Fiche van de FOD Financiën
Voorafgaande beslissing nr. 2022.0207 d.d. 19.04.2022
Vennootschapsbelasting · Belastingneutrale partiële splitsing · Zakelijke overwegingen · Belastingfraude of –ontwijking · Antimisbruikbepaling
BTW · Overdracht van een bedrijfsafdeling · BTW-eenheid · Verkoop van aandelen vrijgesteld van BTW
Samenvatting
De partiële splitsing van de holdingvennootschap X waarbij bepaalde groepsondersteunende activiteiten worden overgedragen aan een recent opgerichte Belgische vennootschap A en de partiële splitsing van de exploitatievennootschap Y waarbij bepaalde exploitatieactiviteiten worden overgedragen aan een recent opgerichte Belgische vennootschap B, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, WIB 92 en kunnen plaatsvinden onder het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.
De keuze voor het geheel van de rechtshandelingen (partiële splitsingen gevolgd door de overdracht van alle aandelen van de vennootschappen A en Y) werd voldoende verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 en maakt geen fiscaal misbruik uit als bedoeld in artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92.
De partiële splitsing van vennootschap X valt onder de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW.
De partiële splitsing van vennootschap Y dient te worden beschouwd als een interne handeling die op grond van artikel 4, § 2, W.BTW buiten de werkingssfeer van de btw valt.
De verkoop van de aandelen van de vennootschappen A en Y is op basis artikel 44, §3, 10°, W.BTW vrijgesteld van btw.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Vennootschap X wenst de bevestiging te verkrijgen dat:
1.1. de partiële splitsing van vennootschap X waarbij een deel van haar vermogen wordt overgedragen aan vennootschap A, beantwoordt aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft in de zin van artikel 183bis WIB 92;
1.2. de terugwerkende kracht van de beoogde partiële splitsing, die 7 maanden niet overschrijdt, kan worden aanvaard voor de toepassing van de vennootschapsbelasting;
1.3. artikel 344, § 1, WIB 92 niet van toepassing is op de voormelde partiële splitsing van vennootschap X naar vennootschap A, gevolgd door een verkoop van de aandelen van vennootschap A aan groep Q;
1.4. de partiële splitsing op het niveau van vennootschap X kwalificeert als een overdracht van een bedrijfsafdeling volgens de artikelen 11 en 18, § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW);
1.5. de verkoop van de aandelen van vennootschap A door vennootschap X aan groep Q kwalificeert als een van btw vrijgestelde handeling overeenkomstig artikel 44, § 3, 10°, W.BTW.
2. Vennootschap Y wenst de bevestiging te verkrijgen dat:
2.1. de partiële splitsing van vennootschap Y waarbij een deel van haar vermogen wordt overgedragen aan vennootschap B, beantwoordt aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, vierde lid, WIB 92 en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft in de zin van artikel 183bis WIB 92;
2.2. de terugwerkende kracht van de beoogde partiële splitsing, die 7 maanden niet overschrijdt, kan worden aanvaard voor de toepassing van de vennootschapsbelasting;
2.3. artikel 344, § 1, WIB 92 niet van toepassing is op de partiële splitsing van vennootschap Y naar vennootschap B, gevolgd door een verkoop van de aandelen van vennootschap Y aan groep Q;
2.4. de partiële splitsing van vennootschap Y naar vennootschap B kwalificeert als een interne transactie buiten het toepassingsgebied van de Belgische btw tussen leden van eenzelfde btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, W.BTW;
2.5. de verkoop van de aandelen van vennootschap Y door vennootschap X aan groep Q kwalificeert als een van btw vrijgestelde handeling overeenkomstig artikel 44, § 3, 10°, W.BTW.
II. Omschrijving van de verrichtingen door de aanvragers
3. Vennootschap X fungeert binnen groep P als holding en verstrekt ondersteunende diensten aan de operationele entiteiten van de groep. De aandelen van deze vennootschap zijn in het bezit van vennootschap P.
4. Vennootschap Y is de grootste Belgische exploitatievennootschap binnen groep P. De aandelen van deze vennootschap zijn in het bezit van vennootschap X. Vennootschap Y bezit tevens verschillende deelnemingen waaronder deze in vennootschap Z.
5. Vennootschap X heeft recent een aandelenkoopovereenkomst ondertekend met groep Q met betrekking tot alle aandelen van vennootschap Y waarbij werd overeengekomen dat de groep Q activiteit 1 van groep P niet zal overnemen, noch de activiteiten van groep P die momenteel worden uitgevoerd door vennootschap Z. Alleen activiteit 2 van groep P zal worden overgedragen.
