---
title: "Voorafgaande beslissing 2021.0568 · Vennootschapsbelasting"
description: "Vennootschapsbelasting, Belastingvrije inbreng van een bedrijfsafdeling. Belgische voorafgaande beslissing nr. 2021.0568 van 13 juli 2021."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2021-0568-vennootschapsbelasting-belastingvrije-inbreng-bedrijfsafdeling-zakelijke-b2d5"
lang: "nl"
---

# Vennootschapsbelasting, Belastingvrije inbreng van een bedrijfsafdeling, Zakelijke overwegingen · Vennootschapsbelasting - Belastingvrije inbreng van een bedrijfsafdeling - Zakelijke overwegingen - Belastingfraude of –ontwijking - Meerwaarden op aandelen - BTW - Overdracht van een bedrijfsafdeling

**Nummer**

2021.0568

**Datum**

13 juli 2021

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

97 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2021.0568 d.d. 13.07.2021

*Vennootschapsbelasting* · *Belastingvrije inbreng van een bedrijfsafdeling* · *Zakelijke overwegingen* · *Belastingfraude of –ontwijking* · *Meerwaarden op aandelen*

*BTW* · *Overdracht van een bedrijfsafdeling*

## Samenvatting

De inbreng van activiteit A door vennootschap X in een bestaande vennootschap Y waarbij alle specifiek aan deze activiteit verbonden activa, passiva en personeel worden overgedragen, kan worden aangemerkt als een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid in de zin van artikel 46, §1, eerste lid, 2°, WIB 92 en beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis, WIB 92 zoals voorgeschreven in artikel 46, §1, derde lid, 3°, WIB 92. Deze inbreng dient met toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW te gebeuren.

De meerwaarde die vennootschap X zal realiseren naar aanleiding van de verkoop van de aandelen van vennootschap Y binnen het jaar na de inbreng valt onder het toepassingsgebied van artikel 192, §1, eerste lid, WIB 92, aangezien overeenkomstig artikel 192, §1, zevende lid, WIB 92 aan de minimale houdperiode van één jaar is voldaan.

De keuze voor het geheel van de rechtshandelingen (inbreng gevolgd door een verkoop van aandelen) is verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, §1, derde lid, WIB 92 en maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 344, §1, eerste lid, WIB 92.

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:

1.1. de inbreng van activiteit A door vennootschap X in de bestaande vennootschap Y kwalificeert als de inbreng van een bedrijfsafdeling of van een tak van werkzaamheid in de zin van artikel 46, §1, eerste lid, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92);

1.2. de inbreng van activiteit A door vennootschap X in de bestaande vennootschap Y beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 46, §1, derde lid, WIB 92 en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis WIB 92;

1.3. de boekhoudkundige retroactiviteit van maximaal 7 maanden op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard;

1.4. de inbreng van activiteit A door vennootschap X in de bestaande vennootschap Y onder het toepassingsgebied valt van de artikelen [11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) en [18, §3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW);

1.5. de meerwaarde die vennootschap X zal realiseren naar aanleiding van de verkoop van de aandelen van vennootschap Y volgend op de inbreng van activiteit A in vennootschap Y kan genieten van de vrijstelling van meerwaarden op aandelen overeenkomstig artikel 192, §1, WIB 92, ook in zoverre die meerwaarde betrekking zou hebben op de door vennootschap Y naar aanleiding van de inbrengverrichting nieuw uitgegeven aandelen vermits die aandelen kunnen worden geacht reeds meer dan een jaar te zijn aangehouden door vennootschap X overeenkomstig artikel 192, §1, zevende lid, WIB 92;

1.6. de inbreng van activiteit A door vennootschap X in de bestaande vennootschap Y gevolgd door de verkoop door vennootschap X van de aandelen van vennootschap Y geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 344, §1, WIB 92 uitmaakt.

## II. Omschrijving van de verrichtingen door de aanvragers

2\. Vennootschap X is een exploitatievennootschap met twee onderscheiden activiteiten, m.n. activiteit A en activiteit B.

3\. Vennootschap Y is een 100% dochtervennootschap van vennootschap X met eigen exploitatieactiviteiten die op haar beurt een deelneming in drie buitenlandse dochtervennootschappen aanhoudt.

