---
title: "Voorafgaande beslissing 2020.2155 · Inkomstenbelasting, Dubbelbelastingverdrag"
description: "Inkomstenbelasting, Dubbelbelastingverdrag, Vaste inrichting, Belgische inrichting. Belgische voorafgaande beslissing nr. 2020.2155 van 22 december 2020."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2020-2155-inkomstenbelasting-dubbelbelastingverdrag-vaste-inrichting-belgische-22d3"
lang: "nl"
---

# Inkomstenbelasting, Dubbelbelastingverdrag, Vaste inrichting, Belgische inrichting, Belasting der niet · Inkomstenbelasting - Dubbelbelastingverdrag - Vaste inrichting - Belgische inrichting - Belasting der niet – inwoners - BTW - Plaats van de dienst

**Nummer**

2020.2155

**Datum**

22 december 2020

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

181 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2020.2155 dd. 22.12.2020

*Inkomstenbelasting* · *Dubbelbelastingverdrag* · *Vaste inrichting* · *Belgische inrichting* · *Belasting der niet – inwoners*

*BTW* · *Vaste inrichting* · *Plaats van de dienst*

## Samenvatting

De aanwezigheid van voorraad die eigendom is van X binnen de Belgische bedrijfsruimten van Y zal aanleiding geven tot een Belgische inrichting op grond van artikel 229 WIB92 in hoofde van X, waarbij die voorraad er niet toe zal leiden dat winst dient te worden toegewezen aan deze Belgische inrichting.

Na de overbrenging van de statutaire zetel van X naar land A zal het dubbelbelastingverdrag tussen België en land A van toepassing zijn en zal, op grond van artikel 5 van voormeld verdrag, de aanwezigheid van voorraad die eigendom van X is binnen de Belgische bedrijfsruimten van Y en de door Y uitgevoerde reparatiediensten geen aanleiding geven tot het bestaan van een belastbare vaste inrichting in hoofde van X.

De aanwezigheid van voorraad op Belgisch grondgebied waarmee X, een niet in België gevestigde belastingplichtige voor btw doeleinden, in België belastbare transacties verricht (i.e. invoer en intracommunautaire verwerving van goederen gevolgd door een lokale, intracommunautaire levering en uitvoer van goederen) alsook de mogelijke toekomstige (beperkte) reparatieactiviteiten uitgevoerd door Y, geven in hoofde van X geen aanleiding tot een vaste inrichting voor btw-doeleinden in België. Dit omdat X’s bedrijfsbeslissingen alsook het beheer van de operationele processen volledig zal gebeuren en worden uitgevoerd vanuit een derde land alwaar de zetel van de bedrijfsuitoefening van X gevestigd is.

Bijgevolg zal voor het bepalen van de plaats van een dienst, zijnde opslagdienst verricht door Y de algemene regel gelden, zijnde de plaats waar de ontvanger van de dienst X de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd) overeenkomstig artikel 21,§2 van het Belgisch Wetboek Btw.

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:

1.1. zolang de entiteit in land B gevestigd is, zal de aanwezigheid van voorraad die eigendom van X is binnen de Belgische bedrijfsruimten van Y aanleiding geven tot een Belgische inrichting op grond van artikel 229 WIB92 in hoofde van X waarbij die voorraad er niet toe zal leiden dat winst dient te worden toegewezen aan deze Belgische inrichting. De aangifte in de belasting niet-inwoners die X dient in te dienen, zal derhalve een nihil-aangifte zijn;

1.2. wanneer de overbrenging van de statutaire zetel van X naar land A voltooid zal zijn, zal het dubbelbelastingverdrag tussen België en land A van toepassing zijn en, op grond van artikel 5 van voormeld verdrag, zou de aanwezigheid van voorraad die eigendom van X is binnen de Belgische bedrijfsruimten van Y en de door Y uitgevoerde reparatiediensten geen aanleiding geven tot het bestaan van een belastbare vaste inrichting in hoofde van X en er zal een nihil-aangifte dienen te worden ingediend voor de Belgische inrichting van X die op grond van artikel 229 WIB92 bestaat;

1.3. niettegenstaande de aanwezigheid van de voorraad voor de EMEA-regio in eigendom van X in de Belgische bedrijfsinrichting(en) van 3PL, zullen de belastbare transacties die X in België verricht (i.e. invoer en intracommunautaire verwerving van goederen gevolgd door een lokale, intracommunautaire levering en uitvoer van goederen) alsook de mogelijke toekomstige (beperkte) reparatieactiviteiten uitgevoerd door 3PL, geen aanleiding geven tot een vaste inrichting voor btw-doeleinden in België in hoofde van X. Dit omdat X’s bedrijfsbeslissingen alsook het beheer van de operationele processen volledig zal gebeuren en worden uitgevoerd vanuit B (A wanneer de zetel naar A overgebracht zal zijn), d.i. de plaats waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van X gevestigd is.