6. In deze context dienen activiteit 1 en de aandelen van vennootschap Z te worden afgezonderd. Er wordt een partiële splitsing van vennootschap Y overwogen waarbij activiteit 1 en de participatie in vennootschap Z zullen worden overgedragen aan de recent opgerichte groepsvennootschap B. Vennootschap X zal naar aanleiding van deze verrichting alle nieuwe aandelen van vennootschap B verkrijgen.
7. In dezelfde context wordt tevens een partiële splitsing van vennootschap X overwogen waarbij de groepsondersteunende diensten die verband houden met activiteit 2, die aan groep Q zal worden verkocht, zullen worden overgedragen aan de recent opgerichte groepsvennootschap A. Vennootschap P zal naar aanleiding van deze verrichting alle nieuwe aandelen van vennootschap A verkrijgen, die ze vervolgens zal verkopen aan vennootschap X waardoor deze laatste als enige verkoper van de aandelen van vennootschap Y en van vennootschap A zal optreden in de transactie met groep Q.
III. Beslissing
III.A. Betreffende de toepassing van artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92 op de partiële splitsingen van vennootschap X en vennootschap Y
8. De partiële splitsing van vennootschap Y en de partiële splitsing van vennootschap X beantwoorden aan de definitie van een met een splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/1, g), WIB 92.
9. De betreffende partiële splitsingen kaderen binnen een strategische keuze om een deel van de activiteiten te verkopen aan groep Q. In het kader van de voormelde transactie met de groep Q werd beslist om de bestanddelen verbonden aan de activiteiten 1 en 2 binnen vennootschap X en vennootschap Y op te delen. Hierdoor kan de overdracht naar de derde-overnemer worden gerealiseerd.
10. De betreffende partiële splitsingen zullen dan ook worden gevolgd door de verkoop van alle aandelen van vennootschap A en van alle aandelen van vennootschap Y aan groep Q. De aanvragers hebben bevestigd dat vennootschap X en vennootschap B deel zullen blijven uitmaken van groep P en dat groep P zich op deze wijze verder zal kunnen concentreren op de ontwikkeling van haar resterende activiteiten. In dit verband wordt erop gewezen dat de verkoopprijs van de aandelen van de vennootschappen A en Y door groep P na de overdracht zal worden aangewend voor de gedeeltelijke terugbetaling van externe schulden.
11. Op basis van de door de aanvragers verkregen informatie kan worden opgemaakt dat alle activiteiten bij voortduur zullen worden verdergezet en dat de tewerkstelling zal behouden blijven. Alle personeelsleden van vennootschap Y verbonden aan activiteit 1 zullen mee worden overgedragen aan vennootschap B. De aanvragers hebben tevens verklaard dat alle personeelsleden van vennootschap X mee zullen worden overgedragen aan vennootschap A en dat er nadien aan de personeelsleden die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de activiteiten in de resterende groep, een arbeidscontract zal worden aangeboden door vennootschap X. Voor zover bekend bij de aanvragers, heeft groep Q de intentie om activiteit 2 en de daaraan verbonden werkgelegenheid in België te behouden zolang dit economisch kan worden verantwoord.
12. Ingeval van een (partiële) splitsing in toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92 worden de verkrijgende vennootschappen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 213, WIB 92, bij het bepalen van het gestorte kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst die ingeval van (partiële) splitsing bij elk van de overnemende of verkrijgende vennootschappen in aanmerking worden genomen, geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van de (partieel) gesplitste vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van hen gedane inbreng te hebben overgenomen of verkregen. De aanvragers hebben bevestigd en aangetoond dat de verdeling van de fiscale vermogensbestanddelen conform het bepaalde in artikel 213, WIB 92 zal gebeuren. Vennootschap Y heeft enkel een vrijgestelde reserve met betrekking tot een sale & lease back transactie. Vennootschap X heeft geen vrijgestelde reserves. Aangezien vennootschappen A en B recent werden opgericht, beschikken zij niet over vrijgestelde reserves.