4\. Vennootschap X en haar dochtervennootschappen, waaronder vennootschap Y, werden recent overgenomen door groep Z omwille van activiteit B, dewelke goed aansluit bij haar kernactiviteiten. Tijdens het koopproces werd reeds kenbaar gemaakt dat er geen interesse is in activiteit A en dat deze activiteit zal worden afgezonderd en (deels) verkocht.

5\. In dat kader wordt een inbreng door vennootschap X overwogen van activiteit A in haar bestaande dochtervennootschap, vennootschap Y.

6\. Na de inbrengverrichting zullen in eerste instantie maximum 45% van de aandelen van vennootschap Y door vennootschap X worden verkocht aan het management/de bestuurders van vennootschap Y tegen een prijs die gelijk zal zijn aan de werkelijke waarde van de aandelen van vennootschap Y op dat moment. In een later stadium zullen mogelijks ook de resterende aandelen van vennootschap Y worden verkocht, hetzij aan het management/de bestuurders van vennootschap Y (via een management buy-out), hetzij aan een derde partij. De opbrengst van de voormelde aandelenverkoop zal door vennootschap X worden geherinvesteerd in de verdere uitbouw van activiteit B in vennootschap X. Op dit moment legt activiteit A veel beslag op het beschikbare kapitaal van vennootschap X. Het is daarom de intentie om de opbrengst van vennootschap Y aan te wenden voor de verdere ontwikkeling van de activiteit B in vennootschap X, welke nog een aanzienlijke investering zal nodig hebben om aan de huidige vraag te kunnen voldoen.

7\. De aanvragers bevestigen tevens dat bij de verkoop van de eerste schijf van (maximum) 45 % en bij elke daaropvolgende bijkomende schijf van de aandelen van vennootschap Y vóór 30 juni 2024, vennootschap X de opbrengst duurzaam zal investeren in immateriële, materiële en/of financiële vaste activa en/of aflossing van externe bankschulden tegen uiterlijk 30 juni 2024. Vennootschap X zal hiertoe de nodige bewijsstukken en cijfers (i.e. de ontvangen verkoopprijs van de vennootschap Y aandelen, de netto-actiefwaarden, berekening van de opbrengst, bewijs van de gedane investeringen) overmaken aan de bevoegde controledienst vennootschapsbelasting van vennootschap X. Indien de verkoop van de nog resterende aandelen van vennootschap Y pas zou plaatsvinden na 30 juni 2024, zal vennootschap X binnen de twee jaar vanaf de datum van elke verkoop van de aandelen van vennootschap Y de voormelde herinvestering verrichten alsook de betrokken bewijsstukken hiervan overmaken aan de bevoegde controledienst.

## III. Beslissing

### *III.A. Betreffende de toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92 op de inbrengverrichting*

8\. Om toepassing te kunnen maken van het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 46, § 1, WIB 92 dient de inbreng een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid dan wel een algemeenheid van goederen te omvatten. Een wettelijke definitie van een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid is opgenomen in artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92.

9\. Artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92 definieert de voormelde begrippen als volgt:

b) Inbreng van een bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak overdraagt aan een andere vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende vennootschap;

c) Bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: het geheel van de activa en passiva van een afdeling van een vennootschap dat uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een geheel dat op eigen kracht kan functioneren.

10\. Uit de feiten blijkt dat activiteit A zich onderscheidt van activiteit B binnen vennootschap X (met een andere focus, andere afnemers, afzonderlijke boekhouding en eigen personeel).

11\. Volgens de door de aanvragers overgemaakte lijst met in te brengen bestanddelen omvat de inbreng alle activiteiten, activa (met inbegrip van alle IP zoals octrooien, knowhow, patenten), passiva, rechten, verplichtingen en contracten die specifiek betrekking hebben op de in te brengen activiteit A. Daarnaast zullen ook alle personeelsleden die specifiek worden ingezet voor activiteit A, overgaan naar vennootschap Y. De overgedragen activiteiten en de overgedragen bestanddelen zullen vennootschap Y in staat stellen om autonoom en onafhankelijk activiteit A verder te zetten.

12\. Activiteit A die vennootschap X zal inbrengen, is volgens de aanvragers winstgevend en wordt ook geacht winstgevend te blijven eens bepaalde projecten zullen afgerond zijn.

