Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing, Zakelijke overwegingen, Belastingfraude of -ontwijking · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2020.1501 7 juli 2020

Zoeken

Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing, Zakelijke overwegingen, Belastingfraude of -ontwijkingVENNOOTSCHAPSBELASTING - Belastingneutrale partiële splitsing - Zakelijke overwegingen - Belastingfraude of –ontwijking - Meerwaarde op aandelen - Divers inkomen - Normaal beheer privé-vermogen - Anti-misbruikbepaling - REGISTRATIERECHTEN - Inbreng van roerende en onroerende goederen - BTW - Vrijstelling

https://juriel.be/nl/rulings/2020-1501-vennootschapsbelasting-belastingneutrale-partiele-splitsing-zakelijke-b4ca

Nummer
2020.1501
Datum
7 juli 2020

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

74 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2020.1501 d.d. 07.07.2020

VENNOOTSCHAPSBELASTING · Belastingneutrale partiële splitsing · Zakelijke overwegingen · Belastingfraude of –ontwijking · Meerwaarde op aandelen · Divers inkomen · Normaal beheer privé-vermogen · Anti-misbruikbepaling

REGISTRATIERECHTEN · Inbreng van roerende en onroerende goederen

BTW · Vrijstelling

Samenvatting

De partiële splitsing van de NV X, waarbij het residentieel vastgoed afgesplitst wordt naar de vastgoedvennootschap, CVBA Y en het professioneel vastgoed behouden blijft in de NV X zodat de NV X en de CVBA Y zich kunnen specialiseren in één soort onroerend goed, en de partiële splitsing van de NV X waarbij de participaties afgesplitst worden naar een nieuw opgerichte holding, BV Z om de instap in het kapitaal van de BV Z door een medewerker financieel mogelijk te maken, beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis, WIB 92 en in artikel 211, § 1, WIB 92.

De verkoop door de heer P van een beperkt deel van de aandelen van de BV Z kan beschouwd worden als een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen, zodat de meerwaarde niet zal belast worden op grond van de artikelen 90, eerste lid, 1° en 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.

De geplande partiële splitsing valt onder het toepassingsgebied van de artikelen 115 en 115bis Fed.W.Reg.

De partiële splitsingen van NV X zijn vrijgesteld van btw overeenkomstig art. 44, § 3, 1° a), 7° en 10° van het btw-wetboek.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe de bevestiging te krijgen dat:

1.1. de voorgenomen partiële splitsingen van de NV A, waarbij enerzijds het residentieel vastgoed wordt afgesplitst naar een bestaande vennootschap, CVBA B en, anderzijds een aantal aandelenparticipaties in operationele vennootschappen en twee schuldvorderingen worden afgesplitst naar een nieuw op te richten holdingvennootschap, BV C, verantwoord zijn door afdoende zakelijke overwegingen in de zin van artikel 183bis, WIB 92 en fiscaal neutraal kunnen geschieden overeenkomstig artikel 211, § 1, WIB 92;

1.2. de partiële splitsingen onderworpen zijn aan het 0% inbrengrecht overeenkomstig de artikelen 115 en 115bis W.Reg.;

1.3. de partiële afsplitsingen van het residentieel vastgoed, de aandelenparticipaties en schuldvorderingen vrijgesteld zijn van BTW op grond van artikel 44, § 3, 1°, a, 7° en 10°, W.Btw;

1.4. de meerwaarde eventueel verwezenlijkt door de heer P naar aanleiding van de verkoop van aandelen van de nieuw opgerichte vennootschap, BV C aan een directielid van de groep X niet belastbaar zal zijn als divers inkomen in de zin van artikel 90, eerste lid, 1° en 9°, eerste gedachtestreepje WIB 92, noch als winst in de zin van de artikelen 24 en 41, WIB 92, noch als bezoldiging in de zin van artikel 32, WIB 92.

II. Omschrijving van de verrichtingen door de aanvragers

2. De NV A is een holdingvennootschap die participaties aanhoudt in verschillende exploitatievennootschappen. Samen vormen ze de groep X. De aandelen van de NV A zijn voor 100% in handen van de heer P.

3. De NV A levert managementdiensten aan sommige dochterondernemingen en bezit tevens een aantal onroerende goederen (residentieel en professioneel) die verhuurd worden aan haar dochtervennootschappen en aan derden.

