Btw-belaste complexe dienstverrichting · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2020.1316 7 juli 2020

Zoeken

Btw-belaste complexe dienstverrichtingBtw - Btw-belaste complexe dienstverrichting - Bundeling van handelingen die economisch onsplitsbaar zijn - Bedrijven- en dienstencentrum - Minimumdiensten - Onroerende verhuur - Artikel 18, § 1, eerste lid W.BTW - Artikel 44 W.BTW

https://juriel.be/nl/rulings/2020-1316-btw-belaste-complexe-dienstverrichting-bundeling-f814

Nummer
2020.1316
Datum
7 juli 2020

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

32 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2020.1316 d.d. 07.07.2020

Btw · Btw-belaste complexe dienstverrichting · Bundeling van handelingen die economisch onsplitsbaar zijn · Bedrijven- en dienstencentrum · Minimumdiensten · Onroerende verhuur · Artikel 18, § 1, eerste lid W.BTW · Artikel 44 W.BTW

Samenvatting

De dienstenovereenkomst die door de Belgische vennootschap A zal afgesloten worden met de toekomstige afnemers beantwoordt aan de door aanschrijving 39/2005 opgelegde voorwaarden en is aan de btw onderworpen.

Tekst van de beslissing

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe een voorafgaande beslissing te bekomen waarin wordt bevestigd dat het aanbieden van de kant-en-klare werkomgeving aan specifieke bedrijven beschouwd wordt als een bedrijven- of dienstencentrum dat geheel onder de toepassing valt van artikel 18, §1, eerste lid WBTW.

II. Omschrijving van de verrichting

2. De vennootschap A is eigenaar van een gebouw. A wenst een smart hub te realiseren. Dit betekent een gemeenschap van bedrijven (“community”) tot stand wordt gebracht. Deze bedrijven verkrijgen werkplekken met een pakket van flankerende diensten. Hiertoe is een gebouw op significante wijze ingericht.

III Beslissing

3. De aanvrager zal een gedeelte van een gebouw ter beschikking stellen in het kader van een globaal dienstenpakket van een bedrijven -of dienstencentrum. De gebruikers verkrijgen kant-en-klare werkplekken met een pakket aan diensten.

4. De terbeschikkingstelling van deze kant-en-klare werkomgeving dient te worden getoetst aan het artikel 44, § 3, 2° van het btw-wetboek.

5. Artikel 44, § 3, 2°, btw-wetboek stelt o.a. van de belasting vrij de verhuur van uit hun aard onroerende goederen.

6. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet men, om te bepalen of een handeling al dan niet kan worden gekwalificeerd als een onroerende verhuur, het voorwerp zelf van de overeenkomst analyseren (arrest van 18 november 2004, zaak C-284/03, Temco Europe). Indien het in hoofdzaak gaat om het gebruik van een gebouw, moet de handeling worden gekwalificeerd als een onroerende verhuur die bijgevolg van de BTW is vrijgesteld zonder recht op aftrek te verlenen aan de verhuurder. Indien echter het voorwerp van de overeenkomst hoofdzakelijk bestaat uit een andere dienst, is de handeling in principe aan de btw onderworpen, met recht op aftrek in hoofde van de dienstverrichter, ongeacht hoe deze handeling wordt gekwalificeerd.

7. Het Hof heeft gewezen op de noodzaak om een onderscheid te maken tussen de handelingen van onroerende verhuur, die in hoofdzaak gekenmerkt worden door een passieve terbeschikkingstelling van ruimten of oppervlakten in gebouwen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, en de handelingen die een dienst genereren die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt.

8. Als gevolg van dit arrest heeft de administratie beslist om haar zienswijze over de toepasselijke regeling inzake btw voor de handelingen van bedrijven- of dienstencentra te herzien en om een standpunt in te nemen dat in essentie kan worden geïllustreerd door een arrest van 30.4.2004 van het Hof van Beroep te Gent.

9. Dit Hof heeft immers geoordeeld dat hoewel de terbeschikkingstelling van individuele ruimten in het kader van contracten gesloten door een bedrijven- of dienstencentrum daadwerkelijk een belangrijk element van de overeenkomst uitmaakt, dit echter niet inhoudt dat deze terbeschikkingstelling daarom de hoofddienst zou zijn.

10. Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van een individuele ruimte geen zelfstandige dienstverrichting is en dat de andere verleende prestaties evenmin één of meer andere onafhankelijke dienstverrichtingen uitmaken.

11. Met betrekking tot de bedrijven- of dienstencentra die één geheel van diensten "in pakket" aan hun klanten aanbieden "met het voor hen voor de hand liggend voordeel dat zij toetreden tot een bepaalde werkorganisatie en -omgeving waarin zij kant-en-klaar de nodige middelen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid aantreffen", heeft het Hof beslist dat de door een bedrijven- of dienstencentrum verleende diensten één geheel uitmaken dat bij toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid, van het Wetboek voor het geheel aan de btw is onderworpen.

12. Om de handelingen van bedrijven- of dienstencentra die aan de belasting zijn onderworpen, te onderscheiden van vrijgestelde onroerende verhuur (in voorkomend geval met bijkomende diensten), heeft de administratie, na onderzoek in deze sector, een aantal criteria bepaald waaraan verplicht moet worden voldaan opdat de door de bedrijven- of dienstencentra verleende dienstprestatie volledig aan de btw zou zijn onderworpen. Deze criteria zijn opgenomen onder punt 3 van de aanschrijving nr. AOIF 39/2005 (E.T. 108.816) dd. 27.09.2005.

13. In casu blijkt dat het dienstenpakket dat door de aanvrager aan de gebruikers zal worden aangeboden volledig beantwoordt aan de door de aanschrijving nr. AOIF 39/2005 opgelegde criteria.

14. De omstandigheid dat de kant-en-klare werkplekken worden aangeboden via 2 pakketten (pakket “bedrijvencentrum” en pakket “bijkomende diensten”) waarbij de gebruikers kunnen opteren voor 2 formules (flex resident of fix resident) doet hieraan geen afbreuk aangezien bevestigd werd dat de minimale diensten opgenomen in aanschrijving nr. AOIF 39/2005 steeds inbegrepen zitten in de globale forfaitaire prijs.

15. Tevens is een gedifferentieerd prijszettingsbeleid in functie van anciënniteit of grootte van het bedrijf / gebruiker geen beletsel voor zover de minimale diensten steeds inbegrepen zitten in de globale forfaitaire prijs.

16. Aangezien het bedrijvencentrum zich wil profileren als een vooruitstrevende hub voor specifieke bedrijven, wil de aanvrager de gebruikers toestaan om, i.p.v. standaardmeubilair, eigen, hipper meubilair, in hun toegewezen “workspace” te gebruiken. Voor het doelpubliek van het bedrijvencentrum kan eigen meubilair bijdragen tot een eigenheid en individualiteit en hun imago versterken.

17. De DVB kan aanvaarden dat de toepassing van aanschrijving nr. 39/2005 niet in het gedrang komt wanneer bepaalde gebruikers van het bedrijvencentrum eigen meubilair gebruiken voor zover het meubilair op naam van het bedrijvencentrum wordt aangekocht en vervolgens aan de gebruiker ter beschikking wordt gesteld via het globale dienstenpakket. De aanvrager heeft bevestigd hieraan te voldoen door de gebruikers een “luxe-pakket” aan te bieden waarbij huurders een budget krijgen waarmee het bedrijvencentrum meubilair aankoopt en vervolgens betalen deze huurders een luxe-pakketprijs voor de globale dienstverlening van het bedrijvencentrum.

Aangehaalde teksten

3