13\. Uit het voormelde blijkt dat het gaat om een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken. De aanvragers hebben bevestigd dat de inbreng uitsluitend zal worden vergoed in aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen zonder opleg in geld.

14\. De geplande inbreng van activiteit A van vennootschap X in de bestaande vennootschap Y betreft derhalve een verrichting die beantwoordt aan de definitie van een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92 juncto artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92.

### *III.B. Betreffende de toepassing van artikel 183bis WIB 92 en artikel 46, §1, derde lid, WIB 92 op de inbrengverrichting*

15\. Door activiteit A in te brengen in vennootschap Y wordt deze activiteit samengebracht met de aanverwante activiteiten van vennootschap Y wat naar verwachting zal resulteren in synergie-effecten in hoofde van vennootschap Y. Door de inbreng in vennootschap Y kan tevens de naamsbekendheid die vennootschap Y over de jaren heen heeft gerealiseerd ten aanzien van klanten en leveranciers, maximaal worden gevrijwaard en gevaloriseerd.

16\. De vooropgestelde inbreng van activiteit A door vennootschap X kadert verder binnen een strategische beslissing van groep Z om enkel te focussen op activiteit B dewelke goed aansluit bij haar kernactiviteiten en om aan het management de mogelijkheid te bieden om mee in vennootschap Y (die activiteit A zal uitoefenen) te investeren middels de verkoop aan de betrokkenen van een deel (tot ca. 45%) van de aandelen van vennootschap Y. In die zin zal een deel van de verkoopprijs van de aandelen worden gebruikt voor de verdere uitbouw van activiteit B van vennootschap X door te investeren in immateriële, materiële en/of financiële vaste activa en/of aan te wenden voor aflossing van externe bankschulden volgens de modaliteiten zoals vermeld in randnummer 7.

17\. Uit de fiscale analyse van voorliggende casus is gebleken dat de verrichting niet is ingegeven door fiscale overwegingen:

17.1. de inbrengende vennootschap X beschikt niet over overgedragen fiscaal aftrekbare bestanddelen;

17.2. de inbrenggenietende vennootschap Y beschikt enkel over een eerder beperkt bedrag aan overgedragen DBI-aftrek die ingevolge de toepassing van artikel 206, § 2, WIB 92 bovendien zal worden beperkt;

17.3. de verrichting levert volgens de aanvragers geen fiscaal voordeel op, wel in tegendeel, want de inbreng van activiteit A in vennootschap Y zal resulteren in een hogere belastbare basis bij vennootschap X door het feit dat bepaalde aftrekken die tot op heden werden genoten door vennootschap X (zoals de investeringsaftrek en de aftrek voor innovatie-inkomen) zullen overgaan naar vennootschap Y terwijl deze aftrekposten bij vennootschap Y geen onmiddellijk fiscaal voordeel zullen opleveren omdat vennootschap Y deze aftrekken naar alle verwachting de eerstkomende jaren niet zal kunnen aanwenden;

17.4. de aanvragers hebben verklaard dat er geen enkele intentie bestaat om de toekomstige winsten van vennootschap Y te drukken door het afzetten van eventuele toekomstige verliezen die zouden voortvloeien uit de (deficitaire) liquidatie van één of meer van haar huidige dochtervennootschappen en dat een eventuele liquidatie in geen geval een materiële impact zal hebben op de fiscale situatie van vennootschap Y;

17.5. de kapitaalsubsidies van vennootschap X die betrekking hebben op activa behorend tot activiteit A, zullen in toepassing van artikel 362, tweede lid, WIB 92 worden overgedragen aan vennootschap Y alwaar de gespreide taxatie ervan zal worden verdergezet;

17.6. de aanvragers hebben bevestigd dat vennootschap Y niet over vrijgestelde reserves beschikt waarop herbeleggingsverplichtingen rusten, zodat de inbrengverrichting er niet strekt om de ingevolge de inbreng verkregen activa aan te duiden als herbelegging ten name van vennootschap Y voor het verkrijgen van een vrijstelling of van een stelsel van gespreide taxatie;

17.7. de aanvragers hebben bevestigd dat, behoudens de (gedeeltelijke of volledige) overdracht van de aandelen van vennootschap Y, er geen intentie bestaat om de aandelen van vennootschap X over te dragen.