4. De heer P bezit daarnaast 50% van de aandelen van de CVBA B; de andere 50% van de aandelen worden aangehouden door zijn echtgenote, mevrouw Q. De CVBA B is een vastgoedvennootschap die residentieel vastgoed bezit, maar die daarnaast ook management- en verkoopdiensten levert voor enkele dochtervennootschappen van de NV A. Een deel van de onroerende goederen wordt ter beschikking gesteld van de heer P en zijn gezin, een ander deel wordt verhuurd aan derden.

5. De aanvragers wensen een partiële splitsing door te voeren de NV A waarbij haar residentieel vastgoed overgedragen wordt aan de CVBA B en een partiële splitsing van de NV A waarbij de participaties in de dochtervennootschappen en twee schuldvorderingen overgedragen worden aan een nieuw opgerichte vennootschap, BV C.

6. De voorgenomen partiële splitsingen beantwoorden aan de definitie van een met een splitsing gelijkgestelde verrichting zoals vermeld in artikel 2, § 1, 6°/1, g), 1), WIB 92.

III. Beslissing

III.A. Betreffende de toepassing van de artikelen 183bis en 211, § 1, WIB 92

7. De afsplitsing van de participaties naar een nieuwe holdingvennootschap is er op gericht om een directielid te laten intreden in de groep X. Door de partiële splitsing wordt die toetreding financieel mogelijk gemaakt en wordt vermeden dat hij tegelijk een deel van het vastgoed van de familie van de heer P zou verwerven, hetgeen niet wenselijk is. Bovendien zal de groep haar activiteiten vanuit de nieuwe holding kunnen diversifiëren via investeringen in andere sectoren.

8. De afsplitsing van het residentieel onroerend goed naar de CVBA B kadert in het opzet om het residentieel vastgoed enerzijds en het commercieel vastgoed anderzijds onder te brengen in twee aparte vennootschappen, zodat het beheer ervan efficiënter kan verlopen en elk van de vennootschappen zich uitsluitend kan toeleggen op één specifiek soort vastgoed.

9. Verder biedt de nieuwe structuur de mogelijkheid om de successieplanning voor te bereiden.

10. De aanvragers hebben bevestigd dat er geen schulden rusten op het over te dragen onroerend goed, zodat er geen schulden zullen worden overgedragen naar aanleiding van de partiële splitsing.

11. De bij de partiële splitsingen betrokken vennootschappen stellen geen personeel tewerk. De aanvragers hebben bevestigd dat de voorgenomen verrichtingen geen impact zullen hebben op de tewerkstelling binnen de groep.

12. De NV A en de CVBA B zijn winstgevend en hebben een belastbare basis. Zij beschikken geen van beiden over overgedragen fiscaal aftrekbare bestanddelen (geen overgedragen verliezen, aftrek voor risicokapitaal, investeringsaftrek of DBI-aftrek).

13. De aanvragers hebben bevestigd dat de CVBA B geen vrijgestelde reserves heeft waarvoor nog een herbeleggingsverplichting openstaat, zodat de partiële splitsing waarbij onroerende goederen overgedragen worden aan de CVBA B er niet toe strekt om de naar aanleiding van de partiële splitsing verkregen activa als herbeleggingsactivum te gaan aanduiden ten name van de verkrijgende vennootschap, CVBA B.

14. De aanvragers hebben bevestigd dat de verdeling van de eigenvermogensbestanddelen zal gebeuren met toepassing van artikel 213, WIB 92. De NV A heeft geen vrijgestelde reserves.

15. Na de partiële splitsingen van de NV A zal de heer P een aanbod tot aankoop van 5% van de aandelen van de BV C doen aan het directielid, de heer R, die deze aandelen hetzij rechtstreeks, hetzij via zijn managementvennootschap zal kunnen verwerven, met een optie om binnen de twee jaar nogmaals 5% van de aandelen van de BV C bij te kopen. Verder zal de heer P de helft van de nieuw uitgegeven aandelen van de CVBA B schenken aan zijn echtgenote, mevrouw Q, zodat ze opnieuw elk evenveel aandelen in CVBA B zullen aanhouden.

