Btw-belaste complexe dienstverrichting · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2021.0475 19 oktober 2021

Zoeken

Btw-belaste complexe dienstverrichtingBtw - Btw-belaste complexe dienstverrichting - Bundeling van handelingen die economisch onsplitsbaar zijn - Bedrijven- en dienstencentrum - Minimumdiensten - Onroerende verhuur - Artikel 18, § 1, eerste lid W.Btw - Artikel 44 W.Btw

https://juriel.be/nl/rulings/2021-0475-btw-belaste-complexe-dienstverrichting-bundeling-8836

Nummer
2021.0475
Datum
19 oktober 2021

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

32 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2021.0475 d.d. 19.10.2021

Btw · Btw-belaste complexe dienstverrichting · Bundeling van handelingen die economisch onsplitsbaar zijn · Bedrijven- en dienstencentrum · Minimumdiensten · Onroerende verhuur · Artikel 18, § 1, eerste lid W.Btw · Artikel 44 W.Btw

Samenvatting

De prestaties verricht door X in het kader van de uitbating van het bedrijvencentrum kwalificeren als één btw-dienst die onderworpen is aan de btw op grond van artikel 18, § 1, eerste lid btw-wetboek en de Circulaire AOIF 39/2005 (E.T. 108.816) van 27 september 2005.

Tekst van de beslissing

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe een voorafgaande beslissing te bekomen waarin wordt bevestigd dat:

De prestaties geleverd door X in het kader van de uitbating van een bedrijvencentrum kwalificeren als een btw-belaste dienst conform artikel 18, §1, 6° W.BTW.

II. Beslissing

2. Zoals in de rulingaanvraag beschreven zal X tegen een forfaitaire prijs een aantal basisdiensten aanbieden aan de gebruikers van het diensten -en bedrijvencentrum.

3. De terbeschikkingstelling van deze kant-en-klare werkomgeving dient te worden getoetst aan het artikel 44, § 3, 2° van het btw-wetboek.

4. Artikel 44, § 3, 2°, btw-wetboek stelt o.a. van de belasting vrij de verhuur van uit hun aard onroerende goederen.

5. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet, om te bepalen of een handeling al dan niet kan worden gekwalificeerd als een onroerende verhuur, het voorwerp zelf van de overeenkomst worden geanalyseerd (arrest van 18 november 2004, zaak C-284/03, Temco Europe). Indien het in hoofdzaak gaat om het gebruik van een gebouw, moet de handeling worden gekwalificeerd als een onroerende verhuur die bijgevolg van de BTW is vrijgesteld zonder recht op aftrek te verlenen aan de verhuurder. Indien echter het voorwerp van de overeenkomst hoofdzakelijk bestaat uit een andere dienst, is de handeling in principe aan de btw onderworpen, met recht op aftrek in hoofde van de dienstverrichter, ongeacht hoe deze handeling wordt gekwalificeerd.

6. Het Hof heeft gewezen op de noodzaak om een onderscheid te maken tussen de handelingen van onroerende verhuur, die in hoofdzaak gekenmerkt worden door een passieve terbeschikkingstelling van ruimten of oppervlakten in gebouwen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, en de handelingen die een dienst genereren die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt.

7. Als gevolg van dit arrest heeft de administratie beslist om haar zienswijze over de toepasselijke regeling inzake btw voor de handelingen van bedrijven- of dienstencentra te herzien en om een standpunt in te nemen dat in essentie kan worden geïllustreerd door een arrest van 30.4.2004 van het Hof van Beroep te Gent.

8. Dit Hof heeft immers geoordeeld dat hoewel de terbeschikkingstelling van individuele ruimten in het kader van contracten gesloten door een bedrijven- of dienstencentrum daadwerkelijk een belangrijk element van de overeenkomst uitmaakt, dit echter niet inhoudt dat deze terbeschikkingstelling daarom de hoofddienst zou zijn.

9. Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van een individuele ruimte geen zelfstandige dienstverrichting is en dat de andere verleende prestaties evenmin één of meer andere onafhankelijke dienstverrichtingen uitmaken.

10. Met betrekking tot de bedrijven- of dienstencentra die één geheel van diensten "in pakket" aan hun klanten aanbieden "met het voor hen voor de hand liggend voordeel dat zij toetreden tot een bepaalde werkorganisatie en -omgeving waarin zij kant-en-klaar de nodige middelen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid aantreffen", heeft het Hof beslist dat de door een bedrijven- of dienstencentrum verleende diensten één geheel uitmaken dat bij toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid, van het Wetboek voor het geheel aan de btw is onderworpen.

11. Om de handelingen van bedrijven- of dienstencentra die aan de belasting zijn onderworpen, te onderscheiden van vrijgestelde onroerende verhuur (in voorkomend geval met bijkomende diensten), heeft de administratie, na onderzoek in deze sector, een aantal criteria bepaald waaraan verplicht moet worden voldaan opdat de door de bedrijven- of dienstencentra verleende dienstprestatie volledig aan de btw zou zijn onderworpen. Deze criteria zijn opgenomen onder punt 3 van de aanschrijving nr. AOIF 39/2005 (E.T. 108.816) dd. 27.09.2005.

12. In casu blijkt uit de rulingaanvraag en het ontwerp van de gebruikersovereenkomst dat het aangeboden dienstenpakket betrekking heeft op een geheel van niet te onderscheiden diensten die verleend worden tegen een enige, forfaitaire prijs door middel van een complete en geïntegreerde infrastructuur aan de Gebruiker met het oog op het uitoefenen van haar beroepswerkzaamheden.

13. Dit dienstenpakket tegen één forfaitaire prijs beantwoordt grotendeels aan de door de aanschrijving nr. AOIF 39/2005 opgelegde criteria, maar bevat daarnaast eveneens diensten die niet opgenomen zijn in deze aanschrijving zoals toegang tot evenementen en workshops, coaching, community building, water, thee en koffie,…

14. De DVB kan aanvaarden dat de toepassing van aanschrijving nr. 39/2005 niet in het gedrang komt

- wanneer geen klassieke telefoonlijnen worden voorzien, gelet op de evolutie in de telecommunicatienetwerken en het gebruik van de GSM;

- wanneer bij de opstart van het bedrijvencentrum voorlopig enkel voorzien wordt in een parttime onthaal in het bedrijvencentrum, rekening houdende met het aantal gebruikers, aangevuld met een digitaal en telefonisch onthaal.

15. Rekening houdende met het bovenstaande kan besloten worden dat de prestaties verricht door X in het kader van de uitbating van het bedrijvencentrum kwalificeren als één btw-dienst die onderworpen is aan de btw op grond van artikel 18, § 1, eerste lid btw-wetboek en de Circulaire AOIF 39/2005 (E.T. 108.816) van 27 september 2005.

Aangehaalde teksten

3