1.4. bijgevolg zal de algemene regel voor het bepalen van de plaats van een dienst van toepassing zijn, waarbij de plaats van de dienst daar zal zijn waar de ontvanger van de dienst (d.i. X) de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd (d.i. B of wanneer de statutaire zetel naar A overgebracht zal zijn, A) overeenkomstig artikel 21 van het Belgisch Wetboek Btw.

1.5. bovendien, aangezien X geen vaste inrichting heeft in België voor btw-doeleinden, zal X de belastbare handelingen in België verrichten als een niet in België gevestigde belastingplichtige, waarbij de lokale leveringen van goederen in België onderworpen zullen zijn aan de lokale regels betreffende de verlegging van heffing, overeenkomstig artikel 51, §2, 5° van het Belgisch Wetboek Btw. Hierdoor wordt de verplichting om aan de btw te voldoen, verlegd naar de klanten van X die in België gevestigd zijn of in België geregistreerd zijn voor btw-doeleinden door de aanstelling van een fiscaal vertegenwoordiger.

## II. Beslissing

2\. De aanvrager heeft in de aanvraag de voorwaarden vervat in de artikelen 21 en 22 van de voormelde wet van 24 december 2002 nageleefd.

3\. De Z-groep wordt beschouwd als ’s werelds grootste producent van een welbepaald product en is een gerenommeerd fabrikant en distributeur van diverse tussenproducten alsook (afgewerkte) consumentenartikelen.

4\. De in land B gevestigde vennootschap X fungeert als de principaal voor de Consumer Goods Business (“CGB”) van een specifieke business en is de exclusieve hoofddistributeur voor die producten wereldwijd.

5\. In haar hoedanigheid van principaal voor deze business stuurt X alle wereldwijd voor de Z-groep gevoerde marketingcampagnes en communicatie aan, beslist het over het strategische retailformat en exploiteert het regionale opslagplaatsen voor de producten van de business. Daarnaast is X eigenaar van alle marketinggerelateerde intellectuele eigendom.

6\. X vervult, zowel op de eigen hoofdzetel als via het bijkantoor in land A, de DEMPE functies die gekenmerkt worden door strategische/entrepreneursactiviteiten, zoals het bepalen van de productportfolio, het vastleggen van kwaliteitsnormen voor producten, het opzetten van marketingcampagnes, het uitstippelen van de distributiestrategie en het ontwerpen van retailconcepten.

7\. X bezit momenteel een kantoor, een opslagplaats en logistieke faciliteiten in land B.

8\. X heeft in yyyy een bijkantoor in land A opgericht. Het bijkantoor in land A vervult meerdere functies.

9\. Op heden worden de goederen van de business gemaakt door zowel tot de groep behorende als externe fabrikanten in Azië en Europa. Vervolgens worden de goederen getransporteerd naar regionale distributiecentra. Sinds yyyy is er een nieuw regionaal distributiecentrum in de Verenigde Staten. De in de Verenigde Staten en land C gelegen opslagplaatsen worden geëxploiteerd door niet tot de groep behorende leveranciers van logistieke diensten (derden, “3PL”), terwijl de in land B gelegen opslagplaats momenteel volledig eigendom is van en geëxploiteerd wordt door X. X is eigenaar van de goederen in de drie regionale opslagfaciliteiten.

10\. In het kader van de Z-groep’s nieuwe commerciële strategie en de business-focus op een doorgedreven klantnabijheid heeft Z-groep’s management beslist de eigen opslag- en logistieke activiteiten voor 100% uit te besteden aan niet tot de groep behorende dienstverrichters in de respectieve regio’s om de kosten te drukken en een sneller transport te realiseren.

11\. Deze nieuwe strategie vertaalt zich in drie grote regionale distributiecentra die gelegen zijn in:

• de VS voor de regio Americas,

• land C voor de APAC-regio, en

• België voor de EMEA-regio

12\. De aanvrager stelt dat de definitieve beslissing voor België nog genomen moet worden.

13\. Deze regionale distributiecentra zullen diverse geografische gebieden en markten beleveren. In de VS en land C werken de regionale distributiecentra al volop, voor de EMEA-regio schat men dat de nieuwe supplychain-oplossing in augustus yyyy volledig operationeel zal worden.

14\. X overweegt het regionale distributiecentrum voor de EMEA-regio in België onder te brengen. In deze context is X aan het onderhandelen met een 3PL dat opslagplaatsen in België heeft.

