Fiche van de FOD Financiën
Voorafgaande beslissing nr. 2022.0807 d.d. 28.02.2023
Btw · Rubriek XL, tabel A, bijlage KB nr. 20 · Art. 44,§ 3, 2° W.BTW · Studentenhuisvesting · Vrijgestelde Onroerende verhuur
Samenvatting
Het verlaagd btw-tarief ad zes procent kan toegepast worden voor werken in onroerende staat met betrekking tot de oprichting van studentenkamers en dit conform rubriek XL van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20.
De hoofdhuurovereenkomst die betrekking heeft op de verhuur van studentenkamers afgesloten tussen de oprichter van de studentenkamers en de onderwijsinstelling als ook de onderhuurovereenkomst af te sluiten tussen de onderwijsinstelling en de effectieve bewoners (studenten), zijn te kwalificeren als van btw vrijgestelde onroerende verhuringen in de zin van artikel 44,§3,2° W.BTW.
Tekst van de beslissing
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Uit het door de DVB gedane onderzoek blijkt het volgende :
2. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 21 en 22 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.
3. Onderhavige rulingaanvraag heeft betrekking op de vraag of dat:
a) De materiële werkzaamheden tot oprichting van de studentenkamers in de zin van artikel 19 §2 Btw-wetboek zijn onderworpen aan het btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XL van Tabel A bij KB nr. 20 Btw-wetboek.
b) De hoofdhuurovereenkomst met … waarbij …zal optreden als verhuurder, alsook de Onderhuurovereenkomst af te sluiten door … met de effectieve bewoners (studenten), zijn te kwalificeren als van btw vrijgestelde onroerende verhuringen in de zin van artikel 44, § 3,2° Btw-wetboek, waardoor er geen sprake zal ziin van enige verplichte, dan wel optionele btw-heffing over de periodieke huurvergoedingen die verschuldigd zullen door … aan … noch over de huurvergoedingen die verschuldigd
zullen zijn door de studenten aan ….
I.A. Met betrekking tot de toepassing van rubriek XL van tabel A, KB nr. 20 bij de oprichtingswerken.
4. Het project voorwerp van huidige rulingaanvraag bestaat uit de realisatie van minimum … en maximum … studentenkamers (…) met bijhorende gemeenschappelijke ruimtes(...) en omgevingsaanleg.
5. De projectsite is gelegen te … aan de … (hierna ook "de projectsite"), deels op hetzelfde kadastraal perceel en deels aangrenzend aan het perceel waarop het … gebouw is gelegen, i.e. de onderwijscampus van … te …, geopend in het voorjaar van … en waar studenten terecht kunnen voor opleidingen in de studiegebieden gezondheidszorg, handelswetenschappen en bedrijfskunde, industriële wetenschappen en technologie, onderwijs en sociaal-agogisch werk.
6. De te realiseren studentenkamers zullen worden verhuurd door … aan studenten die er zich zullen huisvesten.
7. Hiertoe zijn partijen voornemens deze samenwerking als volgt vorm te geven:
- Het project wordt gerealiseerd op een terrein gelegen aan de…, waarvan … thans reeds gedeeltelijk eigenaar is en waarvan zij nog gedeeltelijk de eigendom zal verwerven door aankoop van …. (Met het oog op deze aankoop werd reeds een onderhandse overeenkomst opgemaakt dd. …).
- … zal vervolgens - nadat zij eigenaar is geworden van de volledige site – een
Erfpachtrecht( met eenmalige canon van …,duurtijd 99 jaar met optie van een opstalrecht voor een bijkomende termijn 50 jaar, zonder dat recht op natrekking speelt) vestigen op de projectsite t.v.v…..
- In de Erfpachtovereenkomst werd uitdrukkelijk bepaald dat de Projectgronden uitsluitend gebruikt mogen worden voor de ontwikkeling van het Project en/of in het algemeen studentenhuisvesting en/of infrastructuur voor onderwijsvoorzieningen, zolang er in de nabije omgeving van de Projectgronden onderwijsactiviteiten (hoger onderwijs) verleend worden). Elke andere bestemming is niet toegestaan, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming door de Erfpachtgever.
- … zal, in hoedanigheid van Erfpachthouder, op de Projectgrond vervolgens de onroerende werkzaamheden laten verrichten met het oog op de realisatie/oprichting van de studentenkamers.