13. De aanvragers hebben bevestigd dat vennootschappen X en Y over fiscaal overgedragen verliezen en overgedragen DBI-aftrek beschikken. De aanvragers hebben bevestigd dat de fiscaal overgedragen verliezen en overgedragen DBI-aftrek van vennootschap X en vennootschap Y conform het bepaalde in artikel 206, § 2, WIB 92 zullen worden verdeeld en beperkt. Naast fiscaal overgedragen verliezen en overgedragen DBI-aftrek beschikt vennootschap X eveneens over een overgedragen financieringskostensurplus die volgens de aanvragers verband houdt met de financieringsactiviteiten die bij vennootschap X zullen achterblijven. Daarom zal deze fiscale latentie ook volledig behouden blijven binnen vennootschap X. Vennootschappen A en B beschikken niet over overgedragen fiscaal aftrekbare bestanddelen aangezien deze recent werden opgericht.
14. De aanvragers hebben bevestigd dat de aandelen van vennootschap X en vennootschap B binnen de resterende groep P zullen worden behouden en er aldus geen intentie bestaat om deze aandelen te vervreemden.
15. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de partiële splitsingen van vennootschap X en vennootschap Y plaatsvinden op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking hebben in de zin van artikel 183bis, WIB 92.
16. De verkrijgende vennootschappen A en B zijn binnenlandse vennootschappen.
17. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92 is voldaan, zodat de partiële splitsingen van vennootschap X en vennootschap Y kunnen worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.
III.B. Betreffende de boekhoudkundige retroactiviteit van de partiële splitsingen op het vlak van de vennootschapsbelasting
18. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag, inzonderheid t.a.v. voormeld boekhoudkundig retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:
18.1. met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband wordt opgemerkt dat een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maanden, in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;
18.2. en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.
19. In het kader van de in randnummer 18.2 gestelde voorwaarde wordt inzonderheid gewezen op het feit dat de fiscale nettowaarden kunnen worden gemanipuleerd met het oog op een maximale overdracht van de fiscaal overdraagbare verliezen en/of overgedragen DBI-aftrek door deze fiscale nettowaarden op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum (in plaats van op de juridische datum van de verrichting) in aanmerking te nemen (zie dienaangaande randnummer 211/14 van de administratieve commentaar op het WIB 92). Vennootschappen X en Y beschikken over fiscaal overdraagbare verliezen en overgedragen DBI-aftrek. De aanvragers hebben evenwel verklaard dat er tijdens de voorziene retroactiviteitsperiode geen uitzonderlijke verrichtingen zullen plaatsvinden die een wezenlijke impact hebben op de fiscale nettowaarden zodat van een mogelijke “manipulatie” van de fiscale nettowaarden geen sprake zal zijn.
20. Derhalve kan worden gesteld dat de retroactiviteitsclausule een correcte toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat en dat de boekhoudkundige retroactiviteit bij de betreffende partiële splitsingen op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard.
III.C. Betreffende de toepassing van artikel 344, § 1, WIB 92 op het geheel van de rechtshandelingen
21. De partiële splitsingen van de vennootschappen X en Y zullen worden gevolgd door de verkoop van alle aandelen van vennootschap A en van vennootschap Y aan een derde partij. Een partiële splitsing in combinatie met een verkoop van alle aandelen van één van de bij de partiële splitsing betrokken vennootschappen met het oog op de overdracht van een deel van de activa, zou ten name van de overdragende partij als een fiscaal misbruik kunnen worden aanzien in de zin van artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 (omzetten van belastbare meerwaarden op activa in vrijgestelde meerwaarden op aandelen waardoor de toepassing van artikel 24 WIB 92 zou kunnen worden gefrustreerd).
22. Er rust een aanzienlijke latente meerwaarde op de activiteiten van vennootschappen X en X die aan groep Q zullen worden overgedragen waarop, ingeval van een gewone verkoop van deze activiteiten door vennootschappen X en Y aan een door groep Q opgerichte vennootschap, de in randnummer 13 vermelde bestanddelen in mindering zouden kunnen worden gebracht (onder voorbehoud evenwel van de aftrekbeperking zoals bedoeld in artikel 207, vijfde lid, WIB 92). In beide gevallen zou een verkoop aldus geen aanleiding geven tot een effectieve belasting op het volledige bedrag van deze meerwaarde ten name van de vennootschappen X en Y. Anderzijds betekent dit wel dat deze overgedragen bestanddelen, die in mindering zouden worden gebracht van deze gerealiseerde meerwaarden ingeval van een gewone verkoop, niet meer in mindering zouden kunnen worden gebracht van andere belastbare inkomsten die deze vennootschappen in de toekomst zouden verkrijgen. Het feit dat de kopende partij in dat geval de verkregen actiefbestanddelen zal kunnen afschrijven op basis van de werkelijke waarde (i.p.v. de boekwaarde bij een belastingneutrale verrichting), kan bezwaarlijk als een argument worden gebruikt ten voordele van de overdragende partij.