16. De heer P en mevrouw Q hebben bevestigd dat ze met uitzondering van de in de randnummer 15 vermelde overdrachten, niet de intentie hebben om de aandelen in de NV A, de CVBA B of de BV C te verkopen of anderszins over te dragen. Mochten hieromtrent in de toekomst toch concrete verkoopplannen ontstaan, dan engageren zij zich om hierover voorafgaandelijk terug te koppelen naar de DVB.

17. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de voorgenomen partiële splitsingen van de NV A plaatsvinden op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking hebben in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

18. De overnemende vennootschap, CVBA B, respectievelijk BV C (nieuw opgerichte vennootschap) is een binnenlandse vennootschap, zal respectievelijk een binnenlandse vennootschap zijn.

19. Derhalve kunnen de voorgenomen partiële splitsingen belastingneutraal worden doorgevoerd in toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92.

III.B. Betreffende de toepassing van de artikelen 115 en 115 bis W.Reg.

20. Uit de door de aanvragers voorgelegde splitsingsstaat blijkt dat de aandelenparticipaties in de dochtervennootschappen en de achtergestelde schuldvorderingen uit leningen die werden verstrekt aan 2 operationele vennootschappen (art. 115 W.Reg.) worden ingebracht door middel van een partiële splitsing van de NV A naar de nieuw op te richten vennootschap, BV C.

21. Artikel 115 Fed.W.Reg. bepaalt dat aan een recht van 0 pct. wordt onderworpen de inbreng van roerende goederen in vennootschappen waarvan hetzij de zetel der werkelijke leiding in België, hetzij de statutaire zetel in België en de zetel der werkelijke leiding buiten het grondgebied der lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap, is gevestigd, onverschillig of de inbreng bij de oprichting van de vennootschap of naderhand plaats heeft. Het recht wordt vereffend op het totaalbedrag van de inbrengen.

22. Er worden eveneens meerdere onroerende goederen van de NV A afgesplitst en ingebracht in de bestaande vennootschap, CVBA B.

23. Inzake deze partiële splitsing waarbij onroerende goederen wordt afsplitst, bepaalt artikel 115bis Fed.W.Reg. dat de inbrengen van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning worden aangewend of voor bewoning bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden, in vennootschappen waarvan de zetel van werkelijke leiding in België gevestigd is, of de statutaire zetel in België en de zetel van werkelijke leiding buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Gemeenschap gevestigd is, aan het recht van 0% worden onderworpen.

24. Aangezien zowel de BV C als de CVBA B als Belgische vennootschap voldoen aan de nationaliteitsvereiste, is er een zuivere toepassing van de artikelen 115 en 115bis Fed.W.Reg.

25. Artikel 120 Fed.W.Reg. bepaalt dat wanneer een inbreng in vennootschap gedeeltelijk vergolden wordt anders dan bij toekenning van maatschappelijke rechten, de overeenkomst, naarmate van deze vergelding, wordt onderworpen aan de rechten zoals ze in dit hoofdstuk vastgesteld zijn voor de overeenkomsten onder bezwarende titel die goederen van dezelfde aard tot voorwerp hebben. Zo een inbreng met onroerende goederen vermeld in artikel 115bis en goederen van een andere aard begrijpt, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergelding van bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht enkel op laatstbedoelde rechten betrekking te hebben. Deze bepalingen zijn evenwel niet toepasselijk bij inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117 Fed.W.Reg.

26. Er is geen sprake van de inbreng van een algemeenheid van goederen en ook niet van de inbreng van één of meer bedrijfstakken: het gaat in casu om de zuivere partiële splitsing van een vennootschap waarbij meerdere onroerende goederen al dan niet met schulden zullen worden overgedragen.

27. Aangezien de partiële splitsing, begrijpende meerdere onroerende goederen en roerende goederen, volledig wordt vergoed in aandelen waarbij er geen overname van schuld noch enige opleg in contanten is, is in casu artikel 120 Fed.W.Reg. niet van toepassing. Er kan worden gesteld dat de verrichting zal worden belast met het evenredig registratierecht aan het tarief van 0% door een zuivere toepassing van artikelen 115 en 115bis Fed.W.Reg., evenwel met een minimumheffing gelijk aan het algemeen vast recht van 50 EUR bij toepassing van artikel 167 Fed.W.Reg.