15\. X zal in de hoedanigheid van principaal binnen de business de kosten aangaan en dragen die verbonden zijn aan de activiteiten die door de 3PL uitgeoefend worden. Deze kosten dekken voornamelijk het gebruik van de opslagfaciliteit, operationele opslagactiviteiten en andere (logistieke) diensten (bv. verpakking, transport en douane-expeditie) waarin door de 3PL voorzien wordt. In de toekomst kunnen er ook beperkte reparatiediensten bijkomen. Deze diensten zullen worden uitgevoerd door de 3PL onder begeleiding van X. Er zullen geen werknemers van X in België aanwezig zijn om de reparatiediensten uit te voeren. Trainingen (indien nodig) zouden plaatsvinden in land B. Reparaties zijn in het algemeen zeer beperkt en de 3PL zal geen rechtstreekse interactie hebben met Z-groep klanten. De reparaties en de logistiek in verband met teruggestuurde goederen zullen worden beheerd door X, die richtlijnen zal ontwikkelen voor reparaties en garantiegevallen. De 3PL zal slechts de orders uitvoeren op basis van instructies van X en het vooraf gedefinieerde beleid van X.

16\. De 3PL zal voor zijn diensten worden vergoed op basis van een prijs per product, afzonderlijke tarieven zullen gelden voor tijdsbesteding aan administratie, documentatie enz. alsook voor IT-ondersteuning en aan benodigdheden verbonden kosten.

17\. De goederen, die in de in België gelegen opslagplaats gestockeerd worden, zullen eigendom zijn van X, terwijl de 3PL eigenaar zal blijven van zijn opslagplaats en alle activiteiten binnen de opslagplaats zal leiden en superviseren. De opslagplaats zal sowieso een ‘multi-user facility’ zijn, zodat er ook goederen van andere derden zullen liggen.

18\. Gezien het geleidelijk toegenomen belang van de activiteiten in land A en de functies die reeds door het bijkantoor van X in land A uitgeoefend worden en de nieuwe supply chain-strategie heeft de Z-groep beslist het huidige model van de business meer af te stemmen op de operationele realiteit door de statutaire alsook fiscale zetel van X naar land A over te brengen.

19\. Het is in deze optiek dat de evolutie van de statutaire zetel van X moet worden gezien:

19.1. Fase I: naar verwachting tot minstens Q2 yyyy zal X verdergaan met de huidige opstelling, als een in land B gevestigde vennootschap met een bijkantoor in land A;

19.2. Fase II: naar verwachting van start in Q3 yyyy waarbij het huidige bijkantoor in land A het hoofdkantoor wordt, terwijl de overblijvende activiteiten in land B zullen worden omgevormd tot een bijkantoor. Hiervoor zal de statutaire zetel van X naar land A overbrengen. De aanvrager verwacht dat de overbrenging van de statutaire zetel zal plaatsvinden met juridische continuïteit;

19.3. Fase III: op heden nog geen timing voorzien, maar mogelijks gelijktijdig met Fase II, waarbij alle facturatiestromen van het X-bijkantoor in land B zullen overgaan naar de X-moedervennootschap in land A. De globale doelstelling hiervan is het verder consolideren van de activiteiten van X in land A.

### *II.A. Vaste inrichting*

#### II.A.1. Fase 1: X is een fiscaal inwoner van land B

20\. Tussen België en land B is er geen dubbelbelastingverdrag afgesloten.

21\. Artikel 229, § 1 WIB92 stelt dat:

> “§ 1. Onder de uitdrukking 'Belgische inrichting' wordt verstaan elke vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de beroepswerkzaamheden van een buitenlandse onderneming geheel of gedeeltelijk in België worden uitgeoefend.
>
> Een vaste bedrijfsinrichting vormt in het bijzonder:
>
> 1° een plaats waar leiding wordt gegeven;
>
> 2° een filiaal;
>
> 3° een kantoor;
>
> 4° een fabriek;
>
> 5° een werkplaats;
>
> 6° een agentuur;
>
> 7° een mijn, een steengroeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;
>
> 8° een bouw- of constructiewerk waarvan de duur een ononderbroken periode van 30 dagen overschrijdt;
>
> 9° een opslagplaats;
>
> 10° een goederenvoorraad.”

22\. Het WIB92 voorziet geen specifieke vrijstellingen voor werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben, zoals voor de opslag van goederen. Bijgevolg zal de loutere aanwezigheid, in België, van goederen die eigendom van X zijn inderdaad een Belgische inrichting doen ontstaan.

23\. Het loutere feit dat X een goederenvoorraad in België zou opslaan, zal overeenkomstig artikel 229, §1 WIB92 aldus aanleiding geven tot het bestaan van een Belgische inrichting in hoofde van X.

24\. De activiteiten met betrekking tot de Belgische opslagplaats worden verricht door de 3PL. De vergoeding die men zal betalen zal een gevolg zijn van een onafhankelijke markttransactie en zal aldus in principe marktconform zijn.

25\. De aanvrager stelt dat er geen andere bijkomende winsten, dan de aan de 3PL betaalde vergoedingen, aan de Belgische inrichting toegewezen dienen te worden (marktconforme verrichting gelet op het feit dat X en de 3PL derden betreffen). Bijgevolg zal X, wanneer zijn fiscale zetel in land B gelegen is, in België een nihil-aangifte in de belasting niet-inwoners indienen.

