisch luxecentrum maar de bestaande dragende structuur blijft in ruime mate behouden. De structurele werken worden door de rulingdienst niet als predominant beoordeeld.

Naar het oordeel van de rulingdienst wordt – rekening houdend met de hiervoor aangehaalde administratieve richtlijnen en btw-bronnen – niet afdoende aangetoond dat op zich de structuur van het oude gebouw voldoende ingrijpende wijzigingen ondergaat, zoals genoegzaam is gebleken uit een detailweergave van de belangrijkste uit te voeren werken.

De aan de rulingdienst overgemaakte fotoreportage sterkt haar in haar overtuiging dat de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw genaamd ‘V’ in ruime mate worden behouden. Het gegeven dat het gebouw een als monument beschermd gebouw is, zowel aan de buitenzijde als aan de binnenzijde, lijkt een voldoende ingrijpende structurele wijziging overigens uit te sluiten. Op basis van de verstrekte gegevens is de aanname van de rulingdienst dat, zelfs als bepaalde onroerende werken de structuur van het gebouw affecteren, zij toch niet leiden tot een voldoende ingrijpende (radicale) structurele wijziging van dit gebouw.

De aanvrager beroept zich dientengevolge op de toepassing van de 60%-regel (cf. supra).

*III.A.2.2. Kwantitatieve toets: toetsing aan de 60%-regel*

22\. In geval van een belangrijke maar niet voldoende ingrijpende structurele wijziging – zoals in casu - kan de aanvrager zich beroepen op de 60%-regel (cf. supra). Bij de toepassing en berekening van de 60%-regel zijn drie parameters van primordiaal belang, te weten de verkoopwaarde van het afgewerkte gebouw, de grondwaarde en de kostprijs van de uitgevoerde werken (exclusief btw en met uitsluiting van intellectueel werk, zoals de erelonen van een architect of van een veiligheidscoördinator).

De rulingdienst is niet bevoegd om zich uit te spreken over de verkoopwaarde van het gebouw noch over die van de grond. Ook wat betreft de kostprijs van de uitgevoerde en uit te voeren onroerende werken, kan zij enkel voortgaan op de verklaringen van de aanvrager.

23\. De aanvrager verwijst ter zake naar de berekeningen van het expertisebureau blijkens zijn schattingsverslag, zoals voorgelegd aan de rulingdienst.

Volgens de berekeningen van dit expertisebureau, opgenomen in voornoemd schattingsverslag, wordt in voorliggend geval voldaan aan de 60%-grens, op grond waarvan de kwalificatie als nieuw gebouw voor btw-doeleinden wordt gestaafd.

Om deze 60%-grens te berekenen, dient de kostprijs van de uit te voeren materiële werken in onroerende staat te worden bepaald, alsook de verkoopwaarde van het gebouw na deze werken, met uitsluiting van de grond.

Rekening houdend met de raming en bepaling, op het ogenblik van de aanvraag van het schattingsverslag en naar aanleiding van het eigenlijke onderzoek, van de globale kostprijs van de materiële verbouwingswerken en de verkoopwaarde van het gebouw, verminderd met de grondwaarde, is er sprake van een verhouding van beduidend meer dan 60%.

De drempel van 60% wordt dus ruimschoots overschreden.

Gelet op de huidige economische omstandigheden en de daaruit voortvloeiende inflatie en prijsstijgingen, zodoende ook in de bouwsector, moet de globale kostprijs van de materiële verbouwingswerken vandaag de dag zelfs nog (veel) hoger worden ingeschat.

De verhouding zal op heden dus nog hoger liggen dan de verhouding op grond van het schattingsverslag.

24\. Zonder uitspraak te kunnen doen over de overgemaakte cijfergegevens as such, kan de rulingdienst vaststellen dat de totale kostprijs van de materiële onroerende werken minstens 60% zal bedragen van de verkoopwaarde van het gebouw, de grond buiten beschouwing gelaten, na oplevering van de werken.

Daarmee voldoet de aanvrager aan de door de btw-administratie vooropgestelde norm op grond waarvan dit gebouw btw-technisch als nieuw kan worden beschouwd in de zin van artikel 44, § 3, 1° W.BTW.

25\. De werken zullen verder ook aanleiding moeten geven tot een aanpassing van het kadastraal inkomen van het gebouw genaamd ‘V’, wat meestal het geval zal zijn in gevallen als dit.

Het kadastraal inkomen van het kasteel bedraagt anno nu alfa euro. In samenspraak met de architect wordt, gezien de voorgenomen werken aan het kasteel, verwacht dat het kadastraal inkomen na deze werken een navenante verhoging zal ondergaan.

### *III.B. Kwalificatie van X als beroepsoprichter*

26\. Een beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW is een belastingplichtige die geregeld goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1° W.BTW (gebouw of gedeelte van een gebouw), die hij heeft opgericht (door nieuwbouw of vernieuwbouw) of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, hierop zakelijke rechten vestigt of overdraagt.

27\. Een beroepsoprichter moet voor de levering van een nieuw gebouw niet voor belastingheffing opteren op de wijze voorgeschreven door [artikel 1 van het Btw-KB nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) en kan de btw geheven van de onroerende werken (of de aankoopprijs) onmiddellijk in aftrek brengen in de periodieke btw-aangifte.

28\. In dit verband heeft de rulingdienst al beslist dat de toekenning van een vruchtgebruik op een nieuw opgerichte commerciële ruimte en de verkoop van een nieuw gebouwde ondergrondse parking volstonden opdat de toekenner van het vruchtgebruik wordt aangemerkt als een beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW.