18\. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de geplande inbreng van activiteit A door vennootschap X in de bestaande vennootschap Y, plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

19\. De inbrenggenietende vennootschap Y is een binnenlandse vennootschap.

20\. Derhalve kan worden besloten dat de geplande inbreng van activiteit A door vennootschap X in de bestaande vennootschap Y kan plaatsvinden onder het belastingneutraal regime als bedoeld in artikel 46, § 1, WIB 92.

### *III.C. Betreffende de boekhoudkundige retroactiviteit van de inbrengverrichting op het vlak van de vennootschapsbelasting*

21\. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag, inzonderheid t.a.v. voormeld boekhoudkundig retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:

21.1. met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband wordt opgemerkt dat een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maanden, in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;

21.2. en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.

22\. De voorgenomen inbreng van activiteit A door vennootschap X zal plaatsvinden met een boekhoudkundige retroactiviteit die niet meer dan zeven maanden zal bedragen.

23\. In het kader van de in randnummer 21.2 gestelde voorwaarde wordt inzonderheid gewezen op het feit dat de fiscale nettowaarden kunnen worden gemanipuleerd met het oog op een maximale overdracht van de fiscaal overdraagbare verliezen en/of DBI-overschotten door deze fiscale nettowaarden op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum (in plaats van op de juridische datum van de verrichting) in aanmerking te nemen (zie dienaangaande randnummer 211/14 van de administratieve commentaar op het WIB 92). Vennootschap Y beschikt over fiscaal overgedragen DBI-aftrek. Dienaangaande hebben de aanvragers verklaard dat er tijdens de voorziene retroactiviteitsperiode geen uitzonderlijke verrichtingen zullen plaatsvinden die een wezenlijke impact hebben op de fiscale nettowaarden zodat van een mogelijke “manipulatie” van de fiscale nettowaarden geen sprake zal zijn.

24\. Derhalve kan worden gesteld dat de retroactiviteitsclausule een correcte toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat en dat de boekhoudkundige retroactiviteit bij de voorgenomen inbreng op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard.

### *III.D. Betreffende de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW op de inbrengverrichting*

25\. Overeenkomstig artikel 11, W.BTW wordt niet als levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

26\. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen [19](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-19) en [29](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-29) van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen [5, paragraaf 8](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5), en [6, paragraaf 5](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6), van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).

27\. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak [C-497/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-01-arrest), Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

28\. De artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.

29\. Naar aanleiding van de hierboven beschreven inbreng van activiteit A worden alle activa en passiva, rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan deze activiteit door vennootschap X ingebracht in vennootschap Y. Daarnaast zullen ook alle personeelsleden die specifiek worden ingezet voor activiteit A, overgaan naar vennootschap Y.

30\. De overgedragen activiteiten en de overgedragen bestanddelen zullen vennootschap Y in staat stellen om autonoom en onafhankelijk activiteit A verder te zetten.

31\. De omstandigheid dat vennootschap Y tijdelijk een beroep zal doen op vennootschap X voor beperkte ondersteunende diensten in een overgangsfase via transitional service agreements tegen marktconforme vergoeding doet hieraan geen afbreuk, net zoals de dienstverleningsovereenkomst die vennootschap Y zal afsluiten met vennootschap X voor activiteit B.

32\. Deze inbreng van activiteit A heeft derhalve betrekking op een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitmaakt en op eigen kracht kan werken.

33\. Er wordt tevens bevestigd dat de overnemer, vennootschap Y, een btw-plichtige is die de btw, indien ze ingevolge de overdracht verschuldigd zou geweest zijn, volgens de normale regels in aftrek kan brengen.

34\. Rekening houdende met het bovenstaande dient te worden besloten dat de artikelen 11 en 18, §3, W.BTW van toepassing zijn op de inbreng van activiteit A.

### *III.E. Betreffende de toepassing van artikel 192, § 1, WIB 92 op de verkoop van de aandelen van vennootschap Y*

35\. Artikel 192, §1, eerste lid, WIB 92 stelt dat:

> “De niet in artikel 45, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap, zijn eveneens volledig vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203, van de winst te worden afgetrokken of, voor wat betreft de overeenkomstig artikel 194 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aangehouden aandelen, krachtens de artikelen 202, § 1 en § 2, eerste lid, 2°, en 203, van de winst te worden afgetrokken.”