- … zal deze studentenkamers -vanaf oplevering - verhuren aan … (Hoofdhuur vaste termijn van 99 jaar ) die de studentenkamers op haar beurt hoofdzakelijk zal onderverhuren(Onderhuur 12 maanden) aan studenten die zijn ingeschreven bij één van de instellingen die deel uitmaken van de …, waarvan …… lid is.
- Verdere onderverhuring is niet toegestaan, tenzij na de schriftelijke toestemming. Onderverhuren aan een andere student is wel toegestaan wanneer de student deelneemt aan een studie-uitwisselingsprogramma of een stage moet volbrengen.
• Wettelijke bepalingen en principes
8. Krachtens rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 is het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing op:
1° de leveringen van gebouwen, bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond
van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Wetboek is vrijgesteld, alsook de vestigingen, overdrachten en
wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld;
2° de levering van gebouwen bestemd voor de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding, die op grond van artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, zesde streepje, van het Wetboek zijn vrijgesteld alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld;
3° het werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek, met uitsluiting van de reiniging, en de andere handelingen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, met betrekking tot de onder 1° en 2° genoemde gebouwen;
4° de onroerende financieringshuur of onroerende leasing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek en de onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek, die betrekking hebben op de onder 1° en 2° bedoelde gebouwen.
9. Bij circulaire 2018/C/6 van 18 januari 2018 wordt het toepassingsgebied van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 inzake de btw-tarieven nader toegelicht.
10. De onder rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 handelingen dienen aldus betrekking te hebben op gebouwen bestemd voor het verrichten van:
- school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren. Het betreft dus gebouwen bestemd om te worden gebruikt door een onderwijsinstelling voor het verstrekken van onderricht dat op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek is vrijgesteld;
- beroepsopleiding of –herscholing;
- nauw met het vrijgesteld onderwijs samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies spijzen en dranken.(randnummer 10, 2018/C/6)
De terreinen die deel uitmaken van de onderwijscampus, alsook de bij die terreinen ingelijfde installaties (bv. (overdekte) speelplaats met inbegrip van de toestellen voor sport en vermaak die zijn ingelijfd bij de grond, sportterrein, parking, fietsenstalling, afsluitingen, toegangsweg, serre enz.) worden eveneens beoogd door voormelde rubriek XL.(randnummer 6, 2018/C/6)
In verband met de lokalen van een gebouw bestemd voor vrijgesteld onderwijs wordt opgemerkt dat niet alleen de lokalen bestemd voor het eigenlijke onderricht (klaslokalen, zorglokaal, sportzalen, aula, wetenschaps-, computerlokalen e.d., werkplaatsen, enz.) worden beoogd, maar ook al de andere plaatsen die worden gebruikt door de studenten (refters, lees- en recreatiezalen, studiezalen, bibliotheken, gebedsruimte, buitenschoolse kinderopvang, enz.), alsmede lokalen bestemd voor het personeel (leraarslokaal, enz.), de technische lokalen (keukens, kelders, bergplaatsen, enz.), de administratieve lokalen (het secretariaat, enz.), de lokalen die gebruikt worden door de CLB’s en de zogenaamde 'mini-ondernemingen' of 'leerbedrijven'.(randnummer17, 2018/C/6)
Het hierboven bedoeld onderwijs alsook de nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen dienen bovendien te worden verstrekt door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten.(randnummer 13, 2018/C/6)
Zowel de bouwheer (m.n. degene die onroerende handelingen laat verrichten aan het gebouw, eigenaar of huurder), de verkrijger (m.n. de koper van het gebouw of degene die een zakelijk recht op dat gebouw verkrijgt), als de leasingnemer kan zich als afnemer beroepen op het voordeel van het btw-tarief van 6%. Dit kan zowel de onderwijsinstelling of de centra zelf zijn, een externe bouwpromotor, de DBFM-vennootschap, een intercommunale, een stadsontwikkelingsbedrijf,…(randnummer 41, 2018/C/6)