#### II.A.2. Fase 2: X is een fiscaal inwoner van land A

26\. Wanneer de statutaire zetel van X van land B naar land A overgebracht zal zijn, zal het tussen land A en België gesloten dubbelbelastingverdrag (“BE-land A DBV”) van toepassing zijn.

27\. Artikel 5 van het BE-land A DBV stelt:

“1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking "vaste inrichting" een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan een onderneming haar werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent.

§ 2. De uitdrukking "vaste inrichting" omvat in het bijzonder :

a) een plaats waar leiding wordt gegeven,

b) een filiaal,

c) een kantoor,

d) een fabriek,

e) een werkplaats, en

f) een mijn, een olie¬ of gasbron, een steengroeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.

§ 3. De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie¬ of montagewerkzaamheden maakt slechts een vaste inrichting uit indien de duur daarvan twaalf maanden overschrijdt.

§ 4. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een "vaste inrichting" niet aanwezig geacht indien :

a) gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen;

b) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

c) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

d) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

e) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming, andere werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheid hebben te verrichten;

f) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om verscheidene van de in de leden a) tot e) vermelde werkzaamheden te verrichten, op voorwaarde dat het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

§ 5. Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger waarop § 6 van toepassing is - voor een onderneming werkzaam is en in een overeenkomstsluitende Staat een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht aldaar gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van de §§ 1 en 2, geacht een vaste inrichting in die Staat te hebben voor alle werkzaamheden welke deze persoon voor de onderneming verricht tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot die welke zijn vermeld in § 4 en die, indien zij met behulp van een vaste bedrijfsinrichting zouden worden uitgeoefend, het niet mogelijk zouden maken overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf die inrichting als een vaste inrichting te beschouwen.”

28\. Hoewel beide landen het Multilateraal Instrument ondertekend hebben, is het BE-land A DBV geen ‘verdrag dat onder de toepassing van de Overeenkomst valt’ waardoor het Multilateraal Instrument bijgevolg geen invloed heeft.

29\. De Belgische opslagplaats zal eigendom zijn van (en worden geëxploiteerd door) de 3PL die ook voor verscheidene andere klanten in vergelijkbare opslagdiensten voorziet. De opslagplaats zal een ‘multi-user facility’ zijn waarin zich ook goederen van andere derden zullen bevinden. De 3PL zal de opslagplaats autonoom exploiteren zonder instructies of richtlijnen van X, en dit met eigen personeel. Er zullen geen werknemers van X op het bedrijfsterrein van de 3PL in België aanwezig zijn.

30\. X zal ook geen vrije toegang hebben tot de opslagplaats hebben. X zal enkel op afspraak de toegang kunnen krijgen tot de opslagfaciliteit, en dit tijdens de uren gedurende welke er mensen aan het werk zijn (d.w.z. de normale werkuren).

31\. Het bovenstaande leidt tot het volgende besluit:

31.1. X zal geen effectieve bevoegdheid hebben om het bedrijfspand/de bedrijfsruimten te gebruiken aangezien X de opslagfuncties niet zal uitvoeren noch er controle over zal uitoefenen maar in plaats daarvan op een 3PL een beroep zal doen om deze functie autonoom uit te voeren.

31.2. Geen werknemers van X zullen op regelmatige basis werkzaamheden uitvoeren binnen het Belgische bedrijfsterrein van de 3PL (bv. het inspecteren van goederen met het oog op kwaliteitscontrole).

32\. Als zodanig zal de voorraad waarvan X juridisch eigenaar is en die zich binnen het Belgische bedrijfsterrein van de 3PL bevindt (namelijk de opslagplaats waar de goederen gestockeerd worden), geen vaste inrichting in de vorm van een vaste bedrijfsinrichting in hoofde van X vormen op grond van artikel 5, §1, BE-land A DBV aangezien de bedrijfsruimten van de 3PL niet ter beschikking van X staan.

33\. Bovendien bevat artikel 5, §4 BE- land A DBV de clausule aangaande de specifieke vrijstelling voor vaste inrichtingen inzake opslagactiviteiten, werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.

34\. De mogelijkheid bestaat dat de 3PL in de toekomst mogelijk in zijn eigen opslagplaats ook diensten zal verrichten in de vorm van kleine reparaties voor X, dit met werknemers van de 3PL die onder leiding van de 3PL zullen werken. Deze diensten zullen beperkt zijn qua aard en insignificant ten opzichte van het geheel van activiteiten dat 3PL uitoefent. Deze bijkomende reparatiediensten kunnen worden beschouwd als hulpwerkzaamheden.

35\. X zal eveneens geen wettelijk vertegenwoordiger/werknemer hebben die in België werkzaam is of fysiek aanwezig is. De opslagfuncties zullen vanuit land A worden aangestuurd. X zal in België dan ook geen vaste inrichting in de vorm van een afhankelijk vertegenwoordiger hebben.