36\. Artikel 192, §1, zevende lid, WIB 92 stelt dat:

> “Voor de toepassing van het eerste lid, worden de in ruil ontvangen aandelen ten gevolge van belastingneutrale verrichtingen bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, die, naargelang het geval, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen om vast te stellen of aan de voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom is voldaan.”

37\. De wetgever verwijst in artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 expliciet naar artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92. Vennootschap X kan, gelet op de verklaarde wil van de wetgever in toepassing van de aanhef van artikel 192, §1, zevende lid, WIB 92, in die context aanspraak maken op de vrijstelling waarin artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92 voorziet, en dit voor de meerwaarde gerealiseerd bij de (gedeeltelijke) verkoop van de aandelen van vennootschap Y, en dit mogelijks kort na de inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid in vennootschap Y.

38\. De Memorie van Toelichting bij de Programmawet van 29 maart 2012, waarbij het zevende lid werd ingevoerd in paragraaf 1 van artikel 192 WIB, stelt:

> “Anderzijds wordt rekening gehouden met de periode voorafgaand aan de verrichting met het oog op het onderzoeken of de voorwaarde van behoud van tenminste één jaar al dan niet is vervuld, wanneer de aandelen verkregen zijn in het kader van een fiscaal neutrale verrichting, vermeld in de artikelen 46, §1, eerste lid, 2°, 211, 214, §1, en 231, §§2 en 3 WIB 92 die beantwoorden, naargelang het geval, aan het bepaalde in artikel 183bis WIB 92.”

39\. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, waarbij het achtste lid werd ingevoerd in paragraaf 1 van artikel 192 WIB 92, stelt:

> “Teneinde voor de toepassing van artikel 192, §1, eerste lid, WIB 92, de fiscale neutraliteit te bevestigen van de verrichtingen van inbreng, fusie of splitsing, gerealiseerd overeenkomstig de artikelen 46, §1, eerste lid, 2°, 211, §1, en 231, §§2 en 3, is het nuttig om dit expliciet te verduidelijken in de wettekst. Daarom wordt artikel 192, §1, WIB 92, naast een zevende lid, aangevuld met een nieuw lid, dat toelaat om volledig de fiscale neutraliteit van die verrichtingen te bevestigen inzake de belasting van meerwaarden op aandelen.”

\[…\] De bijzondere toepassing die hierbij wordt ingesteld, bevestigt het algemeen beginsel van de continuïteit voorzien in het Wetboek van Vennootschappen zonder dat deze raakt aan de algemene toepassing van ditzelfde beginsel.”

40\. Circulaire Ci.RH.421/620.779 (AAFisc 19/2013) van 21 mei 2013 stelt dat:

> “\[...\] de toevoeging van het zevende en achtste lid aan art. 192, §1, WIB 92, voorzien, voor de beoordeling van de voorwaarde van behoud, in de fiscale neutraliteit van de verrichtingen van inbreng, \[...\] die worden verwezenlijkt overeenkomstig de art. 46, §1, eerste lid, 2° \[...\] WIB 92 in hoofde van de overnemende of verkrijgende vennootschappen alsook voor de vennootschappen-aandeelhoudsters van de overgenomen of gesplitste vennootschappen”

41\. Vennootschap X houdt op heden een 100% deelneming aan in vennootschap Y en zal ook na de inbreng van haar activiteit A in vennootschap Y alle aandelen van deze laatste vennootschap bezitten, zodat aan de minimumparticipatievereiste is voldaan.

42\. Inzake de houdtermijn van één jaar dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee soorten aandelen, meer bepaald enerzijds de oude reeds vóór de inbreng bestaande aandelen van vennootschap Y en anderzijds de nieuwe aandelen van vennootschap Y die in ruil voor de inbreng van activiteit A zullen worden uitgegeven. Met betrekking tot de eerste categorie van aandelen werd door de aanvragers bevestigd dat zij reeds sedert een ononderbroken periode van één jaar in bezit zijn van vennootschap X. Voor wat de tweede categorie van aandelen betreft, is de toepassing van artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 aan de orde.