11. Wat onder vrijgesteld onderwijs valt wordt verder toegelicht bij circulaire 50/2013 van 29 november 2013.
“Naast het eigenlijke onderwijs verrichten instellingen waarvan de onderwijsprestaties worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Wetboek in het kader van hun geregelde werkzaamheid tevens verscheidene andere leveringen van goederen en diensten. Betreffende leveringen en diensten gaan van het vervoer van de leerlingen tot het verschaffen van logies, spijzen en dranken aan leerlingen en onderwijzend personeel. Al die handelingen die gewoonlijk door onderwijsinstellingen worden verstrekt zijn eveneens van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van voornoemd Wetboek voor zover ze nauw met het vrijgestelde onderwijs samenhangen.”(randnummer 20, circulaire 50/2013 van 29 november 2013)
“Deze diensten en goederenleveringen kunnen slechts worden aangemerkt als "nauw samenhangend" met betreffende vrijgestelde onderwijsprestaties wanneer zij daadwerkelijk worden verstrekt als nevenprestatie bij dat vrijgestelde onderwijs dat de hoofdprestatie vormt (z. punt 28 van arrest C-434/05, HvJ, 14 juni 2007, in de zaak Stichting Regionaal Opleidingen Centrum Noord-Kennemerland/West-Friesland (Horizon College) tegen Staatssecretaris van Financiën). Het verrichten van die diensten en goederenleveringen mag aldus geen doel op zich vormen maar slechts een middel om ervoor te zorgen dat de hoofdprestatie, zijnde de overeenkomstig artikel 44, § 2, 4°, a), van het Wetboek van de belasting vrijgestelde onderwijsprestaties, onder optimale omstandigheden wordt verricht en dit zonder hierbij evenwel uit het oog te verliezen dat dergelijke handelingen in principe slechts mogen worden verricht door of tussen organisaties waarvan de handelingen door voornoemd artikel worden beoogd”.(randnummer 2, circulaire 50/2013 van 29 november 2013)
• In casu
12. De aanvragers zijn van oordeel dat de voorgenomen werken in onroerende staat met het oog op de realisatie van desbetreffende studentenkamers met bijhorende gemeenschappelijke ruimtes en omgevingsaanleg op de campus van … te … de toepassing van het verlaagd tarief gelijk aan 6% btw kunnen genieten op grond van rubriek XL tabel A, Kb nr. 20.
13. De aanvragers brengen in dat kader volgende stukken bij:
- Erfpachtovereenkomst(duurtijd ( met eenmalige canon van …, duurtijd 99 jaar met optie van een opstalrecht voor een bijkomende termijn 50 jaar, zonder dat recht op natrekking speelt) afgesloten tussen … en …
- Hoofdhuurovereenkomst(duurtijd van 99 jaar) tussen … en …
- Een model onderverhuurovereenkomst( maximale duurtijd van 12 maanden) tussen … en de student
14. Uit de erfpachtovereenkomst(…) en het daarbij toegevoegd landmetersplan(…) blijkt dat de studentkamers, bijhorende gemeenschappelijke ruimtes en omgevingsaanleg zullen opgericht worden op het perceel waarvan de onderwijsinstelling reeds gedeeltelijk eigenaar is en waarvan zij nog gedeeltelijk de eigendom zal verwerven door aankoop(een onderhandse overeenkomst werd reeds opgemaakt) van .... … zal vervolgens - nadat zij eigenaar is geworden van de volledige site een erfpachtrecht vestigen op de projectsite t.v.v. ….
15. In de erfpachtovereenkomst(…) werd uitdrukkelijk bepaald dat de Projectgronden uitsluitend gebruikt mogen worden voor de ontwikkeling van het Project en/of in het algemeen studentenhuisvesting en/of infrastructuur voor onderwijsvoorzieningen, zolang er in de nabije omgeving van de Projectgronden onderwijsactiviteiten (hoger onderwijs) verleend worden. Elke andere bestemming is niet toegestaan, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming door de Erfpachtgever.
16. Verder bepaald de hoofdhuurovereenkomst in … het gehuurde goed uitsluitend bestemd is als residentie voor studentenhuisvesting. Het Gehuurde Goed wordt door de Verhuurders aan de Hoofdhuurder verhuurd uitsluitend met het oog op de onderverhuring van de Units door de Hoofdhuurder als studentenhuisvesting. Verder bepaalt … dat de Units hoofdzakelijk worden (onder)verhuurd aan studenten die ingeschreven zijn bij één van de instellingen die deel uitmaken van de …. … stelt dat verdere onderverhuring door de student/tijdelijk personeelslid is toegestaan, conform de bepalingen opgenomen in de Onderhuurovereenkomsten.