36\. De voorraad die X binnen de bedrijfsruimten van de 3PL zal aanhouden kan, op grond van artikel 229, §1 WIB92, aanleiding geven tot het bestaan van een Belgische inrichting in hoofde van X.

37\. Op grond van artikel 5 BE- land A DBV zal X echter geen vaste inrichting in België hebben. Als zodanig zal België geen heffingsrechten hebben en dienen geen winsten aan de Belgische inrichting te worden toegewezen. Vanuit administratief perspectief zal X, wanneer zijn fiscale zetel in land A gelegen is, in België een nilhil-aangifte in de belasting niet-inwoners indienen.

### *II.B. BTW-technische analyse*

38\. Het begrip vaste inrichting voor btw-doeleinden is niet identiek aan “de vaste inrichting” bij directe belastingen *(1)* . Dit omdat ze elk binnen hun materie, hun eigen rechtsgrondslag en derhalve hun eigen toepassingsgebied hebben. Om voormelde redenen geldt het inzake directe belastingen door de DVB ingenomen standpunt niet inzake btw, maar dringt een afzonderlijke analyse zich op.

---

*\[(1) FCE Bank Plc,* [*C-210/04*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-210-04-arrest)*, randnummer 39\]*

---

#### II.B.1. Vaste inrichting voor btw-doeleinden

39\. [Artikel 4, § 1, van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) omschrijft de btw-plichtige als, eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

40\. Voormelde houdt in dat een niet in België gevestigd (rechts)persoon die buiten België een activiteit als belastingplichtige in de zin van het Wetboek uitoefent, voor de handelingen (leveringen van goederen en diensten) die hij hier te lande verricht, voor de toepassing van de Belgische btw-wetgeving beschouwd wordt als een belastingplichtige.

41\. De regeling welke van toepassing is op de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België leveringen of diensten verrichten, verschilt evenwel naargelang ze in België al dan niet over een vaste inrichting beschikken.

42\. Het begrip “vaste inrichting”, wordt niet gedefinieerd in het Belgische btw-wetboek, noch in de btw-richtlijn 2006/112/EG.

43\. We dienen terug te grijpen naar de uitvoeringsverordening nr. 282/2011, genomen ter uitvoering van de btw-richtlijn 2006/112/EG, in het bijzonder hoofdstuk V, artikel 10 en 11 hierna geciteerd. Alwaar in artikel 10, voormeld, de criteria aangereikt worden om de plaats van de zetel van bedrijfsuitoefening te kunnen bepalen, alvorens in artikel 11, voormeld, de criteria weer te geven opdat men zou kunnen oordelen of en wanneer er een vaste inrichting voor btw-doeleinden bestaat.

“1. Voor de toepassing van de artikelen [44](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-44) en [45](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-45) van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder de plaats waar een belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, de plaats verstaan waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend.

2\. Om te bepalen waar de in lid 1 bedoelde plaats gelegen is, wordt rekening gehouden met de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen, de plaats van de statutaire zetel van het bedrijf en de plaats waar de bestuurders van het bedrijf bijeenkomen.

Wanneer op grond van deze criteria niet met zekerheid kan worden bepaald waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van een bedrijf is gevestigd, is de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen het doorslaggevende criterium.

3\. Het enkele bestaan van een postadres is ontoereikend om dat adres aan te merken als de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige.

Artikel 11

1\. Voor de toepassing van [artikel 44 van Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-44) wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken.

2\. Voor de toepassing van de volgende artikelen wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een — wat personeel en technische middelen betreft — geschikte structuur om de door haar te verrichten diensten te kunnen verstrekken:

a) [artikel 45 van Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-45);

b) vanaf 1 januari 2013, [artikel 56, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-56);

c) tot en met 31 december 2014, [artikel 58 van Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-58);

d) [artikel 192 bis van Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-192bis).

3\. Het hebben van een btw-identificatienummer volstaat niet om te besluiten dat een belastingplichtige een vaste inrichting heeft.

44\. Hoewel men in voormelde artikelen verwijst naar [artikel 44](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-44) en [45](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-45) van de Richtlijn 2006/112/EG, die betrekking hebben op diensten, mag gesteld dat de definitie ook geldt voor de leveringen*.(2)*

---

*\[(2) VAT Committee Working Paper nr. 857, Taxud. c.1 (2015)2177802, 6 mei 2015, p. 4;\]*

---

45\. In het “VAT Committee Working Paper nr 857 *(3)* wordt daarenboven benadrukt dat het louter overbrengen van goederen van de ene lidstaat naar een andere om deze vervolgens vanuit deze laatste te leveren, geen vaste inrichting mag veronderstellen in hoofde van degene die deze goederen overbrengt. Men benadrukt zelfs dat het loutere bestaan van een opslag/entrepot in een lidstaat op zich niet voldoende is om voor btw-doeleinden te concluderen dat de belastingplichtige aldaar over een vaste inrichting beschikt. Enkel de toetsing aan de elementen opgenomen in artikel 11, voormeld, laten dit toe.