23. Het geheel van de verrichtingen, zijnde de partiële splitsingen van vennootschap X en vennootschap Y gevolgd door de verkoop van alle aandelen van vennootschap A en van alle aandelen van vennootschap Y aan een derde partij, kadert binnen een strategische beslissing van groep P om een deel van haar activiteiten af te stoten. Het afzonderen van enerzijds activiteit 1 en de participatie in vennootschap Z en anderzijds de intercompany ondersteunende diensten die verband houden met de af te stoten activiteit 2 in telkens een afzonderlijke vennootschap moet ervoor zorgen dat een overdracht naar een derde partij wordt vereenvoudigd. De rechtshandeling van een partiële splitsing is hiervoor een aangewezen middel vermits zij een overdracht van rechtswege toelaat van alle activa, passiva, rechten en verplichtingen zonder de continuïteit van de betrokken activiteiten in het gedrang te brengen.
24. Op deze wijze kan groep P zich meer concentreren op haar resterende activiteiten in de vennootschappen X en B. In dit verband wordt erop gewezen dat de verkoopprijs van de aandelen van vennootschap A en van vennootschap Y door groep P op korte termijn zal worden geherinvesteerd door aan externe schuldafbouw te doen. Aldus zal een bedrag van ten minste de latente meerwaarde op de aan groep Q overgedragen activiteit 2 worden aangewend voor externe schuldafbouw, hetgeen zal leiden tot een vermindering van de interestlasten en een verhoging van het boekhoudkundig resultaat bij vennootschap X (en de resterende groep P in het algemeen).
25. Bovendien leiden de voornoemde verrichtingen (partiële splitsing gevolgd door een verkoop van aandelen waarbij de verkoopprijs onmiddellijk wordt verkregen door de aandeelhouders van de partieel te splitsen vennootschap) niet tot een frustratie van artikel 261, eerste lid, 1°, WIB 92 aangezien bij een gewone verkoop van de over te dragen activiteit 2 door vennootschap X en vennootschap Y gevolgd door een dividenduitkering ten bedrage van de verkregen verkoopsom door vennootschap X en vennootschap Y aan hun respectievelijke aandeelhouders geen aanleiding zou geven tot een inhouding van roerende voorheffing op grond van artikel 106, § 5 of § 6, KB/WIB 92.
26. De aanvragers hebben bevestigd dat de aandelen van vennootschap X en vennootschap B binnen de resterende groep P zullen worden behouden en er aldus geen intentie bestaat om deze aandelen te vervreemden.
27. De aan de DVB voorgelegde verrichtingen leiden evenmin tot een frustratie van de toepassing van artikel 206, § 2, WIB 92.
28. Gelet op het voorgaande is de DVB van mening dat de keuze voor het geheel van de opeenvolgende rechtshandelingen door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 en geen fiscaal misbruik uitmaakt als bedoeld in artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92.
29. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvragers vermeld werden. De DVB spreekt zich, ondanks het vermelde in de randnummers 14 en 26 niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344, §1, WIB 92, …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing, zoals bijvoorbeeld de eventuele toekomstige overdracht van de aandelen van vennootschap X en/of vennootschap B. Bij een latere overdracht van deze aandelen is de beslissing zoals vermeld in randnummers 17, 20 en 28 niet langer geldig, tenzij de DVB in een avenant aan de beslissing de geldigheid ervan zou bevestigen.
30. De beslissing zoals vermeld in randnummers 17, 20 en 28 is slechts geldig voor zover het engagement inzake de externe schuldafbouw ten belope van ten minste de latente meerwaarde op de overgedragen activiteit 2 zal worden nageleefd en van de externe schuldafbouw het bewijs zal worden verstrekt aan de bevoegde controlediensten voor de vennootschappen X en Y uiterlijk bij indiening van de aangiftes in de vennootschapsbelasting verbonden aan het aanslagjaar waarin de transactie met groep Q plaatsvond.
III.D. Betreffende de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3 W.BTW op de partiële splitsing van vennootschap X
31. Overeenkomstig artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.
32. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).
33. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.
34. De artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.
35. Op basis van de door de aanvragers verstrekte informatie mag worden geconcludeerd dat de partiële splitsing van vennootschap X resulteert in de overdracht ten bezwarende titel van de intra-groepsdiensten/serviceactiviteit m.b.t. activiteit 2, omvattende alle activa, passiva, rechten, verplichtingen alsook het personeel dat zorgt voor het beheer en de exploitatie van de beoogde activa, en alle elementen die verbonden zijn daaraan, zoals bijhorende contracten, zakelijke rechten, goedkeuringen etc.