17. Op basis van de door de aanvragers geleverde stukken en verklaringen is de DVB van oordeel dat de oprichtingswerken van de studentenkamers (…) met bijhorende gemeenschappelijke ruimtes (...) en omgevingsaanleg onder toepassing vallen van het verlaagd tarief gelijk aan 6% op grond van rubriek XL, tabel A Kb nr. 20.
18. Immers:
- De realisatie van de studentenkamers met bijhorende gemeenschappelijke ruimtes en omgevingsaanleg zal plaatsvinden op het bestaande … te …
- De beoogde handelingen hebben betrekking op gebouwen bestemd voor het verrichten van nauw met het vrijgesteld onderwijs samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken;
- De gerealiseerde gebouwen zullen uitsluitend, in elk geval hoofdzakelijk, gebruikt worden voor het verstrekken van nauw met het vrijgesteld onderwijs samenhangende diensten en leveringen van goederen;
- De bestemming als residentie voor studenthuisvesting is vastgelegd in verschillende overeenkomsten (erfpachtovereenkomst, hoofdhuurovereenkomst, onderhuurovereenkomst) en wordt in desbetreffende overeenkomsten opgelegd aan de verschillende partijen alsook aan alle mogelijke rechtsopvolgers.
19. Uit hetgeen voorafgaat is de DVB dan ook van oordeel dat de voorgenomen werken in onroerende staat met het oog op de realisatie van desbetreffende studentenkamers met bijhorende gemeenschappelijke ruimtes en omgevingsaanleg op de .. van … te … de toepassing van het verlaagd tarief gelijk aan 6% btw kunnen genieten op grond van tabel XL, Kb nr. 20.
I.B. Met betrekking tot de toepassing van art. 44,§3 2° W.BTW.
• Wettelijke bepalingen en principes
20. Art. 44, §3, 2° WBTW bepaalt:
§ 3. Van de belasting zijn nog vrijgesteld:
“2° de verpachting en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering
van:
a) de volgende diensten:
- de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen;
- de terbeschikkingstelling van ruimten die voor meer dan 50 pct. gebruikt worden voor het opslaan van goederen, op voorwaarde dat die ruimten niet voor meer dan 10 pct. worden aangewend als verkoopsruimte. Worden niet bedoeld, die terbeschikkingstellingen waarvoor de optie bedoeld onder punt d) kan worden uitgeoefend;
het verschaffen, voor een periode van minder dan drie maanden, van gemeubeld logies in hotels, motels en inrichtingen met een soortgelijke functie waar gewoonlijk aan betalende gasten onderdak wordt verleend voor een periode van minder dan drie maanden, tenzij die inrichtingen geen van de volgende nauw samenhangende diensten verrichten: instaan voor het fysiek onthaal van de gasten, de terbeschikkingstelling van huishoudlinnen en, wanneer het gemeubeld logies wordt verstrekt voor een periode van meer dan een week, de vervanging ervan tenminste eenmaal per week, en
het dagelijks verschaffen van het ontbijt, door de exploitant van het logies of
door een derde voor zijn rekening;
- de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;
- de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;
- de terbeschikkingstelling van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;
- de terbeschikkingstelling, voor andere doeleinden dan bewoning, van uit hun
aard onroerende goederen, voor een periode van niet meer dan zes maanden. Deze bepaling is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling aan natuurlijke personen die die goederen aanwenden voor hun privédoeleinden of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan die van hun economische activiteit noch op de terbeschikkingstelling aan organisaties zonder winstoogmerk. Deze bepaling is evenmin van toepassing op de terbeschikkingstelling aan eenieder, die de goederen aanwendt voor handelingen bedoeld in paragraaf 2;
b) de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende
leasing, wanneer deze onderneming het gebouw waarop het contract betrekking
heeft, opricht, laat oprichten of met voldoening van de belasting verkrijgt en de
leasingnemer dit goed huurt om het in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige te gebruiken; de Koning omschrijft de voorwaarden waaraan het
contract van onroerende financieringshuur moet voldoen, inzonderheid met
betrekking tot de duur van het contract, de aard en de bestemming van de
goederen die er het voorwerp van uitmaken, alsmede de rechten en plichten van de
leasingnemer;
c) de verhuur van safeloketten;
d) de verhuur van een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door de huurder
uitsluitend wordt gebruikt voor de economische activiteit die hem de hoedanigheid
van belastingplichtige verleent, mits de verhuurder en de huurder gezamenlijk opteren om die verhuur te belasten. Als een gebouw of een gedeelte van een gebouw tegelijk wordt verhuurd met het bijhorend terrein, moet de optie worden uitgeoefend ten anzien van beide onroerende goederen samen.