---

*\[(3) Opgesteld door het BTW comité (opgericht in toepassing van* [*artikel 398 Richtlijn 2006/112/EG*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-398)*) als toelichting bij de artikelen 192a van voormelde Richtlijn en de artikel 11 en 53 van de uitvoeringsverordening genomen ter uitvoering van voormelde Richtlijn\]*

---

46\. Dien ten gevolge moet vooreerst bepaald worden waar X zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft, vooraleer te onderzoeken of X over een vaste inrichting beschikt en mocht dit laatste het geval zijn in welke mate die vaste inrichting geacht wordt belastbare handelingen te stellen dan wel tussen te komen.

#### II.B.1. Zetel van bedrijfsuitoefening

47\. De aanvragers bevestigen dat op heden maar tevens zodra het model met regionale distributiecentra voor de EMEA-regio opgezet word, de zetel van de bedrijfsuitoefening van X in B zal blijven. Dit wordt als volgt aangetoond :

47.1 De maatschappelijke zetel van de juridische entiteit X zal in B gevestigd blijven. Dat is waar X het wereldwijde supplychain-management en de verkoop zal blijven aansturen, alle marketing gerelateerde intellectuele eigendom zal blijven bezitten en een centrale opslagplaats voor de Z groep-producten zal behouden (zodra de regeling met 3PL operationeel is, zal de benutting van de opslagplaats in B in de volgende jaren geleidelijk worden afgebouwd).

47.2 De algemene beleidslijnen inzake corporate-diensten van X zullen nog steeds worden bepaald in B. Alle contracten – en inzonderheid het met 3PL gesloten contract – zullen nog steeds in B moeten worden onderhandeld, geëvalueerd en zo nodig worden herzien, gewijzigd en ondertekend.

47.3 X heeft een uit 6 leden bestaande raad van bestuur die effectief minstens tweemaal per jaar in B samenkomt op de zetel van X, en een 2 leden tellend directiecomité.

47.4 X zal zijn activiteiten nog steeds vanuit B aansturen. Om essentiële beslissingen te nemen, beschikt X over zijn eigen financiële middelen, HR-afdeling, Finance & Accounting-afdeling, juridische afdeling, IT-afdeling enz. Bovendien is X eigenaar van alle marketing gerelateerde intellectuele eigendommen. Het merendeel van de ondersteunende diensten die door externe leveranciers (derden) worden geleverd ten behoeve van X - en effectief gebruikt door X - in B worden momenteel gefactureerd op het B btw-nummer van de juridische entiteit X.

47.5 Zoals hierna in randnummer 54 wordt aangetoond zal X verantwoordelijk blijven voor het beheer van de gehele supplychain.

#### II.B.2. Beoordeling van de zetel van bedrijfsuitoefening voor uitgaande handelingen in casu de levering van goederen in hoofde van X

48\. De plaats waar X als leverancier van de goederen zijn zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, is het voornaamste aanknopingspunt om de tot voldoening van de btw gehouden aansprakelijke te kunnen bepalen bij de lokale levering van goederen vanuit de EMEA-voorraad die zich in België bevindt.

49\. Deze zetel van de bedrijfsuitoefening wordt niet beïnvloed door het gegeven dat men de goederenvoorraad op een andere plaats, in een ander land, aanhoudt wanneer men het enkel bij die derde – logistiek- onderbrengt.

50\. Hoewel de zetel van de bedrijfsuitoefening zonder twijfel hierboven is aangetoond en voldoende is voor het bepalen van de btw-plichtigheid voor zijn levering van goederen in België, is het hanteren van het begrip ‘vaste inrichting’ (voor btw-doeleinden) daarenboven alleen mogelijk in het geval dat de plaats waar de zetel van de bedrijfsuitoefening gevestigd is niet tot een rationele oplossing leidt of een conflict met een andere lidstaat doet ontstaan.

51\. Daarom worden de navolgende elementen verder onderzocht :

51.1. Personeel

a) Een vaste inrichting moet beschikken over personeel die diensten of goederen kunnen leveren dan wel diensten kunnen afnemen en goederen in gebruik kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de economische activiteit.

b) In België zal X zelf niet over personeel beschikken. De werknemers die de opslagplaats beheren, zullen uitsluitend bij 3PL horen, en 3PL zal handelen als een onafhankelijke onderaannemer ten aanzien van X, zonder in staat te zijn namens X beslissingen te nemen. . Daarenboven zal X geen hiërarchisch gezag ten aanzien van 3PL-personeel kunnen uitoefenen.

c) Alle beslissingen die genomen zullen worden met betrekking tot opslag- en reparatieactiviteiten die 3PL in België zal verrichten, zullen genomen en meegedeeld worden vanuit B, middels instructies aan 3PL en zullen geen X personeelsaanwezigheid in België vereisen.

d) Het beheren van de klantenorders, het retourneren van goederen en het communiceren met klanten zal door X vanuit B gebeuren.

