Fiche van de FOD Financiën
Voorafgaande beslissing nr. 2021.0122 d.d. 04.05.2021
Btw · Artikel 1 quater, §3 KB nr. 20 · Afbraak en heropbouw
Samenvatting
Ondanks de samenvoeging van percelen komen de nog te leveren appartementen principieel in aanmerking voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 procent overeenkomstig artikel 1 quater, §3 van KB nr. 20.
De effectieve toepassing van het verlaagd tarief is verder afhankelijk van de in artikel 1 quater, §3, lid 2, §4, §5 en §8 van KB nr. 20 opgelegde voorwaarden, zijnde in hoofdzaak de bestemming die de verkrijgers aan de appartementen geven, het mogelijks verhinderend bezit in hoofde van de verkrijgers, de oppervlaktegrens en de te vervullen formaliteiten.
Deze regeling inzake het verlaagd tarief van 6 procent is tijdelijk en is maar van toepassing op de leveringen waarvoor de verschuldigde belasting overeenkomstig artikel 17, §1 Wb. Btw opeisbaar is uiterlijk op 31 december 2022.
Tekst van de beslissing
I. Voorwerp van de aanvraag
De aanvraag heeft betrekking op de toepassing van het verlaagde BTW-tarief van 6% overeenkomstig KB nr. 20 artikel 1quater, §3 (nieuw) met betrekking tot de levering van appartementen die opgericht worden na afbraak van een horecagebouw en magazijn, gelegen te
II. Omschrijving van de verrichtingen
2. B is een beroepsoprichter en heeft een opstalrecht verkregen van A op grond gelegen in België alwaar zich een leegstaand horecagebouw en magazijn op bevond. B is 3 meergezinswoningen bestaande uit totaal 16 appartementen met ondergrondse parking aan het oprichten, teneinde deze wooneenheden te verkopen met toepassing van btw.
3. A en B hebben dezelfde bestuurders en dezelfde aandeelhouders die in beide vennootschappen in dezelfde verhouding aandelen aanhouden.
4. Beide vennootschappen zouden steeds naar derden toe op dezelfde wijze handelen, zijnde A verkoopt het grondaandeel en B de constructies en dit ongeacht de hoedanigheid van de koper.
III. Beslissing
5. Het onderzoek en de beslissing van de DVB beperkt zich tot de vaststelling dat het in de aanvraag opgenomen project:
5.1. betrekking heeft op de afbraak van een gebouw als beoogd in artikel 1, §9, 1° van het btw-wetboek, waarbij het afgebroken gebouw betekenisvol is ten opzichte van de nieuw opgetrokken woningen;
5.2. voldoet aan de voorwaarden ingesteld middels een administratieve toegeving opgenomen onder nummer 5.1 van de circulaire 2021/C/18 en in het bijzonder wat betreft de eenheid van het project en de verbondenheid van de partijen bij de realisatie van de woningen;
5.3. teneinde te kunnen besluiten dat de levering van de appartementen opgericht door B kan plaatsvinden bij toepassing van artikel 1 quater §3 van K.B. nr 20, mits:
- deze plaatsvindt na datum van deze beslissing en uiterlijk tot 31.12.2022;
- de effectieve toepassing van het verlaagd tarief verder afhankelijk is van de in artikel 1 quater, §3, lid 2, §4, §5 en §8 van KB nr. 20 opgelegde voorwaarden, zijnde in hoofdzaak de bestemming die de verkrijger aan de woning geeft, het mogelijks verhinderend bezit in hoofde van de verkrijger, de oppervlaktegrens en de te vervullen formaliteiten.
6. Op basis van de diverse aangereikte informatie kan geconcludeerd worden dat :
6.1. A een opstal vestigde ten voordele van B teneinde deze laatste toe te laten er nieuwe gebouwen op te richten;
6.2. dat volgens de verklaring van de aanvrager beide verbonden vennootschappen in het verleden respectievelijk als grondbank en promotievennootschappen optraden, en derhalve in onderhavig project op dezelfde wijze consequent handelen;
6.3. dat gezien de oorzaak van opeisbaarheid van btw geheven van de kosten van afbraak van een gebouw zich heeft voorgedaan voor 1.1.2021 en bovendien de afbraak gebeurd is door de grondeigenaar en de herbouw door de bouwpromotor/houder van een zakelijk recht, zal dien ten gevolge onderzocht moet worden of de aanvrager zich bevindt in de situatie als opgenomen in de circulaire 2021/C/18 onder punt 5.1 – administratieve toegeving. Met name of er eenheid van project is en of de grondeigenaar en de bouwpromotor verbonden partijen zijn als beoogd in artikel 1:20 van het wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
7. De eenheid van project wordt aangetoond middels volgende elementen :
7.1 de grond met opstallen werd per 12 november 2018 aangekocht door A;
7.2. de afbraak van het gebouw wordt gevolgd door de vestiging van een recht van opstal door A, op haar grond – in de toestand zoals het zich bevindt op datum van akte zijnde 8 juli 2020, ten voordele van B - inhoudende het recht voor de opstalhouder om er gebouwen op te richten;
7.3. gevolgd door de bouw van de appartementen door B. Dat voormelde handelingen duiden op de globaliteit van het project volgt bovendien ook uit de omgevingsvergunning alwaar gesteld wordt dat : “De voorliggende aanvraag tot oprichting van drie nieuwe appartementsgebouwen na afbraak van de bestaande bebouwing niet in strijd is met de planologische bestemmingsvoorschriften van het woongebied”.
8. Uit de aangeleverde informatie blijkt dat de vennootschappen verbonden zijn als beoogd in artikel 1:20 van het WVV.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.