De optie geldt voor de gehele duur van de overeenkomst.
De optie kan enkel worden uitgeoefend voor overeenkomsten die betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvoor de belasting op de handelingen bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is. Deze voorwaarde is niet van toepassing op de overeenkomsten tot terbeschikkingstelling van ruimten voor het opslaan van goederen bedoeld onder punt a), tweede streepje waarvoor de optie kan worden uitgeoefend.”
21. De belastbare onroerende verhuur geniet een principiële vrijstelling (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek). Dit is de algemene regel ten aanzien van de verhuur van een woning of een appartement voor doeleinden van bewoning.(btw-commentaar – specifieke topics – Onroerende goederen – Diensten – Hoofdstuk 4 toekenning van een gebruiksrecht op een onroerende goed – Punt C.c)
22. De principiële vrijstelling voor onroerende verhuur kent de volgende uitzonderingen:
• de verplicht te belasten verhuur (artikel 44, § 3, 2 °, a), b), c), van het Btw-Wetboek)
• de optioneel te belasten verhuur door gezamenlijke optie van de verhuurder en de huurder (artikel 44, § 3, 2 °, d), van het Btw-Wetboek). .(btw-commentaar – specifieke topics – Onroerende goederen – Diensten – Hoofdstuk 4 toekenning van een gebruiksrecht op een onroerende goed – Punt C.c)
23. Deze uitzonderingen zijn, naargelang het geval, afhankelijk van :
• de huurtermijn (voor de verplichte belastingheffing van de kortdurende onroerende verhuur)
• de aard van het goed:
- een gebouw, een deel van een gebouw, het bijhorende terrein (voor de optionele belastingheffing)
- of meer algemeen, elk uit zijn aard onroerend goed, inclusief het niet bijhorend terrein, in tegenstelling tot het bijhorend terrein zoals bepaald in artikel 1, § 9, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, hierna het onbebouwd terrein (in het bijzonder in het kader van de verplichte belastingheffing van de kortdurende onroerende verhuur).
• de hoedanigheid van de huurder en de aard van het gebruik van het gehuurd goed (in het bijzonder voor de verplichte belastingheffing van de huur van een opslagplaats die beantwoordt aan de normen) .(btw-commentaar – specifieke topics – Onroerende goederen – Diensten – Hoofdstuk 4 toekenning van een gebruiksrecht op een onroerende goed – Punt C.c)
24. Zijn uitgesloten van de verplichte onroerende verhuur met btw en volgen aldus hun eigen regeling, de kortdurende verhuur (niet langer dan zes maanden) van uit hun aard onroerende goederen:
- voor bewoning, ongeacht of het gaat om privéwoningen, om woningen die als hoofdverblijfplaats of als tweede verblijfplaats worden gebruikt, om vakantiewoningen, om studentenverblijven of woningen voor beroepsdoeleinden in het kader van bijvoorbeeld, de organisatie door een onderneming van een verblijf aangeboden aan haar personeelsleden Het feit dat de overeenkomst wordt gesloten met een rechtspersoon verhindert niet de toepassing van de vrijstelling wanneer het onroerend goed daadwerkelijk voor bewoning wordt gebruikt, tenzij er bijkomende diensten worden verstrekt die de actieve tussenkomst van de verhuurder vereisen .( btw-commentaar – specifieke topics – Onroerende goederen – Diensten – Hoofdstuk 4 toekenning van een gebruiksrecht op een onroerende goed – Punt E.g)
• In casu
Kwalificatie vrijgestelde onroerende verhuur
25. Na de oprichting van de studentenkamers zal … desbetreffende kamers verhuren aan …, die deze op haar beurt zal onderverhuren aan de studenten. Hiervoor verwijst de aanvrager naar de hoofdhuurovereenkomst en de onderhuurovereenkomst.