36. Er kan worden geconcludeerd dat de overdracht van alle activa en passiva verbonden aan de intra-groepsdiensten/serviceactiviteit die afgezonderd worden, de overnemer (vennootschap A) zullen toelaten om een zelfstandige economische activiteit uit te oefenen.
37. Zo ook worden de door vennootschap X aan vennootschap A overgedragen intra-groepsdiensten/serviceactiviteit aangemerkt als een met btw-belaste activiteit die voor de overnemer (vennootschap A) minstens een gedeeltelijk recht op aftrek doet ontstaan.
38. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dan ook dat de van vennootschap X naar vennootschap A overgedragen intra-groepsdiensten/serviceactiviteit op grond van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW noch als een levering van goederen, noch als een levering van diensten beschouwd wordt, aangezien:
• vennootschap A recht op aftrek geniet;
• vennootschap A de activiteiten van vennootschap X voortzet; en
• het een overdracht van een bedrijfsafdeling betreft.
III.E. Betreffende de toepassing van de artikel 4, §2, W.BTW op de partiële splitsing van vennootschap Y
39. Artikel 4, § 2, W.BTW bepaalt het volgende: “De Koning kan, in de gevallen en volgens de regels die Hij bepaalt, de in België gevestigde personen die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, voor de toepassing van dit Wetboek als één belastingplichtige aanmerken”.
40. De voorgenomen transactie met groep Q heeft geen betrekking op activiteit 1 van vennootschap Y en de commerciële activiteit van vennootschap Z, die behouden blijven binnen groep P. Zo zal vóór voltooiing van de transactie de activa en passiva van vennootschap Y met betrekking tot haar activiteit 1, samen met de aandelen van vennootschap Z, worden afgezonderd via een partiële splitsing aan een andere recent opgerichte Belgische vennootschap B.
41. Het is de bedoeling dat vennootschap B voorafgaand aan de partiële splitsing van vennootschap Y zal toetreden tot de bestaande btw-eenheid van groep P.
42. Vermits de btw-eenheid overeenkomstig artikel 4, § 2, W.BTW als één belastingplichtige wordt aangemerkt, vallen transacties tussen de leden buiten de werkingssfeer van de btw. Dit is het geval indien vennootschap B en vennootschap Y op het moment van de partiële splitsing lid zijn van dezelfde btw-eenheid.
43. Voor de volledigheid merkt de DVB op dat ze niet bevoegd is om uitsluitsel te geven omtrent de vraag of de voorwaarden van deze eenheid (van de btw-eenheid zelf en de toetredingsvoorwaarden van de daartoe horende leden) zijn vervuld. In de veronderstelling dat dit het geval is (waarvoor de aanvragers uitsluitsel kunnen bekomen bij de plaatselijke controle) kan de DVB wel bevestigen dat de overdracht van activa en passiva tussen leden van éénzelfde btw-eenheid, ook wel interne handeling genoemd, buiten het toepassingsgebied van de btw valt.
44. De overdrachten, die in het kader van de hierboven bedoelde partiële splitsing wordt verricht tussen leden van dezelfde btw-eenheid, geven in principe dan ook geen aanleiding tot herziening van de eventuele door de btw-eenheid over die bestanddelen afgetrokken btw, in de veronderstelling uiteraard dat deze bestanddelen door de btw-eenheid in dezelfde mate blijven gebruikt worden voor btw-belaste handelingen.
III.F. Betreffende de toepassing van artikel 44, §3, 10°, W.BTW op de verkoop van de aandelen van vennootschap A en vennootschap Y
45. Artikel 44, §3, 10° W.BTW bepaalt het volgende: “Van de belasting zijn nog vrijgesteld: handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitsluiting van documenten die goederen vertegenwoordigen;”
46. De aanvragers stellen dat na de betreffende partiële splitsingen de aandelen van vennootschap A en de aandelen van vennootschap Y zullen worden verkocht aan groep Q en dat vennootschap A en vennootschap Y, als alleenstaande vennootschappen, niet langer zullen deel uitmaken van de btw-eenheid van groep P.
47. Desbetreffende aandelenverkoop valt onder het toepassingsgebied van artikel 44, §3, 10°, W.BTW en wordt derhalve dan ook aangemerkt als een van btw vrijgestelde handeling.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.