Hieruit volgt dat geconcludeerd mag worden dat X in België niet over personeel noch rechtstreeks noch onrechtstreeks zal beschikken.

51.2. Technische middelen

a) Evenmin zal X beschikken over technische/productiemiddelen noch over machines, rollend materieel of een kantoor of andere faciliteiten in België, zoals hierboven uiteengezet.

b) X en 3PL zijn aparte juridische entiteiten en maken geen deel uit van dezelfde groep. De door 3PL geëxploiteerde opslagplaatsen zowel als de uitrusting ervan zijn eigendom van 3PL en kunnen dus geen technische middelen vormen die rechtstreeks of onrechtstreeks aan X in België toebehoren, noch kunnen ze door X rechtstreeks of onrechtstreeks aangewend worden. Toegang tot de opslagfaciliteit is enkel op afspraak mogelijk. Men dient één dag op voorhand de afspraak aan te vragen, toegang kan enkel verleend worden tijdens de normale werkuren van 3PL en mits deze zich beperkt tot de opslagplaats en de inspectie van de producten.

Het louter aanhouden van voorraad in een EU-lidstaat kan bovendien niet worden gekwalificeerd als een vaste inrichting voor btw-doeleinden in dat land .

**II.B.3. Beoordeling van de zetel van bedrijfsuitoefening voor inkomende handelingen in hoofde van X in casu de opslagactiviteit en in ondergeschikte orde de occasioneel verrichte hersteldiensten**

52\. De Belgische opslagplaats zal eigendom zijn van en geëxploiteerd worden door de 3PL, die ook vergelijkbare logistieke diensten verleent aan andere klanten. Meer bepaald zal de opslagplaats een ‘multi-user facility’ zijn, wat betekent dat er ook goederen van andere derden zullen liggen. Zoals ook wordt vermeld in clausule 9.11 van de ‘warehousing services agreement’, zal X geen vrije toegang tot de opslagplaats hebben. Samengevat 3PL zal in de opslagfaciliteit voorzien, alsook operationele opslagactiviteiten en andere (logistieke) diensten uitvoeren voor X.

53\. 3PL zal handelen als een onafhankelijke onderaannemer ten aanzien van X. 3PL zal de opslagplaats op autonome wijze exploiteren met eigen personeel (X zal geen hiërarchisch gezag ten aanzien van 3PL-personeel kunnen uitoefenen). Alle opslag- en reparatieactiviteiten zullen door 3PL in België worden verricht op verzoek van X vanuit B. Alle beslissingen hieromtrent zullen genomen, meegedeeld en in de vorm van instructies aan 3PL doorgegeven worden vanuit B en zullen geen aanwezigheid van X in België vereisen. Verder zal X geen wettelijk vertegenwoordiger of werknemer hebben, al dan niet met bindende bevoegdheden, die in België werkzaam is of fysiek aanwezig is voor het uitvoeren van de opslagactiviteiten of enige andere activiteit. Alle opslag- en reparatieactiviteiten worden beheerd vanuit B. X zal geen personeel of activa in België aanhouden met uitzondering van de voorraad.

54\. X blijft verantwoordelijk voor het beheer van de volledige supplychain, met inbegrip van onder andere:

54.1 beslissingen in het kader voorraadbeheer;

54.2 communicatie t.a.v. leveranciers;

54.3 beslissingen inzake orderuitvoering;

54.4 communicatie t.a.v. klanten in verband met orders en goederen retournering;

54.5 orderbeheer; en

54.6 ermee gepaard gaande communicatie en instructies t.a.v. 3PL met betrekking tot goederentransport, orders, goederen retourneringen en beperkte reparatieactiviteiten.

55\. X zal in België niet beschikken over een opslagruimte. 3PL zal evenmin de haar toebehorende opslagruimten ter beschikkingstellen van X, om er zelf goederen in op te slaan, noch kan X zelf beschikken over een specifiek gedeelte van de opslagruimten dat haar exclusief voorbehouden wordt.

56\. 3PL zal daarentegen haar ruimten aanwenden voor het verrichten van haar eigen economische activiteit die bestaat in het opslaan van aan derden toebehorende goederen. Zij zal in de uitoefening van haar dienstprestaties, beroep kunnen doen op onderaannemers .

57\. Derhalve dient geconcludeerd dat 3PL haar eigen economische werkzaamheden zelfstandig zal organiseren en uitoefenen. Haar installaties en personeel niet door X aangewend c.q. ingezet kunnen worden.

58\. Bovendien werd genoteerd dat noch Z , als Belgische entiteit binnen de Z-groep, noch haar personeel betrokken zal zijn bij de beoogde verrichting, voorwerp van deze rulingaanvraag, opdat ook zij evenmin als vaste inrichting van X aangemerkt kan worden.

59\. Om deze redenen dient geconcludeerd dat X in België niet beschikt over een vaste inrichting, hetgeen vereist is wil men als niet in België gevestigde belastingplichtige geacht worden in België diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken.