43\. In overeenstemming met de fiscale neutraliteit dient als aanvangspunt voor de berekening van de minimale houdperiode van één jaar, zoals voorzien in artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92, gekeken te worden naar de datum waarop de bedrijfsafdeling of de tak van werkzaamheid op een zelfstandige wijze operationeel is geworden binnen vennootschap X.

44\. De aanvragers stellen dat de meeste activa die deel uitmaken van de inbreng, en die ertoe strekken dat de bedrijfsafdeling of de tak van werkzaamheid op een zelfstandige wijze operationeel is, reeds langer dan één jaar in het bezit van vennootschap X zijn aangezien vennootschap X reeds sinds haar oprichting zowel activiteit A als activiteit B uitoefende en dit op een continue basis tot op vandaag.

45\. Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat de start van de berekening van de houdtermijn van één jaar, als voorwaarde voor de vrijstelling van de meerwaarde die vennootschap X zou realiseren naar aanleiding van de (gedeeltelijke) verkoop van de aandelen van vennootschap Y, bijgevolg meer dan één jaar in het verleden valt zodat de ononderbroken periode van volle eigendom wordt gerespecteerd.

46\. Derhalve zal vennootschap X worden geacht zowel de oude als de naar aanleiding van de inbreng nieuw uitgegeven aandelen van vennootschap Y op het ogenblik van de (gedeeltelijke) verkoop langer dan één jaar te hebben gehouden, zodat de meerwaarde in principe kan worden vrijgesteld voor zover aan alle overige in artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92 gestelde voorwaarden is voldaan.

### *III.F. Betreffende de toepassing van artikel 344, § 1, WIB 92 op het geheel van de rechtshandelingen*

47\. De inbreng van activiteit A van vennootschap X in de bestaande vennootschap Y zal worden gevolgd door een verkoop van de aandelen van vennootschap Y door vennootschap X.

48\. Het geheel van de verrichtingen is erop gericht om de gewenste doelstellingen bekomen waarbij enerzijds activiteit A worden afgescheiden van activiteit B door ze onder te brengen in een afzonderlijke vennootschap en anderzijds een instap van nieuwe investeerders wordt gefaciliteerd (in een eerste fase het management en op termijn mogelijks één of meer geïnteresseerde investeerders), wat de groei van activiteit A naar verwachting ten goede zal komen.

49\. Ook voor vennootschap X biedt dit voordelen aangezien zij zodoende nieuwe liquide middelen kan vrijmaken die nodig zijn om toekomstige investeringen in activiteit B te financieren. In dit kader hebben de aanvragers bevestigd dat een deel van de verkoopprijs van de aandelen zal worden gebruikt voor de verdere uitbouw van activiteit B van vennootschap X door te investeren in immateriële, materiële en/of financiële vaste activa en/of aan te wenden voor de aflossing van externe bankschulden volgens de modaliteiten zoals vermeld in randnummer 7.

50\. De keuze voor het geheel van de voorgenomen rechtshandelingen is derhalve door andere motieven verantwoord dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 en maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 344, §1, eerste lid, WIB 92.

51\. De beslissing zoals vermeld in de randnummers 14, 20, 24, 46 en 50 is slechts geldig voor zover het engagement zoals bepaald in randnummer 7 zal worden nageleefd (1). Teneinde de naleving ervan te kunnen nagaan, dienen ook de verschillende bedragen te worden gestaafd waarop de berekening van het te herinvesteren bedrag is gebaseerd.

---

\[(1) Voorwaarde zoals bedoeld in artikel 23, tweede lid, 1°, van de Wet van 24 december 2002.\]

---

52\. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvragers vermeld werden. De DVB spreekt zich, ondanks het vermelde in randnummer 17.7 in deze beslissing niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344, §1, WIB 92, …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing zoals de eventuele toekomstige overdracht van de aandelen van vennootschap X. Bij een latere overdracht van deze aandelen is de beslissing zoals vermeld in de randnummers 14, 20, 24, 46 en 50 niet langer geldig, tenzij de DVB in een avenant aan de beslissing de geldigheid ervan zou bevestigen.

## Aangehaalde teksten

7

[WBTW art. 11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) 1 voorkomen

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 5](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 6](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 19](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-19) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 29](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-29) 1 voorkomen

[C-497/01, arrest van 27 november 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-01-arrest) 1 voorkomen