26. De hoofdhuurovereenkomst met … is afgesloten voor een duurtijd van 99 jaar te verlengen tot 149 jaar(…). … zal op haar beurt een onderhuurovereenkomst afsluiten met de studenten voor een maximale duurtijd van 12 maanden.(art. 9.3 hoofdhuurovereenkomst)
27. … zal tevens instaan voor het exploitatiebeheer (m.n. financieel, administratief en technisch beheer en organisatie) van de residentie.(…) … zal de gemaakte kosten voor dit beheer verwerken in de prijszetting van de huur aan de studenten.
28. Rekening houdend hiermee zal de huurprijs die … zal ontvangen van … gelijk zijn aan de maandelijkse onderhuurprijs die effectief zal worden ontvangen door …, na afhouding van … waarmee … haar kosten als onderverhuurder en exploitatiebeheer zal dekken – (…)
29. De aanvragers zijn van oordeel dat noch de huurgelden die verschuldigd zijn op grond van de hoofdhuurovereenkomst noch de huurgelden die verschuldigd zijn op grond van de onderhuurovereenkomst onderworpen zijn aan de verplichte, dan wel optionele btw-heffing.
30. De DVB kan de stelling van de aanvragers volgen. waarbij noch de huurgelden die verschuldigd zijn op grond van de hoofdhuurovereenkomst noch de huurgelden die verschuldigd zijn op grond van de onderhuurovereenkomst als een verplicht dan wel een optionele te belasten onroerende verhuur dienen te worden aangemerkt.
31. Wat de verplicht te belasten verhuur betreft kan het volgende worden vastgesteld:
- (Studenten)bewoning is expliciet uitgesloten van de verplichte btw-heffing op korte termijn(korter dan 6 maanden) zodat in geval de onderhuurovereenkomsten zouden worden afgesloten voor een periode van niet meer dan 6 maanden er geen verplichte heffing volgt op grond van art. 44,§3,2°, a, zevende streepje W.BTW. De hoofdhuurovereenkomst die afgesloten wordt van een duurtijd van minimum 99 jaar valt hoe dan ook evenmin onder toepassing van art. 44,§3,2°, a, zevende streepje W.BTW
- De regeling van het verschaffen van de gemeubelde logies voor een periode koter dan 3 maanden(art. 44, §3,2°d) W.BTW) is bovendien niet van toepassing op de hoofdhuurovereenkomst aangezien deze werd aangegaan voor een periode van 99 jaar en bovendien … niet de bedoelde dienstverlening zal aanbieden zoals vereist in desbetreffende regeling.
- Wat de onderhuurovereenkomst is de regeling van het verschaffen van de gemeubelde logies voor een periode korter dan 3 maanden(art. 44, §3,2°d) W.BTW) evenmin van toepassing aangezien … niet de bedoelde dienstverlening zal aanbieden zoals vereist in desbetreffende regeling. Bovendien verklaart de aanvrager dat desbetreffende studentkamers geen kamers betreffen waar gewoonlijk voor minder van 3 maanden onderdak wordt verleend, maar de duurtijd zal overeenkomen met een academiejaar. In de onderhuurovereenkomst werd er in dat kader een maximale duurtijd van 12 maanden opgenomen.
32. Op grond van de optionele btw heffing op de onroerende verhuur is er evenmin reden om de huurvergoedingen op grond van de hoofdhuurovereenkomst en de onderhuurovereenkomst te onderwerpen aan btw heffing.
33. Immers desbetreffende systeem heeft een optionele karakter. In de mate dat de hoofdhuurovereenkomst zou voldoen aan de materiële grondvoorwaarden verklaren .. noch … dat ze niet voornemens zijn om te opteren voor btw-heffing in de zin van art. 44,§3,2°d) W.BTW. M.b.t. tot de onderhuurovereenkomst is de optionele btw heffing op de onroerende verhuur op grond van 44,§3,2°d) W.BTW niet van toepassing aangezien de huurder(student) geen btw-plichtige zal zijn.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.