60\. Er dient aldus geconcludeerd te worden dat de door3PL aan X verstrekte diensten, verstrekt worden aan een niet in België gevestigde belastingplichtige.

#### II.B.4. Uitzonderlijk door 3PL te verrichten “kleine reparatiediensten”

61\. Beperkte reparatiediensten kunnen overeenkomstig artikel 3.2. van de ‘warehousing services agreement’, in de toekomst uitgevoerd worden door de 3PL - als onafhankelijke onderaannemer - op verzoek en onder begeleiding van X.

62\. Er zullen geen werknemers van X in België aanwezig zijn om de reparatiediensten uit te voeren. Trainingen (indien nodig) zullen plaatsvinden in B. De reparaties zullen in het algemeen zeer beperkt (zowel het aantal als de omvang) zijn en de 3PL zal geen rechtstreekse interactie hebben met X’s klanten. De reparaties en de logistiek in verband met teruggestuurde goederen zullen door X beheerd worden, die daartoe richtlijnen en processen zal ontwikkelen. De 3PL zal enkel orders uitvoeren op basis van instructies vanwege X en overeenkomstig het door haar vooraf gedefinieerde beleid.. 3PL zal voor zijn diensten worden vergoed op basis van een prijs per product; afzonderlijke tarieven zullen gelden voor tijdsbesteding aan administratie, documentatie enz. alsook voor IT-ondersteuning en aan benodigdheden verbonden kosten.

63\. X heeft een zogenaamd 'retourneringsbeleid' voor de Z groep, waarbij de door haar verkochte goederen mogen worden geretourneerd. X bepaalt of de retourzendingen van (beschadigde) goederen aan de garantievoorwaarden voldoen. Vanuit een logistiek perspectief zal, eens 3PL operationeel is, dit betekenen dat de goederen in opdracht van X terug vervoerd worden naar de EMEA-opslagplaats in België.

#### II.B.5. Toetsing van onderhavige aanvraag aan de Belgische rechtspraak

64\. X bevestigt dat contracten met leveranciers en klanten door haar worden onderhandeld, geëvalueerd en zo nodig herzien, gewijzigd en ondertekend in B. De relaties met leveranciers en klanten worden behandeld door X, zonder enige tussenkomst van 3PL. X is namelijk de gecentraliseerde rechtspersoon die toegang heeft tot het online platform dat gebruikt wordt voor klantenorders en goederen retourneringen, waarbij:

64.1 3PL geen contact zal hebben met de klanten van X en op geen enkele wijze met die klanten zal communiceren;

64.2 3PL geen contact zal hebben met de lokaal gevestigde distributie entiteiten van Z groep en op geen enkele wijze met die entiteiten zal communiceren; en

64.3 3PL geen toegang zal hebben tot het online platform dat door X wordt gebruikt voor klantenorders en goederen retourneringen.

65\. De vergelijking met de elementen in de Belgische rechtspraak met onderhavige aanvraag resulteert in volgende vaststelling *(4)*:

---

*\[(4) Luik 14.01.2020 – Hof van Beroep Gent 18.10.2016\]*

---

65.1 naast de statutaire zetel bevindt de reële effectieve zetel van bedrijfsuitoefening van X zich momenteel in B;

65.2Belgische entiteit van Z groep komt niet tussen in de transacties van X en kan evenmin als vaste inrichting voor X aangemerkt worden;

65.3 vervolgens werd onderzocht of 3PL als derde aangemerkt kan worden als vaste inrichting naar analogie met de Belgische rechtspraak:

a) partijen behoren niet tot dezelfde groep ( 3PL en X zijn duidelijk derden voor elkaar);

b) 3PL als dienstverrichter verricht dezelfde prestaties voor andere ondernemingen, met name opslag van goederen al dan niet in douane entrepot;

c) beide partijen organiseren autonoom hun activiteiten, beschikken zelf over de voor hun activiteit vereiste materieel vast actief en beschikken zelf over hun eigen personeel (zonder ter beschikkingstelling of de mogelijkheid om er zeggenschap over uit te oefenen);

d) beide partijen beschikken over hun eigen leveranciers en klanten, kunnen autonoom beslissen om al dan niet op onderaannemers beroep te doen, mits ze hierbij de overeengekomen samenwerking niet in het gedrang brengen;

e) 3PL zal op geen enkel ogenblik in contact staan opzichtens X’s leveranciers of klanten, X zal op geen enkel ogenblik over een magazijn, opslagplaats van 3PL kunnen beschikken;

## Aangehaalde teksten

8

[btw-richtlijn 2006/112 art. 44](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-44) 3 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 45](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-45) 3 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 192bis](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-192bis) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 398](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-398) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 56](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-56) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 58](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-58) 1 voorkomen

[C-210/04, arrest van 23 maart 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-210-04-arrest) 1 voorkomen