28. De onroerende goederen die worden afgesplitst zijn gelegen in België.

29. Voor de toepassing van de registratierechten worden de verrichtingen beoordeeld op het tijdstip van de inbreng zelf, zijnde de datum van het verlijden van de notariële akte, zonder retroactiviteit.

30. De akte van de beschreven partiële splitsing zal verleden worden door een in België gevestigd notaris.

III.C. Betreffende de toepassing van artikel 44, § 3, 1°, a, 7° en 10°, W.Btw.

31. In het kader van de hierboven beschreven partiële splitsingen van de NV A zal het residentieel vastgoed worden afgesplitst naar de bestaande vennootschap, CVBA B.

32. Er wordt bevestigd dat deze residentiële onroerende goederen voor de toepassing van de btw-wetgeving kwalificeren als “oude gebouwen”. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, a, van het btw-wetboek is de overdracht van dit residentieel vastgoed van btw vrijgesteld. Tevens bevestigt de aanvrager de nodige btw-herzieningen hieromtrent door te voeren.

33. Daarnaast worden in het kader van deze partiële splitsingen een aantal aandelenparticipaties en schuldvorderingen van de NV A afgesplitst naar een nieuw op te richten holdingvennootschap, BV C. Deze overdrachten zijn van btw vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 3, 7° en 10° van het btw-wetboek.

III.D. Betreffende de toepassing van toepassing van artikel 90, eerste lid, 1° en 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92

34. De geplande overdracht door de heer P van 5 tot 10% van de aandelen van BV C die hij na de partiële splitsingen van de NV A in de BV C zal bezitten, aan het directielid, de heer R, vormt een overdracht onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.

35. De aandelen van de NV A behoren tot het privé-vermogen van de heer P. Bijgevolg zullen de bij de partiële splitsing van de NV A nieuw uitgegeven aandelen van de BV C ook tot het privé-vermogen van de heer P behoren.

36. De geplande overdracht kan, gelet op de hierna vermelde overwegingen, worden aangemerkt als een normale verrichting van beheer van het privé-vermogen in de zin van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92:

- de heer P bezat bij de oprichting van de NV A ettelijke jaren geleden 99,6% van de aandelen. Nadien verkreeg hij ook de overige 0,4%. Na de partiële splitsing van de NV A zal hij eveneens 100% van de aandelen van de nieuw opgerichte vennootschap, BV C, bezitten;

- het betreft geen complexe verrichting, noch spitsvondig feitencomplex;

- de voorgenomen verkoop van 5 tot 10% van de aandelen van de nieuw opgerichte holding BV C aan het directielid R, heeft tot doel het betrokken directielid te binden aan de groep X en hem een incentive te geven voor zijn prestaties binnen de groep;

- de meerwaarde die bij de voorgenomen aandelenoverdrachten zal worden gerealiseerd is, gelet op de bezitsduur van de aandelen, de afwezigheid van financieringen en van hoge risico's, niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°, WIB 92.

III.E. Inzake de toepassing van de artikelen 24, 30 en 41, WIB 92

37. De aandelen van de NV A behoren tot het privé-vermogen van de aanvrager-natuurlijke persoon, met name de heer P. Ingevolge de partiële splitsing van de NV A door oprichting van de BV C zullen de nieuw uitgegeven aandelen van de BV C toegekend worden aan de heer P en zullen deze aandelen dan ook eveneens behoren tot zijn privé-vermogen. De aandelen van de BV C vallen derhalve niet onder het toepassingsgebied van artikel 24, 30 of 41, WIB 92.

38. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvragers werden vermeld. De DVB spreekt zich in deze beslissing, ondanks de vermelding in randnummer 16, niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344, § 1, WIB 92, enz …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing, zoals bv. de latere overdracht van de aandelen van de NV A, de CVBA B of de BV C. Bij een latere overdracht van deze aandelen is de beslissing zoals vermeld in randnummer 19 niet langer geldig, tenzij de DVB in een avenant aan de beslissing de geldigheid ervan zou bevestigen.

39. De aandacht wordt er op gevestigd dat de beslissing inzake de overdracht van aandelen slechts geldig blijft voor zover de geplande verkoopverrichting plaatsvindt binnen de periode van één jaar vanaf de datum van de voorafgaande beslissing.

40. De DVB spreekt zich met deze beslissing evenmin uit over de bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF).

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 442 voorkomens