Uit latere beslissingen van de rulingdienst volgt verder ook dat een vennootschap als beroepsoprichter wordt beschouwd wanneer zij de bouw van een gebouw van een zekere omvang uitvoert waarvan de duur zich over verschillende jaren zal uitspreiden en de vennootschap ab initio de intentie heeft om hierop een zakelijk recht te vestigen of over te dragen.

29\. Hiervoor werd al verduidelijkt dat het gebouw btw-technisch opnieuw zal kunnen worden beschouwd als een nieuw gebouw in de zin van artikel 44, § 3, 1° W.BTW. Daarenboven heeft het gebouw een significante omvang en zal de oprichting (in casu door vernieuwbouw) over langere tijd worden gespreid. Ook de totale kostprijs van de werken is in casu hoog.

30\. Bijgevolg dient in de gegeven omstandigheden te worden besloten dat X de hoedanigheid bezit van beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW.

Het gegeven dat X in het verleden nog geen gebouwen met btw heeft vervreemd, doet hieraan geen afbreuk.

### *III.C. Exploitatiemodel: btw-belaste verkoop van het gebouw genaamd ‘V’*

31\. In casu wenst X het gebouw – na de geplande onroerende werken – btw-belast te verkopen.

32\. De levering van onroerende goederen uit hun aard, verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige, wordt in het algemeen van btw vrijgesteld door artikel 44, § 3, 1°, a), eerste lid W.BTW.

De btw-vrijstelling is niet van toepassing op de hier bedoelde handeling als zij betrekking heeft op ‘nieuwe gebouwen’ en ‘bijbehorende terreinen’ in de zin van artikel 1, § 9, 1° W.BTW en verricht wordt door één van de drie in artikel 44, § 3, 1°, a), tweede lid, eerste, tweede en derde gedachtestreepje W.BTW genoemde categorieën van belastingplichtigen.

De eerste categorie betreft de beroepsoprichters, die van rechtswege (per definitie) belastingplichtigen zijn als ze de hier bedoelde handeling stellen.

33\. Het gebouw kan in casu btw-technisch worden beschouwd als nieuw in de zin van artikel 44, § 3, 1° W.BTW. X moet dit gebouw bijgevolg btw-belast verkopen op grond van artikel 44, § 3, 1°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW.

Een gebouw is nieuw voor btw-doeleinden tot uiterlijk 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of inbezitneming ervan (btw-nieuwheidstermijn). Het is in dit verband enkel van belang dat het belastbare feit van de levering plaatsvindt binnen deze btw-nieuwheidstermijn.

34\. De verwijzing naar de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van het gebouw of gedeelte van een gebouw na verbouwing is verder in principe duidelijk wanneer deze ingebruikneming of inbezitneming tijdens de duur van de verbouwingswerken omwille van de aard of het belang van de uitgevoerde werken onderbroken werd, zoals dit in casu het geval zal zijn.

### *III.D. Recht op btw-aftrek in hoofde van X*

35\. De aanvrager verklaart de intentie te hebben om het gebouw na de onroerende werken btw-belast te verkopen. Als beroepsoprichter in de zin van artikel 12 § 2 W.BTW oefent X haar recht op aftrek van input-btw op grond van artikel 45, § 1 W.BTW onmiddellijk uit in de periodieke btw-aangiften die zij indient.

36\. Het recht op btw-aftrek ontstaat van zodra de (naar objectieve maatstaven aantoonbare) intentie bestaat om in de toekomst een btw-belaste activiteit uit te oefenen die recht op btw-aftrek verleent.

Dit principe werd al meermaals bevestigd in het Europees rechtersrecht *(3)*. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft wel benadrukt dat de btw-administratie van de betrokken belastingplichtige kan eisen dat hij concrete en objectieve gegevens aanbrengt ter staving van de intentie om een economische activiteit op te starten waardoor belaste handelingen worden verricht *(4)*.

---

*\[(3) Zie o.a. H.v.J. 14.02.1985,* [*C-268/83*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest)*, Rompelman, www.curia.europa.eu; H.v.J 29.02.1996,* [*C-110/94*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-94-arrest)*, Inzo, www.curia.europa.eu.\]*

*\[(4) H.v.J. 14.03.2013,* [*C-527/11*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-527-11-arrest)*, Ablessio, www.curia.europa.eu.\]*

---

37\. In casu is het duidelijk dat X de intentie heeft om het gebouw genaamd ‘V’ na oplevering btw-belast te verkopen aan derde partijen. Bijgevolg kan X de inkomende btw geheven van de verbouwingskosten gerelateerd aan dit gebouw onmiddellijk in aftrek brengen.

## IV. Conclusie

38\. Op basis van de door de aanvrager verstrekte cijfergegevens (waarover de rulingdienst as such geen uitspraak kan doen; zie randnummer 23 supra) en voor zover de hiervoor bedoelde werken verder ook aanleiding geven tot een aanpassing van het kadastraal inkomen van het gebouw genaamd ‘V’, kan dit gebouw btw-technisch opnieuw worden beschouwd als een nieuw gebouw in de zin van art. 44, § 3, 1° W.BTW.

39\. X kan wegens haar (naar objectieve maatstaven aantoonbare) intentie om in haar hoedanigheid van beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW het betreffende gebouw met btw te verkopen op grond van artikel 44, § 3, 2°, a), tweede lid, eerste gedachtestreepje W.BTW, de btw op de verbouwingskosten gerelateerd aan dit gebouw onmiddellijk in aftrek brengen op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.

## Aangehaalde teksten

5

[KB nr. 14 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) 1 voorkomen

[C-110/94, arrest van 29 februari 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-94-arrest) 1 voorkomen

[268/83, arrest van 14 februari 1985](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest) 1 voorkomen

[C-308/16, arrest van 16 november 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-308-16-arrest) 1 voorkomen

[C-527/11, arrest van 14 maart 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-527-11-arrest) 1 voorkomen
